Essay Ik en wij in de mediamaatschappij

De ontmaskering van onszelf

De mens beschikt over steeds nieuwe communicatiemiddelen, maar genetisch blijft hij dezelfde, met dezelfde angsten en verlangens als de eerste homo sapiens. Bestreed men elkaar vroeger met pamfletten en kronieken, tegenwoordig zijn de sociale media de uitlaatklep.

De geboorte van vrijwel elk nieuw medium – schrift, fotografie, film, televisie, internet – is in de geschiedenis begroet met zowel gejuich als afschuw. Eindelijk is het paradijs terug op aarde, zei de een. Deze duivelse uitvinding zal het leven tot een hel maken, zei de ander.

Ook nu zijn de stapels lyrische boeken van social media-goeroes – eindelijk is The Global Village gerealiseerd: iedereen sociaal, dus iedereen gelukkig – even hoog als de stapels dystopieën die waarschuwen voor de verderfelijke effecten van Web 3.0. Zij waarschuwen dat internet ons tot willoos slachtoffer, zo niet tot slaaf maakt van de commerciële Big Data-industrie: Facebook, Google, Twitter, Skype, Amazon, Groupon, LinkedIn en al die spionagebedrijven die eromheen hangen. Dat wij ons met al dat getwitter tot het niveau van de kleuter terugbrengen, snel afgeleid, snel opgewonden, snel teleurgesteld, en altijd op zoek naar het stopcontact zoals de baby naar de borst. Dat die ‘sociale media’ niet sociaal maken, maar juist asociaal en ongelukkig en dat de samenleving erdoor polariseert en verder desintegreert. Of dat al die sociale media het conformisme binnen de groep juist versterken. Of men waarschuwt dat internet met al dat flitsflats multitasken ook ons geheugen, ja, ons hele brein op fatale wijze zal aantasten.

Wat betekent het dat we nu allemaal permanent online zijn op die ‘sociale media’? Wat betekent het voor de ‘publieke sfeer’, dat fameuze begrip van Jürgen Habermas? Zal die verdwijnen? Of alleen van aard veranderen, in die zin dat discussiëren over de res publica, de publieke zaak, niet langer gebaseerd is op zelfstandig denken? Of zal de publieke sfeer veeleer bestaan uit het losse geroep over het geweldige, originele karakter van jezelf en het stompzinnige, hypocriete gedrag van de ander? Heeft die e-democratie nog een kans om tot een volwassen publiek domein uit te groeien? Of zal het voortaan vooral draaien om personen, karakters, reputaties en wat iedereen van elkaar vindt, zoals het er vroeger rond de dorpspomp aan toeging? Met de bijbehorende oprispingen van wraakzuchtige en gewelddadige pesterijen en heksenjachten, waarvan de ‘Facebook-moord’ en de Facebook-zelfmoorden nu al lijken te getuigen?

Onze digitale wereld is een aandachtseconomie en dus verkoopt het extreemste standpunt het beste, wat dat standpunt ook is, utopie of dystopie, dat maakt niet uit. Nuance heeft op Twitter weinig vrienden. En iets anders dan twitteren doen we al bijna niet meer. Mailen is uit, telefoneren al helemaal. Vorig jaar werden er wereldwijd een kwart miljard tweets per dag verzonden, en nu zal dat alweer een veelvoud zijn. Alleen een old school-sukkel als cia-chef David Petraeus verzond nog tien- tot twintigduizend mails aan zijn liefje.

Wie midden in een sneeuwstorm zit, is niet de meest geschikte persoon om te zeggen waar het oosten en het westen liggen. Maar als we ons apparaat even op black screen zetten, kunnen we wellicht toch enige lijnen trekken in de geschiedenis van de communicatie en de wisselwerking ervan met de maatschappelijk-politieke werkelijkheid. Dan zullen we zien dat er tijden waren van grote traagheid in de communicatie en van plotselinge versnelling en verdichting, tot opstand en revolutie aan toe. Waarna niet zelden een nieuwe macht het een tijd voor het zeggen had, die ook kortstondig nieuwe media als de krant, de film, of de televisie aan zich wist te onderwerpen. Totdat zich weer een gevoel van opstandigheid verbreidde, dat aan kracht won via diezelfde tot dan toe getemde media.

En altijd is er de kip-of-ei-kwestie: waren die media onmisbare wapens in de strijd tegen de politieke en culturele machthebbers, of was de strijd ook zonder die media wel ontbrand? Of hebben we in alle tijden eigenlijk met hetzelfde probleem te maken, de deugden en ondeugden, de verlangens en angsten van de mens zelf, altijd laverend tussen het streven naar individuele autonomie en het willen opgaan in de gemeenschap? Het is de dubbele droom van ‘ik’ en ‘wij’ die in de afgelopen eeuwen voor zoveel botsingen heeft gezorgd, in onszelf en in onze maatschappij.

Sinds Rousseau is er nostalgie naar zowel individuele eerlijkheid als de oer-intimiteit van een gemeenschap die permanent van elkaar houdt. Reactionairen wilden echt terug naar vroeger; revolutionairen als Karl Marx, maar ook de hippies en Marshall – Global Village – McLuhan projecteerden die nostalgie in de toekomst. Evenals hun ‘kinderen’ Steve – Think Different – Jobs en Mark – Facebook – Zuckerberg: iedereen denkt anders, iedereen is gelijk en verbonden. De woorden ‘social’ en ‘connect’ klinken voor die goeroes hetzelfde als ‘Jezus’ voor ouderwetse gelovigen.

De grote vraag is welke stootkracht al die online communicatie zal ontwikkelen en in welke richting, als de strijd om macht en goederen echt losbarst. Wie nu een rondje maakt langs krant, televisie, Nu.nl, GeenStijl.nl, Joop.nl en een honderdtal BN-twitteraars die op een doorsnee avond actief zijn, ontkomt niet aan de indruk dat betaalde en zelfbenoemde columnisten zich als een konijnenplaag over het land verspreiden en vooral commentaar geven op elkaars tweets en op wat ze zien op televisie. De meeste ervan gedragen zich als kleuters die veilig in de zandbak van de verzorgingsstaat spelen en zich daar af en toe ontiegelijk vervelen.

Maar ja, ‘La France s’ennuie’, schreef Le Monde op 15 maart 1968 somber: de jeugd verveelt zich, de generaal verveelt zich, iedereen verveelt zich. Een paar maanden later vlogen de stenen door Parijs en niet veel later verdween de generaal van het toneel.

Ook nu is het moeilijk om in al het verveelde getwitter een opkomende wraakzuchtige publieke opinie, of die eerste baksteen, te ontdekken. Ja, ‘Marx Rutte’ was zo’n baksteen, geworpen door De Telegraaf in zijn openlijke campagne tegen dit kabinet. Deze politieke campagne werd door de kwaliteitsmedia en ‘fatsoenlijke’ twitteraars als onfatsoenlijke ‘actie­journalistiek’ veroordeeld. Net zoals de afgelopen tien jaar up-start politici als Pim Fortuyn en Geert Wilders werden bekritiseerd wegens hun opgewonden toon en de verkettering van ‘de ander’. Hoe men ook oordeelt over de juistheid of onjuistheid van hun opvattingen, ze gingen wel over grote zaken: immigratie en islam. Zoals de actie van De Telegraaf die de storm onder de boze middenklasse vertolkte en versterkte ook ergens over ging: geld.

Zo is het ook in de huidige communicatie­chaos zaak te ontdekken op welk moment het verveelde zandbakgedoe kan omslaan in woede die eindigt met vliegende bakstenen. De enige richtingaanwijzers die we hierbij hebben zijn de structurele veranderingen in maatschappij en mentaliteit. Als we het heden willen duiden is het verleden een goede wegwijzer. Dan kunnen we zien hoe die ‘publieke sfeer’ ontstond en zich verder ontwikkelde. En welke rol sensatie, laster en karaktermoord speelden om de vijand letterlijk of figuurlijk een kopje kleiner te maken, middels alle media die voorhanden waren.

Jürgen Habermas betoogde dat door de toenemende uitwisseling van goederen en informatie in de achttiende eeuw een maatschappelijk onderscheid ontstond tussen het publieke en het privé-domein, waarin verschillende normen de boventoon voerden. Die tweedeling bestond in de feodale Middeleeuwen nog niet, omdat men toen nog nauwelijks notie van privé-bezit zou hebben gehad. In de achttiende eeuw ontstond als gevolg van de industriële revolutie in rap tempo een geürbaniseerde en technisch geavanceerde samenleving. Parijs en Londen telden rond 1750 al zo’n zevenhonderdduizend inwoners. De standenmaatschappij brokkelde af en het kapitalisme beïnvloedde het dagelijkse leven van de mensen steeds meer. In de stad kon men zich een nieuwe identiteit aanmeten en het ‘oude traditionele zelf’ afschudden, dat voordien vooral werd bepaald door gemeenschap en familie.

Meer mensen leerden lezen en hun belevingswereld werd groter. Het aantal culturele knooppunten waar discussie kon plaatsvinden, zoals salons, koffiehuizen en theaters, groeide gestaag. Boeken, kranten, tijdschriften werden belangrijker. Zo ontstonden er volgens Habermas een ‘publiek’, een ‘publieke sfeer’ en een ‘publieke opinie’. Onder de burgers groeide de behoefte om over de ‘publieke zaak’ te spreken. Daarbij waren rationele argumenten veelal belangrijker dan sociale status of rijkdom van de deelnemers of de politieke macht van de koning.

De historicus Robert Darnton plaatste vanaf 1980 steeds meer vraagtekens bij het rationele imago van het publieke debat in de achttiende eeuw. Goed, er was technische vooruitgang en er was meer ruimte voor zelfontplooiing. Maar doordat veel traditionele rituelen en gebruiken niet langer leidraad waren, werd de sociale en economische interactie tussen mensen steeds meer beheerst door wantrouwen. Velen gingen gebukt onder de anonimiteit van de grote stad en in de nieuwe fabrieken was het moeilijk om een unieke individuele bijdrage te leveren. Resultaat: vervreemding en onvrede.

In de salons en koffiehuizen mocht men dan keurig rationeel met elkaar debatteren, op straat en in anonieme pamfletten ging het er heel wat heftiger aan toe. Iedereen praatte met iedereen, zo veel als men kon, en haastte zich daarna om het verder te vertellen. Omdat echte nieuwskranten ontbraken, verzamelden Parijzenaren zich bijvoorbeeld in de tuinen van Palais Royal, rond een grote kastanjeboom, ‘De boom van Krakow’, om de laatste gebeurtenissen en roddels te bespreken. Vaak schreef iemand de belangrijkste roddels op, om deze later in het café voor te lezen. Dit communicatiesysteem werkte zo effectief dat ‘Versailles’ zich erdoor bedreigd voelde en er alles aan deed om mee te kunnen luisteren. Hiertoe waren alleen al in Parijs zo’n drieduizend politiespionnen in dienst. Dit fenomeen van kletsende burgers en spionerende overheden was natuurlijk zo oud als Rome. Al voor de Franse Revolutie verschool zich onder het volgens Habermas zo mooie publieke debat een uitgebreid ondergronds literair netwerk van libelles en chroniques scandaleuses die de decadentie en corruptie van adel, kerk en koning aan de kaak stelden. Zo kwamen bijvoorbeeld alle details over de buitenechtelijke affaires van Marie Antoinette boven water. Darnton noemt al die geschreven en mondelinge communicatie ‘politicopornografie’. Deze orgie van laster en bespotting droeg behoorlijk bij aan de val van het gehate Ancien Régime.

Overal waren en zijn er plekken waar mensen met elkaar kletsen, of dit nu de markt is of de Speakers Corner. Londen had zelfs in het interbellum nog een netwerk van informanten die in het hele land over ‘de stemming onder de mensen’ rapporteerden. In Nederland is dat werk tegenwoordig uitbesteed aan Maurice de Hond en TNS Nipo.

Ging het er in Nederland vroeger rustiger aan toe dan in het achttiende-eeuwse Frankrijk? In de tijd van de Republiek zeker niet. De ‘pamfletten­oorlog’ in de decennia voor 1672 toont niet alleen aan dat Habermas’ stelling dat de ‘publieke sfeer’ pas in de achttiende eeuw opkwam onjuist is, maar maakt ook duidelijk hoe hard de strijd kon zijn. In dat ‘rampjaar’ viel Engeland aan via zee en trokken Franse en Duitse troepen het land binnen en veroverden stad na stad, met als gevolg paniek en opstand van de ‘burghers en ingesetenen’ tegen de lokale regenten en de ‘opper-regent’ Johan de Witt in Den Haag.

Het aantal pamfletten was sinds 1650 elk jaar gestegen. Het totaal aantal exemplaren wordt geschat op één tot twee miljoen, meer dan er inwoners waren. Propaganda en contra-propaganda, ook natuurlijk door Willem III die zijn kans schoon zag om van de raadspensionaris af te komen en stadhouder te worden.

Het verhaal is bekend, hier gaat het om de ‘toon van het debat’. Een sterk staaltje van een haatpamflet was ’t Leven en bedrijf van mr. Jan van Oldenbarnevelt, over-eengebragt met dat van mr. Jan de Wit, gedrukt in ’t gruwel-jaar 1672. Daarin wordt ‘de oude Jan met de nieuwe Jan’ vergeleken. Systematisch werd het karakter van beiden afgebroken. Van Oldenbarnevelt was een ‘bastaardjong’ van zijn vader ‘Gerritje Simpel’ die iemand had doodgeslagen. Zijn vrouw was het product van incest. ‘Zijn zusters waren openbare hoeren.’ Zijn broer was ‘meer monster dan een mens; een wijdverbreid gerucht over hem, dat nooit is weersproken, is dat hij zijn behoefte deed in een uitgeholde ham en de boeren heeft gedwongen van diezelfde ham te eten. Om die reden wordt hij doorgaans ook Hamschijter genoemd.’ De haatcampagnes tegen ‘de nieuwe Jan’ en zijn broer Cornelis mondden uit in openlijke oproepen om ‘hen de nek te breken’ of om eens te inspecteren of beide heren ‘wel rood van binnen waren’.

Eind achttiende eeuw was het in Nederland van hetzelfde laken een pak. De tijden werden slechter, de oorlogen tegen Engeland werden iets te vaak verloren. De geletterdheid van de burgers nam toe, en daarmee de eis van meer inspraak. Bij de Patriotten ontwaakte de droom van een ‘maakbare samenleving’. De enigen die hierbij in de weg stonden waren de Orangisten. Zij werden voorgesteld als corrupt en liederlijk, precies zoals in Frankrijk gebeurde, met stadhouder Willem V vanzelfsprekend als grootste zondebok.

Het bekendste pamflet is Aan het volk van Nederland van de Overijsselse edelman Joan Derk van der Capellen tot den Pol. Hierin hield hij zich veelal keurig aan ‘de juiste toon van het debat’, zoals we dat nu zouden zeggen. Hij verzuchtte bijvoorbeeld: ‘Zijt gij ’t niet, O Willem, die onze hele natie vreesachtig, achterhoudend en geveinsd gemaakt hebt en haar rondborstig, eenvoudig en oud-Hollands karakter en bestaan hebt bedorven?’ De edelman hekelde ook Willems relatie met zijn minnares en zijn openbare dronkenschap: ‘Is Uw levenswijze, tot verdriet van Uw verstandige deftige Prinse, niet echt beestachtig?’ Net als in 1672 vlogen lasterlijke spotprenten en hekeldichten door het land, zoals een spotprent uit 1786 met het zijaanzicht van een varken met het hoofd van Willem V. Het zwijn piest en spuwt bloed in een trog met ‘Boergonje’. Zijn poten vertrappen ‘Stad en Burger Regten’ en ‘De Unie’. Met daaronder een hekeldicht.

Na 1860 werden de tijden voor velen weer slechter en de ideeën grootser: afschaffing van de slavernij, afschaffing van het kapitalisme, afschaffing van de monarchie. Daarmee werd ook de politieke strijd heftiger, met de socialist Ferdinand Domela Nieuwenhuis en zijn blad Recht voor Allen voorop. Bekend is de brochure Uit het leven van Koning Gorilla uit 1887, een anoniem smaadschrift tegen koning Willem III, waarvan pas later duidelijk werd dat de schrijver Sicco Roorda van Eysinga was, redacteur van Recht voor Allen en Multatuli-bewonderaar. Hij beschreef het ‘misdadig leven’ en de ‘bedorven aard van het geslacht’ van de koning, regelrecht een ‘sadistisch monster’ dat geen enkele consideratie heeft met zijn volk. Er werden tienduizenden exemplaren van verkocht. Voor- en tegen­standers van het boekje mengden zich in de discussie en menigten probeerden bij diverse boekwinkels verspreiding tegen te gaan.

Deze smaadacties hebben het socialisme helpen groeien, toch zou de sdap de parlementaire weg kiezen en na ‘de vergissing van Troelstra’ in november 1918 definitief verburgerlijken. Tot de provo’s in de jaren zestig weer met ludieke antimonarchistische slogans kwamen en rookbommen begonnen te gooien. De polarisatie van de jaren zeventig was het gevolg, met harde teksten en tekeningen tegen de monarchie, het kapitalisme, het Westen, de consumptiemaatschappij, de bureaucratie, ‘het Bestel’ en andere hindernissen op de weg naar het paradijs op aarde waar iedereen zowel individu kon zijn als saamhorig en gelukkig.

De kern van al deze voorbeelden van rondgierende communicatie is dezelfde: het ging wél ergens over, namelijk om het heftigste wat er in een samenleving bestaat, de strijd om de macht, de strijd voor een fundamenteel andere samenleving. De methode was ook doorgaans dezelfde: het aantonen van de corruptie en zedeloosheid van de zittende machthebbers.

Vaak was het ronduit smaad, leugens en karaktermoord wat men schreef. Maar niet zelden waren de aantijgingen ook waar; machthebbers waren vaak corrupt en zedeloos.

Een voorbeeld betreft de onthullingen door de Londense Pall Mall Gazette over het misbruik van jonge meisjes door de prins van Wales, een zaak waar ook de Belgische koning Leopold II bij betrokken was. Het blad onthulde dat een hoerenmadame maandelijks veel geld ontving voor het leveren van die meisjes. In Nederland publiceerde Recht voor Allen deze artikelen met een tekening waarop de koning leunend op een stokje een weelderige kamer betreedt, waar een minderjarig meisje vastgebonden op een ledikant klaarligt om verkracht te worden. ‘Ziet: hoe respectabel de machthebbers zijn die uw zedelijkheid bewaken (…) Menschenvleesch voor het kanon, menschenvleesch voor de industrie, menschenvleesch voor de prostitutie.’ Als reactie op dit soort artikelen schreeuwde de burgerlijke pers om wraak: ‘Wie een vorst beleedigt, beleedigt het volk.’ En Domela Nieuwenhuis werd tot een jaar celstraf veroordeeld. De machtsverhoudingen bepaalden de uitkomst van de klassenstrijd, niet de media.

Bijna een eeuw later deden Amsterdamse krakers de inhuldiging van koningin Beatrix met de leuze ‘Geen woning, geen kroning’ omslaan in een stadsoorlog. Ook weer met inzet van alle mediamiddelen die men had, inclusief de clandestiene radio.

Daarna werd het rustiger. De sixties generation raakte verburgerlijkt en de journalist veranderde van de zelfbenoemde waakhond in een hondje dat alleen af en toe nog stevig keft. Grootse ideeën over kapitalisme of socialisme of ‘de consumptiemaatschappij’ zaten er vanaf de jaren negentig niet meer achter. De voormalige muckraker ging net als het ooit zo vermaledijde ‘klootjesvolk’ gewoon ‘teevee’ kijken en zich druk maken over elk tv-relletje en besprak de volgende dag net als iedereen wat Jan Mulder nou weer had durven roepen in Barend Van Dorp.

Intussen verschenen de gratis kranten en begon internet aan zijn opmars. De traditionele kranten werden steeds verder in het defensief gedrongen. Bij zowel de kranten als de publieke omroep werd de oplossing gezocht in de slogan ‘If you can’t beat them, join them’. Meer human interest in de krant, meer columns, de krant online zetten, vooral ook veel meetwitteren en ‘het net’ scannen op leuke weetjes en feitjes. Het vreemde resultaat van alle pogingen tot verdere professionalisering van de journalistiek is dat krant, radio en tv enerzijds veel beter werk afleveren dan decennia geleden, en dat anderzijds het soortelijk gewicht van het geheel alsmaar daalt, misschien omdat die journalistieke parels nu rondzwemmen in een badkuip vol Mona-toetjes.

Het hele medialandschap overziend is er geen reden om utopisch of juist dystopisch te denken. De afgelopen halve eeuw waren twee sciencefiction­verhalen dominant in ons denken over de toekomst. Het ene was Brave New World van Aldous Huxley uit 1932, het andere 1984 van George Orwell uit 1949. Huxley voorspelde dat de democratische regeringen een zachte tirannie zouden gaan uitoefenen. Ze zouden de mensen pillen en goederen geven waarmee ze zich konden vermaken in een soort hedonistisch consumptief utopia. Volgens Orwell daarentegen zouden, Hitler en Stalin indachtig, in het Westen de naoorlogse regeringen de vorm aannemen van een tirannieke Big Brother. Die zou op drie pilaren rusten: geestdodende propaganda, censuur en bewaking. Elke beweging van de onderdanen zou worden geregistreerd.

Tijdens de Koude Oorlog was vooral Orwell in het Westen populair, sinds de val van de Muur en de opkomst van het ongebreidelde consumptie­kapitalisme is Huxley’s visie dominant. Orwells Big Brother is immers al uitgekomen. De machthebber kan nu elke beweging van de burgers vastleggen met behulp van hun eigen mobiele telefoons. Via de creditcard van de burgers kan hij zien welke aankoop zij deden, welk hotel of pretpark zij bezochten, over welk stuk tolweg zij reden en waar zij zich bevonden in de openbare ruimte. Toch heeft Orwell slechts deels gelijk gekregen, want de burger kan zelf nu ook alles filmen. Hackers – zie WikiLeaks – dringen door tot in de diepste geheimen van de macht en doen onthullingen of leggen de boel plat, namens zichzelf of als wreker van de burgers die geloven dat de machthebbers van alles te verbergen hebben. Het orwelliaanse bespieden is geen eenrichtingsverkeer meer, maar verloopt in een kring. Aangezien nu bijna de hele mensheid een mobiele telefoon heeft en is aangesloten op internet, moeten we concluderen dat de op gemak en vertier gerichte burgers niet veel geven om hun privacy. En dat de hedendaagse praktijk meer een mix is geworden van Orwell en Huxley. De dubbele droom van ik en wij kan nog even verder worden gedroomd, hoewel er intussen ook twijfel en angst zijn ingeslopen. Want één ding staat buiten kijf: de techniek verandert, de omstandigheden veranderen, maar de mens is genetisch bijna hetzelfde gebleven en heeft dus dezelfde angsten en verlangens als die eerste homo sapiens. De futuroloog Michio Kaku noemt dit het ‘holbewoners­principe: ‘Altijd als er tussen de moderne technologie en de verlangens van onze primitieve voorouders een conflict ontstaat, zullen die primitieve verlangens het winnen.’

Zo ontmoeten we elkaar liever in levenden lijve, zodat we elkaars verborgen emoties – en dus verborgen bedoelingen – kunnen lezen. Zo kijken we graag naar achtervolgingen op tv – jagers als we nog zijn – maar worden we zenuwachtig als we zelf langer dan vier seconden worden gadegeslagen. Zo is er veel cybertoerisme en flatscreen-entertainment, maar gaan we nog liever naar die piramide kijken. Zo is YouTube razend populair, maar gaan we nog steeds graag naar festivals en happenings buitenshuis.

Er is een voortdurende wedijver tussen hightech en high touch. Eigenlijk willen we allebei, maar als we de keus hebben kiezen we high touch boven hightech. In de ‘sociale media’ is het nog en-en: de ene helft is bezig met het bejubelen van het ik en de verkettering van de rest. De andere helft – zeker de Facebookers – vertelt nog wel voornamelijk wat voor succes­volle feestbeesten ze zijn, maar wordt daarin zo conformistisch dat ze vooral de indruk wekken dat ze bij De Groep willen horen.

De weersomstandigheden in de samenleving worden echter snel slechter. We zullen snel weten of de huidige media niet ‘all sail, no anchor’ zijn. Als dat zo is, zullen de media, zeker die zo paradijselijk geachte ‘sociale media’, weer uiteenspatten van woede, laster en haat. In crisistijden is elke maatschappij een ‘informatietijdperk’, bol van de communicatie. Dan liggen de stoeptegels nooit ver weg.

Henri Beunders is hoogleraar geschiedenis van maatschappij, media en cultuur. Jill Briggeman is junior onderzoeker. Beiden zijn werkzaam aan de Erasmus Universiteit