Opstandelingen in Liechtenstein

De onttovering van een droomstaat

Nergens in Europa drukt een vorst zo zijn stempel op de politiek als in Liechtenstein. Een groep verontruste Liechtensteiners roert zich. «Niemand wil hier van de monarchie af. We willen slechts dat de vorst wat minder machtig is.»

VADUZ — «U mag gerust weten dat ik me in dit land onvrijer voel dan vroeger. Als me hier het leven en werken onmogelijk wordt gemaakt, dan ga ik in ballingschap. Ik ben hier geboren en getogen, en ik ben verliefd op de bergen. Maar misschien komt er een tijd dat ik niet meer leven kan onder de macht van de vorst.» Peter Sprenger is een emotioneel man. Zegt hij zelf. Maar dat neemt niet weg dat hij — ook naar eigen zeggen — bloed serieus is. Als parlementariër maakte hij het van nabij mee: Hans-Adam II, vorst van Liechtenstein, deed een greep naar de macht. Met steun van het volk dat hij met propagandistische trucs voor zich won. Zo ziet Peter Sprenger het, en niet anders. «Ik ben van mening dat Liechtenstein niet meer voldoet aan de minimale standaards van een democratie. Een deel van de Liechtensteiners wenst een Führerfürst — het bedroeft me zeer dat ik deze kwalijke term moet gebruiken. Ze zeggen ‹ja› tegen alles wat het vorstenhuis hun vraagt.»

Ursula Wachter, advocaat te Vaduz, is ook al verdrietig. Ze zit achter een te grote tafel in haar enorme, met veel glas en houtwerk gelardeerde kantoor annex woonhuis. «De campagne van de vorst was hatelijk. Hij vocht onder de gordel en bracht een burgeroorlog in onze hoofden. Er liep een breuklijn dwars door vriendschappen, families en politieke partijen. Voor of tegen de vorst, dat was de keuze. Er zijn mensen beschimpt, bedreigd zelfs. De samenleving is gespleten, en dat is niet meer te repareren.» Ursula Wachter verwijt de vorst ondankbaarheid. Driehonderd jaar leefden de Liechtensteiners onder de heerschappij van zijn voorouders. Nooit werd er geklaagd. En als enkele burgers dan eindelijk, in de 21ste eeuw nota bene, beleefd duidelijk maken dat Seine Durchlaucht zich niet nog meer macht moet toe-eigenen, worden ze beschouwd als vijanden van de monarchie.

Liechtenstein is pietepeuterig klein: zijn honderdzestig vierkante kilometers liggen ingeklemd tussen Oostenrijk en Zwitserland en herbergen 33.000 inwoners, 23.000 motorvoertuigen, 80.000 postbusfirma’s en één vorst. Werd menig Liechtensteiner de laatste jaren zenuwachtig van de steeds terugkerende Europese kritiek op hun fiscale paradijsje dat wordt geassocieerd met witwaspraktijken en belastingvlucht, nu heeft het staatje pas écht een probleem dat groter is dan het land zelf. Liechtenstein heeft zich vrijwillig uitgeleverd aan het absolutisme.

Dat was althans de teneur van de kleine, met nauw verholen leedvermaak neergepende stukjes die de laatste maanden in de marges van de dagbladen opdoken. Daarin werd Liechtenstein, dat toch al merkwaardig gevonden werd, nog eens bevestigd in zijn status als Europees curiosum. Voor de voorgeschiedenis van de confrontatie tussen de vorst en zijn onderdanen en de beweegredenen van de spelers in het drama was maar weinig aandacht.

De Liechtensteinse Fürstenfamilien mag dan heersen over een schilfertje van een staat, zij is de rijkste van alle Europese monarchen geslachten. Haar bezit wordt geschat op bijna vijf miljard dollar, afkomstig uit grondbezit, een enorme kunstcollectie (waaronder werken van Rubens en Rembrandt) en de LGT Group, een door de familie beheerd internationaal opererend financieel concern. Zo bezien is de monarchie een flitsende onderneming waar tradities modern money making niet in de weg staan. Maar de zakelijke en de politieke realiteit van het Liechtensteinse vorstendom zijn werelden op zich. Want aan de manier waarop de vorst zijn macht uitoefent, lijkt de tijd lang voorbij te zijn gegaan.

Nergens in Europa drukt een vorst zo zijn stempel op de politiek. De grondwet van 1921 gaf de vorst veel macht, terwijl regering en parlement niets te zeggen hadden over de koning. Hij kon niet van zijn taak ontheven worden, en de (erf)opvolging regelde hij zelf door middel van het familiaire Hausgesetz van zijn dynastie.

Tijdens de regeerperiode van Hans-Adam II, vanaf 1989, ontstonden herhaaldelijk problemen over de zeggenschap van de vorst. De strijd barstte in 1992 los. De vorst dreigde ministers te ontslaan en het parlement te ontbinden omdat hij het niet eens was met het moment waarop Liechtensteins toetreding tot de Europese Economische Ruimte in stemming zou worden gebracht. De regering zette echter door en er verzamelden zich demonstranten voor het parlementsgebouw. Peter Sprenger: «Dat was voor onze begrippen een reuzendemonstratie. Vijftienhonderd mensen die de vorst uitfloten en scandeerden: ‹Wij willen geen dictator›. Ik denk dat dat een traumatische ervaring voor hem was. Het gejoel van de menigte, dat hem ’s nachts najoeg in zijn dromen, heeft hem gemotiveerd om een grondwetsvoorstel te maken dat hem grotere macht verschafte.»

In dat voorstel gaf de vorst zijn veto op de benoeming van ambtenaren op. Voor de benoeming van rechters stelde hij een nieuwe procedure op, waarbij de vorst kandidaten voordraagt. Vervolgens stemt een commissie onder zijn voorzitterschap over de kandidaten. Is het parlement het niet eens met de uitkomst, dan volgt een volksraadpleging. «Hij beheerst dus nog steeds de rechterlijke macht», zegt Ursula Wachter. «Want vrijwel geen rechter zou het in een referendum tegen de vorst willen opnemen.» De noodwet is in de nieuwe grondwet ingeperkt, maar geldt nog altijd zes maanden.

Een vergroting van de vorstelijke macht schuilt in een nieuw artikel waarmee de vorst de hele regering naar huis kan sturen. Ook kan hij nog steeds het parlement ontbinden. Bovendien heeft het Staatsgerechtshof niet meer het laatste woord in grondwettelijke geschillen. Als geste aan het volk biedt de grondwet de mogelijkheid een motie van wantrouwen in te dienen tegen de vorst. Maar de vorstenfamilie — niet het parlement — beslist volgens het Hausgesetz of en welke sancties volgen. Ook bestaat de mogelijkheid de hele monarchie per referendum af te schaffen. Peter Sprenger: «Dat is schieten met een kanon op een mug. Niemand wil hier van de monarchie af. We willen slechts dat de vorst wat minder machtig is.»

Vier buitenlandse grondwetsgeleerden en de Raad van Europa, waarvan Liechtenstein lid is, spraken een vernietigend oordeel uit over Hans-Adams constitutievoorstel. De teneur van hun kritiek: dit vergroot de macht van de vorst ten opzichte van het volk zozeer dat het de vraag is of we hier nog van een democratie kunnen spreken. Een groep verontruste Liechtensteiners diende een tegenvoorstel in waarbij de macht van de vorst niet eens zo heel sterk werd ingeperkt. Na jarenlang gesteggel werd het referendum op 16 maart gehouden. Bijna tweederde van de stemgerechtigden gaf het jawoord aan het grondwetsvoorstel van de vorst. Bijna zeventien procent stemde voor het door de vorst als verwerpelijk beschouwde tegenvoorstel.

Ursula Wachter was een van de initiatiefnemers van het tegenvoorstel: «De vorst dreigde met zijn hele familie naar Oostenrijk te verhuizen als zijn voorstel niet werd aangenomen. Hij gebruikte nauwelijks inhoudelijke argumenten, maar speelde in op emoties. ‹Ja voor het vorstenhuis› was de slogan. Het vorstenhuis is belangrijk voor onze identiteit. Zouden mensen nog wel hun geld naar Liechtenstein brengen als de vorst er niet meer is, begonnen mensen zich af te vragen. Op inhoudelijke argumenten zou hij het nooit gewonnen hebben.»

Hans-Adam II is de vijftiende vorst van Liechtenstein. Zijn familie behoort tot de oudste adel van Europa. Begin achttiende eeuw kocht de familie Schellenberg en Vaduz. De gebieden werden samengevoegd en vormen sindsdien het vorstendom Liechtenstein. De Liechtensteinse vorsten beschouwen hun eerder verworven gronden in Oostenrijk en Tsjechië nog altijd als stamgrond, belangrijker dan Liechtenstein. Pas in 1938 werd Slot Vaduz de zetel van de Liechtensteinse vorsten, en gingen ze zich intensief met het bestuur van het land bemoeien.

Een van de verklaringen voor de structuur van Liechtensteins monarchie is gelegen in de archaïsche familiewetten van de Liechtensteins. Die zijn vastgelegd in het Hausgesetz des fürstlichen Hauses Liechtenstein.

In 1993 zijn ze gemoderniseerd, maar nog altijd staat het beschermen van «de welstand en de eer van de familie» voorop bij de taak die het Hausgesetz de vorst toedicht. De belangen van de staat Liechtenstein komen op de tweede plaats. Plichten jegens «het volk» zijn volledig afwezig. Het stemrecht in familieverband is voorbehouden aan de mannelijke leden van het Huis. Dat het Hausgesetz voor de Liechtensteins belangrijker is dan moderne democratische waarden, blijkt uit een uitspraak van Hans-Adam II in het Oostenrijkse tijdschrift Format: «Het Haus gesetz behouden we — dat is voor ons belangrijker dan hier het staatshoofd te leveren. De politiek moet zich daar maar in schikken. Als men een vorstendom Liechtenstein wil, stelt het vorstenhuis de eisen volgens welke het hier een staatshoofd levert — en niet het parlement.» Hans-Adam kreeg het voor elkaar dat het Hausgesetz integraal wordt opgenomen in de nieuwe grondwet.

Schrijver Stefan Sprenger (neef van de parlementariër Peter Sprenger): «De vorst is gevangene van zijn eigen geheime agenda. Hij loopt in de pas met al zijn voorouders. Hij moet het Hausgesetz uitvoeren: hij moet de familie rijker maken, hun macht vergroten. Het is een familiecodex die niets te maken heeft met het land, maar slechts met het particuliere belang van de vorstenfamilie. Eerst had je een vorst die regeerde bij gratie van de constitutie. Nu is de hele dynastie van Hans-Adam onderdeel van die grondwet. Hun heerschappij bestaat nu niet alleen op grond van traditie, maar is ook wettelijk verankerd. Volgens mij heeft hij gedacht: er zal internationale wetgeving komen die ons banksysteem schaadt, het gaat slecht met de economie, en er is al jarenlang gedoe over de macht van de vorst. Mijn zoon Aloïs gaat dat niet redden. Ze zullen gehakt van hem maken. En dat kan het einde van onze dynastieke macht betekenen. Dus trok hij ten strijde, haalde alles uit de kast, nam een enorm risico. En won.»

De schrijver tikt met zijn tot wandelstaf getransformeerde skistok zachtjes op de billen van een grote koe die koppig kauwend het bergpad verspert. De schrijver doolt graag door het stille landschap. Hij woont op 1350 meter hoogte, in het gehucht Steg. Het kan er flink stormen. Een van de hellingen is haast volledig ontbost door een tornado. Nu houdt de natuur zich rustig, en reikt het zicht mijlenver. Vanaf een top is zelfs de Zwitserse Bodensee zichtbaar, waar de Rijn ontspringt. Sprenger: «Hoe is dat mogelijk, vraag je je af, in de 21ste eeuw, een anachronistisch-mystiek wetscomplex opnemen in een grondwet waarin vrouwen worden uitgesloten van stemrecht? In Europa nog wel, hoedster der mensenrechten! Om dat te snappen, moet je je verdiepen in de droomstaat van dit kleine land.

Deze samenleving wil krampachtig blijven functioneren als een bergdorp. Mensen zweren bij hun sibbe. Niemand gaat hier weg. Wie in het buitenland gaat studeren, keert nadien terug. Er zijn hier geen goede plekken om uit te gaan, maar toch gaan de jongeren niet naar Zwitserland of Oostenrijk om te feesten. Ze blijven hier, stappen elk in hun eigen auto en rijden dan rondjes door het land, met een tussenstop bij geliefde kroegen.

Liechtenstein wil graag een sprookje zijn, een droomstaat. We proberen de tijd tegen te houden en de geschiedenis te ontkennen. Maar alleen de bergen zijn eeuwig. Inmiddels is die droomstaat verworden tot een verwrongen geestestoestand. Ga kijken in het Rijndal dat is volgebouwd met droompaleisjes in zoete kleuren. Er is hier veel geld. Dat maakt de droomstaat zowel fysiek als geestelijk mogelijk. Wie graag in een sprookje leeft, projec teert vol liefde het beeld van een staatsvader en een staatsmoeder op de vorst en de vorstin. Liechtensteiners definiëren zich niet als democratische staatsburgers, maar als kinderen van een bijna mythische vorst en vorstin. Voor dat soort fantasten is een stem tegen de vorst ondenkbaar.»

Maar Hans-Adams ruwe stijl maakt de dromers onrustig. Veel Liechtensteiners hebben hun hoop gevestigd op erfprins Aloïs, die aanstonds het roer zal overnemen (zie Een sterke politieke monarch biedt stabiliteit, pagina 11). In recente interviews uitte hij zich milder dan zijn vader. Maar ook hij zal door de tegenstanders van de vorstengrondwet nauwlettend in de gaten worden gehouden. «Het vorstenhuis heeft zichzelf onttoverd», zegt parlementariër Peter Sprenger. «Er is nu een democratische beweging die niet meer weg te stoppen is. We leggen ons toe op prince watching. Een deel van degenen die vóór het grondwetsvoorstel van de vorst stemden, deed dat met de gebalde vuist in de zak. Nog eenmaal gaven ze hem het vertrouwen, maar als hij zijn macht misbruikt, zullen wij die vuist gebruiken.»