Wilhelm von Humboldt (1767-1835)

De ontwikkeling van het meest nobele

13 september 2017Donderdagavond opent de Britse schrijfster Jeanette Winterson in Amsterdam met een lezing het 10-jarig jubileum van debatcentrum Spui25. In een themabijlage van De Groene, portretteert Joost de Vries de Duitse wetenschapper Wilhelm von Humboldt (1767-1835), wiens gedachtegoed tijdens het jubileum centraal staat.

De mens, schreef Wilhelm von Humboldt, moet leren dat de wereld groter en diepzinniger is dan zijn eigen waarnemingen toestaan. Hoe ontstond Humboldts ideaal en hoe werd dit in de loop van de tijd vormgegeven?

Medium gettyimages 540559962 1
Gravure van Wilhelm von Humboldt © Stefano Bianchetti / Corbis / Getty Images

Op 13 oktober 1806, de dag voor de slag bij Jena, zag Georg Wilhelm Friedrich Hegel de Franse keizer Napoleon voorbijkomen. Hegel werkte in Jena aan wat later zijn Fenomenologie van de geest zou worden en bezag Napoleon duidelijk vanuit die thematiek. ‘Ik zag de keizer, deze Weltseele – ziel van de wereld – te paard voorbijgaan’, schreef hij een bevriende filosoof. ‘Het is zeker een wonderlijke ervaring om zo’n individu te zien, die zijn arm over de wereld uitstrekt en hem daarmee regeert.’

Het was op dat moment niet heel gek voor een Duitse intellectueel om zo naar Napoleon te kijken. Hoewel zijn geopolitieke ambities niet bepaald overeenkwamen met die van de verschillende Duitse mogendheden (dit was ver voor de Duitse eenwording van 1870), werd Napoleon altijd al gezien als een sleutelfiguur tussen de Verlichting (want: rationeel, gedisciplineerd, selfmade, geen vriend van de kerk) en de Romantiek (want: heroïsch, individualistisch). Toen Fenomenologie van de geest in 1807 verscheen, noemde Hegel hem met naam en toenaam als een voorbeeld van een ‘schitterende ziel’ die wars van conventies en de wensen van anderen autonoom handelt.

De dag na Hegels beroemde ontmoeting hakte Napoleon met een kleiner leger het Pruisische volledig in de pan, bij Jena en iets verderop, bij Auerstedt. Zonder verdere weerstand rukte hij vervolgens op naar Berlijn, waar winkeliers zo geschrokken waren van zijn snelle opmars dat ze geen tijd hadden hun anti-Franse plakbiljetten uit de winkelruiten te halen. Napoleon bezocht het graf van Frederik de Grote, de grondlegger van de Pruisische macht, en nam Frederiks persoonlijke zwaard, klok en kunstverzameling mee en stuurde die op naar Parijs.

Hoewel de militaire vernedering compleet was, weigerde de Pruisische vorst Frederik Willem III zich over te geven. Hij hoopte op steun van Rusland en dus trok hij zich terug – of eigenlijk: hij vluchtte – en zo belandde hij een paar weken na Jena in Ortelsburg, een dorpje in Oost-Pruisen. Er was geen kasteel of landhuis waar hij kon intrekken, en dus moesten hij en zijn vrouw overnachten in een veredelde schuur. Er was geen voedsel of schoon water. Hier, in een schuur, had Frederik Willem voor het eerst tijd zich te bezinnen op de staat van zijn land. Dat Napoleon hem had verslagen op het slagveld was tot daaraantoe, maar dat allerlei steden en forten zich zonder slag of stoot aan de Fransen hadden overgegeven – terwijl ze in de meerderheid waren of een belegering makkelijk maanden hadden kunnen volhouden – was onbegrijpelijk. Het was een teken van het failliet van de politieke wil.

Die nacht stelde Frederik Willem de ‘declaratie van Ortelsburg’ op – hij schreef het hoogstpersoonlijk. Hoewel de initiële declaratie vooral over militaire zaken ging, was deze de aanzet tot een grootse Pruisische zelfvernieuwing. De bureaucratie werd hervormd, landerijen anders verdeeld en lijfeigenen geëmancipeerd. ‘Maar al onze moeite is tevergeefs’, schreef een van Frederik Willems ministers, ‘als ons onderwijssysteem zich tegen ons keert en ons opzadelt met halfhartige ambtenaren en lethargische burgers.’ Frederik Willem zocht iemand om het burgerschap nieuw leven in te blazen, actief te maken, iets wat het volk met elkaar zou verbinden. En zo kwam hij uit bij Wilhelm von Humboldt.

Er bestaat een pentekening van de gebroeders Humboldt, Wilhelm en Alexander, geflankeerd door Friedrich von Schiller en Johann Wolfgang von Goethe. Of de tekening contemporain is, en of de heren ervoor geposeerd hebben, is niet duidelijk. Het toont een idyllische situatie; de vier bekendste Duitse denkers van hun tijd, samen met wijn en druiven en boeken in een fraaie tuin in Jena.

Die idylle bestond ook. In de laatste jaren van de achttiende eeuw woonde Wilhelm von Humboldt met zijn vrouw en kinderen in Jena, net als Schiller. Schiller woonde in een fraai huis aan het centrale plein van de universiteitsstad, en wanneer bioloog en wereldreiziger Alexander bij zijn broer logeerde, werd Goethe ook uitgenodigd, die vlakbij woonde, in Weimar. De vier mannen – Alexander was een twintiger, Goethe een veertiger – praatten, dronken, lachten, tot verbazing van de stadsbewoners die zoveel uitbundigheid niet gewend waren.

Wilhelm von Humboldt werd geboren op 22 juni 1767, in Potsdam, de oudste zoon in een rijk geslacht. Zijn vader was een officier in het leger en kamerheer van Frederik Willem II; de familie had een huis in Berlijn en een buitenhuis, het kasteel Tegel, vijftien kilometer buiten de stad. De naam Humboldt betekende iets in de betere kringen van Berlijn. Wat Wilhelm, en zijn jongere broer Alexander, nog geen gelukkige jeugd gaf. Zijn vader stierf jong, toen Wilhelm zeven was, en bij zijn afstandelijke moeder viel weinig liefde te halen.

De jongens waren permanent op zoek naar een pseudo-vaderfiguur, schrijft Andrea Wulf in haar populaire biografie van Alexander, The Invention of Nature, en vonden die vooral in hun privé-leraren. Een met name, de heer Kunth, maakte een doorslaggevende indruk. Hij keek continu over hun schouders mee terwijl ze Latijn en Frans vertaalden en hun sommen maakten. Als ze iets fout hadden reageerde hij verontwaardigd, alsof ze hem persoonlijk kwetsten. Later zou Wilhelm zeggen dat hij in een ‘voortdurende angst’ leefde om Kunth gelukkig te houden.

De figuur Kunth, of zijn lesmethode, betekende een duidelijke breuklijn tussen de twee broers, die hun levens verder zou bepalen. Wilhelm deed wat er van hem gevraagd werd en dompelde zich onder in de klassieken; Alexander rebelleerde voor zover dat kon, en doolde het liefst door de bossen. Alexander voelde zich het meest thuis in de natuur, Wilhelm in de bibliotheek. Alexander was emotioneel, Wilhelm was rationeel – op het koele af. Alexander was grappig en vilein, Wilhelm was serieus. Wilhelm bouwde een klein fortuin op in zijn leven; Alexander stierf, hoewel wereldberoemd, bijna zonder een cent te makken.

Humboldts ideeën over burgerschap zijn zo algemeen geworden dat je zou vergeten dat ze ooit zijn uitgevonden

Ondanks hun tegenstellingen en hun rigide, clichématige ‘oudste broer versus jongste broer’-patstelling (Wilhelm was altijd bezig aanstellingen aan universiteiten voor Alexander te regelen zodat hij een vast inkomen had – wat Alexander kleinerend vond) bleven ze dik met elkaar. Toen Wilhelm in 1835 in Jena stierf, zat Alexander aan zijn bed. ‘Ik had niet gedacht dat deze oude ogen nog zoveel tranen over hadden’, schreef hij aan een vriend.

Ook in Jena trokken ze verschillende kanten op. Alexander had een klik met Goethe, die zo geïnspireerd was door Alexanders biologische en natuurkundige onderzoeken dat Schiller zich zorgen maakte dat hij de schone letteren uit het oog zou verliezen. Wilhelm paste meer bij Schiller en was er kapot van toen die al jong, op 45-jarige leeftijd, aan tuberculose stierf. Decennia later, in 1830, zou Wilhelm een lang essay over Schillers gedachtegoed schrijven – en over zijn persoonlijkheid. Het brengt de avonden in Jena duidelijk in beeld. Schiller, schreef Wilhelm, was iemand die geloofde dat gedachten zich het beste aandienden, en het beste geformuleerd werden, in conversaties. Hij was niet ad rem, met makkelijke wijsheden als een aas in zijn mouw, maar wilde continu bevraagd worden.

In die biografische uiteenzetting van het gedachtegoed van Schiller tref je heel duidelijk het gedachtegoed van Wilhelm zelf aan. ‘Een favoriet idee waar Schiller graag over nadacht was het belang om de ruwe, natuurlijke mens op te leiden, eerst door kunst, daarna door rede.’ De mens, schreef Humboldt, dient opgetild te worden en moet leren dat de wereld groter en diepzinniger is dan zijn eigen waarnemingen toestaan. De beste manier om dat te doen is via de filosofie en de letteren. ‘Kunst en poëzie zijn direct verbonden aan wat het meest nobele in de mens is; ze moeten het medium zijn waarmee hij ontwaakt en waarmee hij bekend raakt met het bewustzijn van de natuur, zodat hij leert verder te kijken de oneindigheid in.’

In zijn gesprekken met Schiller zat al duidelijk de kern van wat zijn ideeën over onderwijs zouden zijn, maar zo ver was het in Jena nog lang niet. Als uitmuntende student van aristocratische komaf ging Wilhelm de diplomatieke dienst in en werd ambassadeur in Rome. Beide broers zouden grote delen van hun leven buiten Duitsland wonen: Alexander door zijn wereldreizen, Wilhelm door zijn werk op verschillende ambassades, die in Rome en die in Wenen. Maar ze stonden anders tegenover Pruisen. Door de jaren heen was Alexander, vond Wilhelm, ‘opgehouden Duits te zijn’. Hij verweet zijn jongere broer te veel tijd in Parijs door te brengen, het hart van de vijand. Zelfs zijn boeken verschenen eerst in het Frans en pas daarna in het Duits. Na de vernederingen die Pruisen had ondergaan door Napoleon voelde Wilhelm een patriottische taak voor zichzelf weggelegd.

Dat betekende overigens nog niet dat hij happig was toen hij de brief van Frederik Willem III ontving om het onderwijssysteem te hervormen. Hij was gelukkig in Rome, druk bezig met zijn vertaling van Aeschylus’ Agamemnon. Hij wachtte zes weken voordat hij reageerde, maar vooruit, hij deed het.

Vlak na de onverwachte, dramatische verkiezingsuitslag in 2016 in de VS publiceerde Mark Lilla een opiniestuk in The New York Times. Alles wat Democraat, liberal, links of progressief was, verkeerde volledig in een staat van shock dat Donald Trump tegen alle peilingen in toch had gewonnen, en de liberale hoogleraar geesteswetenschappen was een van de eersten om met de vinger te wijzen.

Dat de Democraten zo verloren hadden, zat ’m in de identity politics, schreef Lilla. Identiteitspolitiek was iets wat ‘geïnstitutionaliseerd is geraakt op campussen en universiteiten die van onze individuele en groepsrelaties een fetisj maakt, zelfverliefdheid applaudisseert, een schaduw van achterdocht werpt over elke toepassing van het universele democratische “wij”’. Grof samengevat: identiteitsliberalisme gaat om het ‘ik’, terwijl politiek om het ‘wij’ zou moeten gaan. Daarom had Trump gewonnen. Omdat de liberals alleen oog hadden voor de eigen, hoogstpersoonlijke pijn, hadden ze geen oog voor de pijn van anderen – bijvoorbeeld van de werkloze ‘Rust Belt’ die Trump het Witte Huis in had gestemd. Liberals verkondigden de gospel van het individu, in plaats van een universele boodschap waar iedereen in kon geloven.

Medium gettyimages 541039353
Een pentekening uit 1797. Van links naar rechts: Friedrich von Schiller, Wilhelm en Alexander von Humboldt en Johann Wolfgang von Goethe © Ludwig Adrian Richter / Ullstein Bild / Getty Images

Het was geen fijn statement om te maken, zeker niet op dat moment. Voor alle minderheden die net moesten toezien hoe een openlijk seksistische, nadrukkelijk xenofobe, waarschijnlijk racistische miljardair het Witte Huis mocht overnemen, voelde het aan als zout in de wonden. Het stuk ging viral, wat niet betekende dat dat per definitie een compliment was; op talloze blogs en in andere opiniekaternen vielen vele liberals over Lilla heen; over zijn toon, de manier waarop hij de echte, structurele, concrete grieven van minderheden bagatelliseerde ten faveure van een idealistisch, abstract idee van burgerschap.

Niet één keer in het stuk noemde Lilla Wilhelm von Humboldt bij naam, hoewel hij duidelijk in diens nagedachtenis redeneerde. Het was ook niet nodig. Zijn ideeën over burgerschap zijn zo algemeen geworden dat je bijna zou vergeten dat ze ooit zijn uitgevonden.

Het idee van scholing moest niet zijn om van de ‘kinderen van schoenlappers schoenlappers te maken’

Humboldt was veruit de jongste van Frederik Willems hervormers, en veruit de meest liberale, maar hij kreeg de vrije hand. Met burgerschap, vond hij, kon je niet vroeg genoeg beginnen. Een van de eerste dingen die Humboldt deed was educatie loskoppelen van exacte, technische beroepen. Het idee van scholing moest niet zijn om van de ‘kinderen van schoenlappers schoenlappers te maken’, maar om van ‘kinderen mensen te maken’. Met ‘mensen’ werden ‘burgers’ bedoeld. Dus werd er in heel Pruisen een gestandaardiseerd lespakket geïntroduceerd. De nieuwe scholen moesten kinderen niet opleiden om ze iets specifieks te laten weten of om ze een taak te kunnen laten uitvoeren, maar moesten ze leren voor zichzelf te kunnen denken. ‘De pupil is volwassen als hij genoeg van anderen heeft geleerd om voor zichzelf te gaan leren.’

Om te zorgen dat deze filosofie door het hele land trok, werden speciale opleidingen voor docenten ontwikkeld. Er kwamen nieuwe lesboeken en gestandaardiseerde examens. Het hoogtepunt van deze hervormingen was de oprichting van de Frederik Willem Universiteit, midden in Berlijn, aan Unter den Linden. Hier formuleerde Humboldt zijn educatieve ideaal, sterk beïnvloed door zijn gesprekken met Schiller en hun bewondering voor Kants idealen van de autonome mens: ‘De docent op de universiteit is niet langer een docent en de student is niet langer een pupil. De student moet juist zelfstandig onderzoek verrichten, waarbij een professor hem begeleidt en helpt. Omdat dit de student het perspectief aanreikt waarmee hij alle wetenschappelijke gebieden kan overzien en hij zodoende zijn creatieve krachten kan ontdekken.’

Het idee van de universiteit was dat er geen vast curriculum was, geen vaste route die afgelegd diende te worden langs toetsen en examens. Voor Humboldts ideale student was leren iets wat nooit ophield. Deze Bildung kon zo een heel mensenleven duren.

Zou Humboldt aan de kant van Lilla of aan de kant van de identiteitsliberalen staan? Er valt voor beide iets te zeggen. In zijn idee van burgerschap zit een schijnbare paradox verscholen. Op de eerste plaats streeft Humboldt ernaar om van mensen individuen te maken, die vrij van politieke, culturele of religieuze dogma’s kunnen handelen. Daar zat een politieke overtuiging achter: de mens hoorde te leven in volledige vrijheid, vond Humboldt, en de staat zou enkel en alleen de vrijheid van de mens mogen beperken om te verhinderen dat hij anderen kwaad zou doen. Niet voor niets noemde John Stuart Mill in zijn beroemde On Liberty Humboldt als grondlegger van dit zogenaamde ‘schadebeginsel’.

Maar daarnaast heeft al dat individualisme bij Humboldt wel degelijk een collectief doel. In zijn Ideen zu einem Versuch die Grenzen der Wirksamkeit des Staates zu bestimmen, dat hij in 1792 schreef maar pas ver na zijn dood verscheen, in 1850, schreef hij dat de ‘ultieme taak’ van de mens was om ‘zijn menselijkheid zo veel mogelijk inhoud te geven’, waarmee hij bedoelde dat hij zo veel mogelijk moest leren. Maar al deze inhoud resoneerde alleen in de wereld om ons heen. Het doel van alle persoonlijke Bildung was uiteindelijk om die kennis en creativiteit van geest in te zetten in de maatschappij. Het was dan ook het langetermijnidee achter de Pruisische onderwijshervormingen dat door Bildung onderdanen burgers werden, die nadachten over de staat en de maatschappij, en bereid werden mee te helpen die verder te ontwikkelen. Burgerschap oversteeg het individuele, en appelleerde aan de belangen van het collectief.

De tweetrapsraket van Bildung en burgerschap staat in de VS zodoende op zijn kop. Lilla vreest dat het collectief verloren gaat, terwijl de aanhangers van de identiteitspolitiek een vorm van Bildung toepassen: ze worden zich bewust van hun eigen status in de maatschappij, leren over hun eigen geschiedenis en leren de wereld op hun eigen manier te zien. Het is Humboldt in een spagaat.

Natuurlijk was Wilhelm zelf het ultieme voorbeeld van zijn eigen ideaal. Hij was staatsman, hij was filosoof, hij leerde zichzelf Baskisch, hij schreef over geografie en archeologie. Als linguïst wordt hij gezien als de eerste die opmerkte dat taal geen verzameling is van woorden die simpelweg iets betekenen, maar dat taal met macht te maken heeft. Toen hij stierf, in 1835, 67 jaar oud, was hij net bezig aan een studie over de Kawi-taal van Java.

In het hart van Berlijn is zijn Bildungsideaal nog steeds nadrukkelijk zichtbaar. De Frederik Willem Universiteit werd al in de negentiende eeuw naar de twee broers vernoemd. Voor de toegangspoort staan twee standbeelden. Wilhelm zit met een opgeslagen boek op schoot, Alexander zit op een wereldbol. Op een steenworp afstand staat de opera, op twee steenworpen het Duits historisch museum, en om de hoek staat Dussmann das KulturKaufhaus – een soort Bijenkorf vol met boeken, vijf dagen in de week tot twaalf uur ’s avonds open. De zucht naar Bildung kan op elk moment van de dag toeslaan.

Dat ideaal heeft ook een redelijk onvertaalbare naam gekregen – het Bildungsbürgertum. Ian Buruma vatte het ooit in The New York Review of Books samen: ‘Zoals sportiviteit, goede manieren en pakken van de juiste snit de kenmerken waren van de Engelse gentleman, zo werd de Bildungsbürger gekenmerkt door een correcte beheersing van Grieks en Latijn, een grote kennis van de klassieken van de Europese literatuur en natuurlijk de Duitse klassieke muziek.’

Waarom dat Duits is, heeft iets wrangs. Het schuurt aan tegen de veelbesproken Sonderwegthese, het idee dat Duitsland in de negentiende eeuw een andere weg heeft afgelegd dan de rest van Europa – dat uiteindelijk tot de nazi’s leidde. Dit kwam voort uit het feit dat in tegenstelling tot Frankrijk, Nederland en de VS de Duitse burger nooit echt tot het centrum van de macht kon doordringen. Dat bleef voorbehouden aan jonkheren en andere aristocraten. Zodoende creëerde de burgerij een eigen machtscentrum, (de Nederlandse historicus Frits Boterman schreef een indrukwekkend werk, Cultuur als macht) waarin het zich als het ware terugtrok: in muziek, kunst, filosofie, poëzie. Dat was wat er echt toe deed, niet zoiets viezigs als politiek. Daarom schreef Thomas Mann midden in de Eerste Wereldoorlog Betrachtungen eines Unpolitischen, waarin hij op zijn ronkendst betoogde hoezeer er een verschil is tussen politiek en cultuur. ‘Deutschtum’, schreef Mann, ‘das ist Kultur, Seele, Freiheit, Kunst und nicht Zivilisation, Gesellschaft, Stimmrecht, Literatur.’

Waar die misvatting toe leidde staat ook naast de Humboldt Universiteit, op nog geen halve steenworp, in de Neue Wache, waar Käthe Kollwitz’ beeld Moeder met dode zoon als een permanente herinnering aan de gruwelijkheid van de twintigste eeuw dient. Humboldts Bildung is een ideaal, en op idealen kun je je in het slechtste geval blindstaren, maar in het beste geval kun je je er geweldig aan optillen.