Arie van der Ent

De onvertaalbare Poesjkin

Arie van der Ent, De buurman van God: Een Poesjkinbiografie

Uitg. De Wereldbibliotheek, 360 blz., ƒ 49,50

Over Poesjkin schrijven betekent verplicht jubelen. Dat is een oude traditie die zijn oorsprong vindt in de Russische Poesjkin-cultus. De Russische verering van deze dichter is tegelijkertijd officieel en populair, diepgevoeld, kritiekloos en onverwoestbaar. Zelfs de kleinste, obscuurste Russische provinciestad heeft zijn eigen Poesjkin-standbeeld, en iedere Russische middelbare scholier moet tot op de dag van vandaag hele lappen Poesjkin uit het hoofd kennen. Er wordt dan vooral hard getraind op overslaande stemmen, trillende onderlippen en waterige oogjes. Dat heeft natuurlijk iets heel charmants, maar kan snel slaapverwekkend worden en maakt op den duur bijna altijd kregelig.

Heel wat westerse slavisten hebben de neiging die religieuze verering van Poesjkin over te nemen. Maar men heeft dan een probleem. Poesjkin is relatief onbekend, en degenen die hem in vertaling hebben gelezen, zijn meestal niet direct overtuigd van de absolute grootheid van de dichter. Daar redt men zich dan uit door de volgende gedachte: «Poesjkin is de gelijke van Dante, Shakespeare en Goethe, maar iemand die geen Russisch leest zal dat nooit begrijpen. Want Poesjkin is onvertaalbaar. Poesjkins briljante, vloeiende, oppervlakkige, ironische, tegelijk onderkoelde en temperamentvolle, inderdaad hemelse poëzie is zo verweven met het Russische taaleigen dat zij overgezet in een andere taal altijd een vage schim zal blijven van het origineel.»

Deze misschien gerechtvaardigde maar in elk geval pedante en eigenlijk flauwe gedachte hebben we in vele gedaanten weer vaak moeten horen in het afgelopen Poesjkin-jaar. Je kunt je afvragen wat de gewone lezer, die geen Russisch leest, hiermee opschiet. Enerzijds wordt hem voorgehouden dat er een schrijver is, Poesjkin, die even goed is als een paar van de meest geliefde schrijvers van het laatste millennium, anderzijds wordt betoogd dat het bewijs voor die stelling wel aanwezig is, maar helaas niet aan hem kan worden overlegd. De gedachte zou wel eens bij hem kunnen postvatten dat de mensen die dit vinden vooral erg blij zijn met hun eigen exclusiviteit.

Als Poesjkin inderdaad zo onvertaalbaar is — en daar is wel het een en ander voor te zeggen — zouden vertalers, biografen en publicisten eigenlijk moeten ophouden voortdurend de top van de Parnassus voor hun dichter op te eisen. Zij zouden zich tevreden moeten stellen met de ondankbare taak dat werk dan maar zo goed en zo kwaad als het kan te openbaren voor een westers publiek (in elk geval gesteund en gezegend door het feit dat zij wél Poesjkin kunnen lezen) en vervolgens maar te hopen op het geniale inlevingsvermogen van de lezer. Wie weet waar Poesjkin nog zal eindigen op de charts!

Jammer genoeg gebeurt dat niet altijd, zoals blijkt uit het Poesjkin-boek van vertaler Arie van der Ent. Dat kreeg als titel mee De buurman van God, niets minder. Op het omslag staat dat het een biografie is, maar dat is niet waar. Het is eerder een verzameling min of meer chronologisch geordende biografische parafernalia die door Van der Ent zijn vertaald en daarna losjes aan elkaar zijn gebabbeld. Brieven, dagboekfragmenten en kattenbelletjes van zo'n beetje iedereen die Poesjkin heeft gekend: vrienden, vriendinnen, vakbroeders en familie leden. Dat zijn heus niet allemaal mensen die goed kunnen schrijven of werkelijk iets interessants hebben te melden over Poesjkin. Integendeel, in het algemeen zijn de herinneringen een opeenstapeling van gemeenplaatsen. Dat als Poesjkin binnenkwam de hele ruimte begon te zinderen, dat hij er eigenlijk zo gewoon uitzag maar dat zijn ogen vuur spuwden, dat hij altijd achter de vrouwtjes aan zat, graag speelde en gokte, opvliegend was, et cetera.

Een heel gewone, doordeweekse dandy en Don Juan, zoals er in de negentiende eeuw ongetwijfeld duizenden hebben rondgelopen, moet je onwillekeurig denken wanneer je je door de hagiografische prietpraat heen worstelt. Zo nu en dan leeft het boek op, meestal als Poesjkin zelf of een van zijn intelligentere vrienden, zoals Vjazemski, aan het woord is

Wie werkelijk iets wil weten over Poesjkins opleiding en opvoeding, zijn verhouding tot de politiek en de politieke repressie, zijn banden met de Geheime Dienst, zijn esthetische en filosofische overtuigingen (want die had Poesjkin achter al zijn ironische maskers wel degelijk) wordt door dit boek niets wijzer. De commentaren van Van der Ent maken weinig goed. Hij slaat graag een wat sappige, bondig bedoelde spreekstijl aan. Refereert daarbij aan zichzelf als «uw schrijver» en als er iets komt dat hij belangrijk vindt, dan zegt hij: «Ik presenteer u hier …». Daar moet je wel tegen kunnen.

Het waardevolste van het boek zijn de vele nieuwe poëzievertalingen. Elke geslaagde vertaling van een gedicht van Poesjkin is een klein wonder, en zo nu en dan heeft Van der Ent een gelukkige hand. Maar het gaat even vaak mis, en soms ontspoort het zelfs volledig. Zo vertaalt hij de laatste vier regels van Poesjkins Ik had u lief, misschien wel het mooiste liefdesgedicht ooit geschreven, als volgt:

Ik hield van u, geluidloos en waanzinnig,

Gekweld door jaloezie, gebrek aan moed;

Ik hield van u, zo teder en zo innig,

Zoals een ander hoop ik u eens doet.

Iets zo vreselijks zou eigenlijk nooit in druk mogen verschijnen.