De onwetende filosoof

MADRID - Fernando Savater (1947, San Sebastian) is een van de meest invloedrijke en controversiële intellectuelen van Spanje. Hij is hoogleraar ethiek op de universiteit Computelese in Madrid, en auteur van een groot aantal boeken, zowel romans als filosofische werken. Hij mengt zich regelmatig in het maatschappelijk debat, onder andere als columnist voor het Spaanse dagblad El Pais. Zijn krachtige stellingname tegen elke vorm van terrorisme bezorgde hem een plaats op de dodenlijst van de Baskische afscheidingsbeweging Eta.

Internationale bekendheid verwierf Savater met zijn filosofische essays en beschouwingen, die werden vertaald in meer dan twintig talen. Eind vorig jaar verscheen zijn eerste boek in Nederlandse vertaling, Het goede leven: Ethiek voor mensen van morgen, waarin Savater op lichtvoetige toon, in de vorm van een brief aan zijn bijna volwassen zoon, de ethische vragen bespreekt waarmee iedereen in zijn leven te maken krijgt.
In zijn met boeken volgemetselde etage in het centrum van Madrid vertelt Savater verbaasd te zijn over sommige reacties op zijn boek. ‘Mijn uitgever in Nederland vertelde me dat het element van een vader die tegen zijn zoon praat heel serieus werd genomen, alsof het ging om een boek over een vader-zoonrelatie. Terwijl het gewoon een stilistische truc is, een truc die Aristoteles al toepaste in zijn Etica nicomachea. Als je in de eerste persoon schrijft, wordt het al snel een beetje pedant. Deze vorm gaf me de mogelijkheid om anekdoten uit mijn privé-leven te verwerken en het boek luchtig te houden. Ik wilde op een toegankelijke manier over ethiek schrijven, en daarvoor was deze vorm het meest geschikt. Ik heb wel een bijna volwassen zoon die Amador heet en die mijn boeken ook wel leest - geloof ik.’
Hij benadrukt het met klem: hij wil toegankelijk schrijven over filosofie, iets wat hij nogal eens mist bij zijn vakgenoten. 'Ik voel me absoluut geen filosoof in de academische zin van het woord. De boeken van, laat ik ze voor het gemak academische filosofen noemen, vind ik meestal dodelijk vermoeiend. Om ze te lezen moet je op de hoogte zijn van de hele filosofische traditie, alleen al wegens de gebruikte terminologie. Ik kom liever direct ter zake, probeer te schrijven over filosofische kwesties vanuit een onwetend standpunt, en bovenal met gevoel voor humor. Het meest voel ik me nog verwant met een filosoof als Montaigne die nadacht over het nabije, over zijn eigen leven, over zichzelf, en altijd met een zekere ironie. Filosofen die in tweehonderd pagina’s de wording van de moderniteit uitleggen, een referaat houden over de postmoderniteit of die het hebben over wat wij precies moeten verstaan onder pre-moderniteit, vind ik nogal weerzinwekkend. Het hele idee erachter, dat wij de essentie en het middelpunt vormen van het universum, kan ik niet serieus nemen. Ik heb dan altijd de neiging om te zeggen: luister, het tegenovergestelde zou ook wel eens waar kunnen zijn.
Maar misschien ben ik wel te sceptisch, hoor. Mij interesseert een meer praktische filosofie. Een filosofie die probeert tot zinnige conclusies te komen over hoe je een zo gelukkig mogelijk leven kan leiden of wat goed en slecht is in een samenleving.’
OVER HET EERSTE, hoe een zo gelukkig mogelijk leven te leiden, gaat Het goede leven: Ethiek voor mensen van morgen. 'Veel mensen denken bij ethiek aan regels en voorschriften. Terwijl ethiek daar helemaal niet over gaat! Ethiek gaat over welke waarden iemand uit vrije wil aanhangt om zijn gedrag te bepalen. Wanneer je iemands daden beloont of straft, heeft dat niets met ethiek te maken, zoals Kant al opmerkte. De basis van ethiek is straffeloosheid. Het ethische beperkt zich tot hetgeen iemand doet in confrontatie met zijn vrijheid. Daarom kan iemand ook slechts ethische reflecties hebben over zichzelf, omdat hij de enige is die zichzelf kent vanuit dat perspectief. Anderen zien alleen de resultaten van deze overwegingen: zijn daden. Wat dat betreft ben ik het met Spinoza eens, die stelde dat het geen enkele zin heeft om een ethisch oordeel te vellen over wat iemand doet of laat. Men kan de ander hooguit vragen na te denken over zijn daden en deze reflecties met anderen te delen. Iemand schreef aan Spinoza: “En als iemand tegen mij zegt dat voor hem het goede is om zijn buurman te vermoorden en zijn buurvrouw te verkrachten, wat dan?” Spinoza antwoordde: “Als iemand werkelijk heeft nagedacht over de betekenis van het menselijk leven en de samenleving waarvan hij deel uitmaakt, en hij komt tot deze conclusie, dan is hij gek als hij het niet doet.”’
Komt al het kwaad dan voort uit onwetendheid? Er zijn deze eeuw toch heel veel vreselijke dingen gedaan door mensen die daar diep over hebben nagedacht.
'Tegenover de ethiek staat niet de onwetendheid, maar de imperfectie van het leven. De ethiek zoekt excellentie, een radicale menselijkheid. Tegenover deze radicale menselijkheid staat de vergetelheid en de minachting van de menselijkheid: het beestachtige dat voorkomt in alle samenlevingen. Het meeste kwaad dat mensen anderen aandoen, komt voort uit het onvermogen om de ander als een persoon te zien, als een individu met dezelfde gevoelens, tekortkomingen en angsten als zijzelf. Dat kwaad kun je beteugelen door het opstellen van regels en voorschriften, maar ik geloof dat educatie in de breedste zin van het woord de enige remedie is.
Ik erger me dan ook aan veel hedendaagse filosofen die het verlichtingsdenken bij het oud vuil willen zetten. Want bij het verlichtingsdenken ging het niet alleen om een geloof in de rationele, intellectuele vermogens van de mens die hem tot een moreel beter wezen moesten maken. Het ging om iets veelomvattenders: dat men zich bewust werd van het sociale wezen dat de mens is, dat de mens de ander nodig heeft om in zijn behoeften te voorzien, zijn verlangens te bevredigen, te communiceren, ideeën uit te wisselen, om kortom mens te zijn. Wanneer een mens dat begrijpt, dringt het ook tot hem door dat het in zijn eigen belang is om ethisch te handelen.
Een ethisch persoon is niet iemand die afstand doet van zijn belangen en behoeften, maar iemand die deze beter begrijpt. Dat geldt nu nog altijd. Voor mij is het grote thema van deze tijd niet de terugkeer van religieuze sentimenten, de vermeende crissis van waarden en normen in onze samenleving, de gevaren van de technologie of de botsing tussen individualisme en communitarisme. Dat zijn weliswaar interessante thema’s, maar voor mij is de grote vraag: kiezen we voor een oppervlakkige educatie die alleen maar gericht is op het creëren van behoeften of voor een serieuze, diepgaande educatie die gericht is op het bevredigen van behoeften op een volwassen, dat wil zeggen ethische, manier?’
Wat houdt zo'n educatie in?
'Vandaag de dag zijn de privileges die vroeger waren voorbehouden aan een kleine elite, nu voor iedereen, tenminste in Europa en de Verenigde Staten, toegankelijk. Dat is een situatie die goed vergelijkbaar is met het begin van de Verlichting in Italië. Neem bijvoorbeeld de prachtige stad Ferrara, waar in de vijftiende en zestiende eeuw slechts een half procent van de inwoners analfabeet was. Er was vrije tijd, een bloeiend cultureel leven, maar ook was er het probleem van de verveling, de begeerte, de machtswellust. Dat is nu ook aan de hand: iedereen heeft de mogelijkheid te lezen, muziek te luisteren, schilderijen te bekijken, maar dat alleen civiliseert niet. Er is ook iemand nodig die je de gebruiksaanwijzing geeft om van al deze dingen te genieten.
Niemand gelooft tegenwoordig nog dat je moeite moet doen voor de dingen des levens. Dat je een inspanning moet leveren, en soms moet lijden om gelukkig te worden. Dat het drukken op een knop niet voldoende is om een ontwikkeld mens te worden, maar dat daar een zekere discipline en nieuwsgierigheid voor nodig zijn. Ik geloof dat literatuur, kunst en filosofie essentieel zijn om onze verlangens en begeerten te bevredigen. Het leert je je in de ander te verplaatsen, te genieten van een gesprek, en te begrijpen dat je de ander nodig hebt om gelukkig te worden. Maar iemand moet je wel vertrouwd maken met het symbolisch universum dat onze cultuur is. En dat is iets heel anders dan het verwerken van informatie, zoals men tegenwoordig schijnt te denken.’
BINNENKORT VERSCHIJNT in Nederlandse vertaling Goed samen leven: Politiek voor mensen van morgen, dat in verscheidene landen enthousiast werd onthaald. In zekere zin is het boek een vervolg op Het goede leven: Ethiek voor mensen van morgen. Wederom richt Savater het woord tot zijn zoon, ditmaal om hem te vertellen over politiek, de ontstaansgeschiedenis van de democratische instituten en de inrichting van een samenleving. Geen eenvoudig onderwerp, geeft Savater toe.
'Er bestaat een tendens om, zeker bij jongeren, politici te beschouwen als zakkenvullers en leugenaars, en politiek als iets waar je nauwelijks iets mee te maken hebt. Dat is voor mij, als iemand die een dictatuur heeft meegemaakt, moeilijk te begrijpen. Ik probeer in het boek uit te leggen dat in een democratie iedereen een rol en een stem heeft, en dat dit belangrijk is. Er zullen altijd conflicten bestaan en botsingen tussen belangen, juist omdat wij mensen zo veel op elkaar lijken. Als we allemaal iets verschillends zouden willen, zou er niets aan de hand zijn.
Een zeker monopolie op het geweld en de macht bij een gekozen instituut is in het voordeel van iedereen, daar gaat het uiteindelijk om. Een parlement is uiteindelijk niets meer of minder dan een geciviliseerde burgeroorlog, waar deze botsingen van belangen worden uitgevochten zonder wapens. Dat is zijn functie.
Ik geloof niet dat de politiek verantwoordelijk is voor het geluk van de mensen, noch dat de politiek hier veel aan kan bijdragen, behalve dan het bieden van de randvoorwaarden zodat mensen zich kunnen ontwikkelen. Ik geloof meer in de ontwikkeling van het individu als het erom gaat de wereld tot een betere plaats te maken. Ik denk wel dat een persoon in moreel opzicht kan groeien naar een zekere volwassenheid, maar niet dat hedendaagse staten in moreel opzicht verder zijn dan toen de democratie ontstond in Griekenland.’
De laatste tijd wordt er vaak gesproken over de teloorgang van waarden en normen.
'Daar geloof ik niets van. Om te beginnen zijn waarden altijd in crisis, ze komen voort uit een crisis, omdat ze per definitie geen weergave van de werkelijkheid zijn. Ze komen voort uit een botsing tussen wat is en wat zou moeten zijn. Als ik een man van twee meter een kind van vier zie slaan, dan is er sprake van een crisis in de zin dat ik iets anders zie dan wat er zou moeten zijn. Dat is de essentie van waarden.
Een van de meest hoopvolle ontwikkelingen is juist de geleidelijke universalisering van de moraal. Daar bedoel ik mee dat bepaalde ethische normen een steeds universeler karakter en zeggingskracht krijgen, in plaats van dat ze voor een bepaalde groep, een bepaald volk of land gelden. Bijvoorbeeld de rechten van de mens. Die ontwikkeling, die begon bij het stoïcisme en het christendom, is het gevolg van het feit dat we de mens steeds meer beschouwen als een individu, en steeds minder als deel van een groep, volk of collectief. Alles evolueert, zoals Oscar Wilde opmerkte, naar de individualiteit.’
In 'Goed samen leven’ heeft u het over de cultuur als onze prothese van onsterfelijkheid.
'Aan de grondslag van alles dat de mens tot stand heeft gebracht - staten, kunst, samenlevingen - ligt de wens om onsterfelijk te worden tijdens het leven. Het is de behoefte om de dood te ontkennen: nu ben ik levend. De dood is absolute eenzaamheid, dus nu wil ik communiceren. De dood is totale ongevoeligheid, dus nu wil ik voelen. De dood maakt iedereen gelijk, dus nu wil ik me onderscheiden en geliefd worden. De dood is het verlies van alle herinnering, dus nu wil ik herinneren. Etcetera. In die zin heeft onze samenleving, onze cultuur, geen ander doel dan het ontkennen van onze sterfelijkheid. De dieren hebben geen cultuur omdat ze niet weten dat ze gaan sterven, en haar dus niet nodig hebben.’
In deze tijd wemelt het van de apocalyptische theorieën, die ervan uitgaan dat er een einde zou kunnen komen aan dat bouwwerk van menselijke ijver. Heeft u een speciaal gevoel bij het einde van het millennium?
'Die ondergangstheorieën vind ik paranoïde. Natuurlijk zullen ons verschrikkelijke dingen te wachten staan in de volgende eeuw, zoals in alle eeuwen. Maar je kunt de toekomst niet beoordelen met criteria van nu. Er bestaat een heel curieuze tekst uit het einde van de vorige eeuw, van de historicus Jean Pierre Rioux, die gaat over de gevaren van de twintigste eeuw. Hij vreesde dat de Kozakken Parijs zouden veroveren, zag in de crematie van lijken een reëel gevaar voor de volksgezondheid, en was erg bezorgd over de opkomst van het neokantisme. Moet je je voorstellen: het neokantisme als voornaamste bedreiging van de mensheid! Hij was niet de enige die zich waagde aan voorspellingen over de twintigste eeuw. Geen van al die teksten voorspelde het werkelijke gevaar van de twintigste eeuw: het nationalisme. Alleen in de teksten van Nietzsche kun je daar enige bezorgdheid over terugvinden.
Nu boezemen de stormachtige ontwikkeling rondom de cybernetica, de informatiesnelwegen en de computers ons angst in. We vrezen dat dit ten koste zal gaan van onze privacy en vrijheid, en dat, als we niet oppassen, we allemaal in robots veranderen. Maar het is goed mogelijk dat men daar aan het eind van de eenentwintigste eeuw even hard om lacht als wij nu om het gevaar van het neokantisme.’
Toch maakt ook u zich zorgen om de groeiende 'computerisering’ van onze samenleving.
'Computers zijn natuurlijk verdomd handig. Ik maak me zorgen over iets heel anders. De taal van de computer is gebaseerd op het afgeven van signalen, en gericht op het uitsluiten van alle dubbelzinnigheid. Wie achter een computer zit, verandert in een soort sergeant die orders geeft. Het gevaar is dat we deze vorm van communiceren gaan verwarren met praten, wat een enorme verschraling van onze taal zou betekenen. Want het mooie van woorden is nu juist dat je ze kunt gebruiken om orders te geven, maar dat zij tevens de sleutel vormen tot onze wereld vol nuances en dubbelzinnigheden.’
Hebt u ooit overwogen de politiek in te gaan?
'Het is me wel eens gevraagd door een politieke partij. Maar het is zoals Groucho Marx zei: Ik zou nooit tot een club willen behoren waar types zoals ik lid van zijn.’