WORSTELING MET GRONDRECHTEN

De onzichtbare grondwet

De boerkini, de allochtoon, de vrouwenhand, de film: allemaal leiden ze tot heftige discussies over integratie, discriminatie, de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van godsdienst. Is de jarige grondwet onzichtbaar?

Vier nieuwsitems in een paar dagen. cda-minister Ernst Hirsch Ballin van Justitie wil van de term ‘allochtoon’ af. De Tweede Kamer is het daar direct mee oneens; de een vindt de term te ingeburgerd om deze af te schaffen, de ander vindt afschaffing politiek correct geneuzel.

Zwemmers in Zwolle vinden een boerkini die het lichaam van een moslima geheel bedekt aanstootgevend. De directie verbiedt deze zwem-outfit, om daar meteen op terug te komen.

Een groepje pvda-leden in Amsterdam ergert zich aan partijgenoot en burgemeester Job Cohen, die door de gemeente ingehuurde straatcoaches toestaat om op religieuze gronden de toegestoken hand van een vrouw te weigeren. pvda-partijleider en vice-premier Wouter Bos geeft in een interview zijn mening: mensen in dienst van de overheid moeten staan voor de gelijkheid van man en vrouw. Dat betekent volgens Bos dat je elkaar de hand schudt.

cda-minister Maxime Verhagen van Buitenlandse Zaken roept het pvv-kamerlid Geert Wilders op zijn anti-koranfilm niet uit te zenden. Dat gaat te ver, vinden anderen; de dag daarop komt het kabinet met een verklaring waarin het Wilders wijst op zijn verantwoordelijkheid als de film leidt tot aanslagen en boycots.

Deze vier onderwerpen waren aan de orde in de week dat de huidige grondwet haar zilveren jubileum vierde met een klein symposium, getiteld ‘De onzichtbare grondwet’. Die term ‘onzichtbaar’ doet daardoor wat vreemd aan. Bij alle vier de items speelt juist de worsteling met verschillende grondrechten, die zijn vastgelegd in de grondwet.

Draagt het gebruik van het woord ‘allochtoon’ bij aan het discrimineren van een groep Nederlanders en staat het daarmee de integratie in de weg? Is het toestaan van de boerkini een logisch gevolg van de vrijheid van godsdienst of wordt daarmee juist het discrimineren van vrouwen toegestaan? Mag een man weigeren een vrouw de hand te schudden met een beroep op zijn vrijheid van godsdienst of is dan ook hier sprake van discriminatie van de vrouw? Mag een minister oproepen een film, waarvan hij de gevolgen vreest, niet uit te zenden of komt hij dan aan de vrijheid van meningsuiting?

Het symposium en de gelijktijdig uitgekomen essaybundel De Grondwet herzien hebben volgens minister Guusje ter Horst van Binnenlandse Zaken als doel om ‘dat wat van waarde is (in de grondwet – red.) ook tot leven te laten komen’. Ze schrijft in het voorwoord bij de bundel dat dat niet lukt ‘als daarover wordt gezwegen’. Een paar dagen later deed haar partijleider, Wouter Bos, in een interview in de Volkskrant, een gelijksoortige oproep: geen emancipatie zonder polarisatie. Oftewel: ga met elkaar de discussie en confrontatie aan. Daarbij moet volgens Bos het criterium zijn: wie brengt het debat verder? Hij heeft het dan over het debat van de integratie, maar dat valt niet los te zien van het debat over de spanning tussen grondrechten.

Hoogleraar Paul Frissen probeert dat debat verder te brengen door in de essaybundel over de grondwet te pleiten voor ‘een constitutie van het verschil’. Volgens de Tilburgse hoogleraar geeft artikel 1 van de huidige grondwet Nederlanders het fundamentele recht om verschillend te zijn en daarom pleit hij ervoor dat ook expliciet in het artikel vast te leggen. Hij doet als tekstvoorstel: ‘Allen die zich in Nederland bevinden, worden in al hun verschillen door staat en wet gelijk behandeld.’

Wie dit onmiddellijk afdoet als spelen met woorden vergeet dat juist het debat hierover verhelderend kan werken. Bovendien moet niet over het hoofd worden gezien, parallel met het direct afserveren van de discussie over de term ‘allochtoon’, dat woorden wel degelijk hun wissel kunnen trekken op hoe de werkelijkheid wordt ervaren. Taal en werkelijkheid staan niet los van elkaar. Frissen voegt enkele noties toe aan zijn ‘constitutie van het verschil’. Zo vindt hij dat in een mogelijke nieuwe grondwet ‘op uiteenlopende plaatsen moet worden geëxpliciteerd dat minderheden een zwaarwegende stem hebben en dat op de meerderheid steeds de plicht rust te motiveren hoe minderheden worden beschermd bij meerderheidsbesluitvorming’. Anders gezegd: democratie mag geen dictatuur van de meerderheid worden. Ook pleit Frissen ervoor dat de klassieke grondrechten niet alleen gelden als een plicht van de staat ten opzichte van de burger, maar ook burgers verplichten. De vrijheid van godsdienst vindt hij daarvoor een actueel voorbeeld: ‘Wie zelf zijn godsdienst in alle vrijheid wil belijden zal dat recht ook aan anderen dienen toe te kennen.’ Inclusief het recht om van het geloof te vallen.

De Amsterdamse hoogleraar Hans Boutellier gaat in de bundel in op het morele tekort van de grondwet. Hij pleit ervoor om in een op te stellen preambule van de grondwet een moreel appèl te doen op burgers om zich te schikken naar de rechtsstaat en te participeren als het gaat om onderwijs, werk en inkomen. Expliciet moet daarbij volgens hem aan de orde komen dat de staat zelf geen morele voorkeur heeft waar het gaat om zaken als politieke kleur of religie.

Boutellier werkt de integratieproblematiek langs deze lijnen verder uit. Wat behelst integratie eigenlijk als de dominante cultuur juist wordt gekenmerkt door morele en culturele pluriformiteit? vraagt hij zich af.

Volgens Boutellier moet een herziene grondwet zich daarom niet zozeer richten op integratie als wel op ‘continuïteit van de samenleving’. Voor het opnemen van minderheden in de samenleving zijn dan volgens hem drie begrippen belangrijk: assimilatie, participatie en behoud van de identiteit.

Het gevoelige woord ‘assimilatie’ geldt voor hem alleen als het gaat om het rechtssysteem en om de erkenning door alle ingezetenen, of ze nu behoren tot de meerderheid of tot een minderheid, dat de ander recht heeft op een eigen identiteit. ‘Participatie’ gebruikt hij als het gaat om onderwijs, werk en het verwerven van inkomen.

Wat de twee hoogleraren nog eens indringend laten zien is dat voorstanders van een liberale cultuur zich moeten realiseren dat zij die niet dwingend mogen opleggen aan minderheden, juist omdat dit omgekeerd dan ook voor de cultuur van deze minderheden zou gaan gelden mochten zij in de meerderheid komen. Dat is overigens juist de angst die op de achtergrond speelt in veel van deze discussies: gaan ‘zij’ straks hier het recht en de omgangsvormen bepalen?

Wilders speelt met zijn, bij het sluiten van deze krant nog door niemand aanschouwde, film in op deze angst. Hij gaat er daarbij vanuit dat de islam onverenigbaar is met grondrechten als vrijheid van godsdienst en gelijkheid van man en vrouw. De vraag is of het kamerlid met zijn film wel het doel heeft het debat over de opname van religieuze minderheden en de botsende grondrechten verder te brengen. Onderschrijft de leider van de Partij voor de Vrijheid wel de vrijheid van een ‘constitutie van het verschil’? Houdt hij de ‘continuïteit van de samenleving’ in acht?