René Gabriëls, Intellectuelen in Nederland

De onzichtbare kosmopoliet

De moderne intellectueel vindt zichzelf een universeel rechter, de postmoderne intellectueel houdt rekening met de diverse culturen. Tijd voor de «en/en»-denker.

Volgens Martha Nussbaum hebben mensen eigenschappen die hen onderscheiden van andere levende wezens en die onmisbaar zijn voor hun welzijn. Deze lijst met «essentialia» omvat het besef van sterfelijkheid, het lichaam, het vermogen om plezier of pijn te ervaren, seksueel verlangen, de capaciteit van het waarnemen, verbeelden en denken, het bezit van de praktische rede, genegenheid jegens anderen, humor en spel. Wat ontbreekt is de onbedwingbare neiging tot nos talgie. Vroeger was alles beter, over het verleden ligt een gouden glans die de scherpe kantjes verdoezelt en de hoogtepunten extra mooi maakt. Je ziet het aan de recente coming out van een groepje Nederlandse conservatieven die terugverlangen naar een tijd waarin de samen leving overzichtelijk en stabiel geweest zou zijn en ieder mens zijn al dan niet door God aangewezen plaats kende.

Critici van deze conservatieven wijzen er terecht op dat die op standsverschil en uitbuiting gebaseerde maatschappij, met haar bekrompenheid en vernederende liefdadigheid, helemaal niet zo geweldig was. Maar ook onder hen die niets van conservatisme willen weten, is er nostalgie te vinden. Met weemoed wordt er nogal eens teruggekeken naar het verzet en de solidariteit van vroeger, naar de tijd dat politiek «nog ergens over ging», en naar de grote rol die intellectuelen toen speelden. Met de komst van de democratische, redelijk geordende, op rechtsgelijkheid gebaseerde verzorgingsstaat lijkt hun rol grotendeels uitgespeeld. Vandaar dat na de Twee de Wereldoorlog met de regelmaat van de klok «het einde der intellectuelen» is afgekondigd. Waar zijn Zola, Sartre, Orwell, Thomas Mann en Hannah Arendt gebleven? Waar is de tijd dat ideeën er nog toe deden, dat de wereld met ingehouden adem luisterde naar de intellectueel?

Nostalgie mag de mens dan aangeboren zijn, een heldere kijk op de werkelijkheid levert het echter niet op. Grafredes op de intellectueel zijn volstrekte onzin: de invloed van de grote twintigste-eeuwse intellectuelen strekte zich slechts uit tot een klein geletterd publiek. Bovendien gaat nostalgie voorbij aan het feit dat het tegenwoordig stikt van de mensen die men met de beste wil van de wereld het predikaat «intellectueel» niet kan ontzeggen. Om met het home land der intellectuelen te beginnen: wat dacht men van Alain Finkielkraut of Bernard-Henri Lévy? En, buiten Frankrijk, van Francis Fukuyama, Irving Kristol, Roger Scruton, George Steiner, Peter Sloterdijk, Jürgen Habermas of Rüdiger Safranski? En hoe moeten we in Nederland Bart Tromp, Andreas Kinneging, Jacques van Doorn, Lolle Nauta en Paul Scheffer karakteriseren?

Maar wat is nu in hemelsnaam een intellec tueel? Jacques de Kadt mocht zich altijd graag smalend uitlaten over de «zogenaamde» intellectuelen, «die brave jongens die het hanteren van intellectuele apparaten geleerd hebben op die ambachtsscholen die men Universiteiten noemt». Academici, die volgens De Kadt niet meer of minder respect verdienen dan schoenmakers of putjesscheppers, zijn nog geen intellectuelen. Een universitair diploma is onvoldoende, en zelfs overbodig. Het predikaat «intellectueel» wijst niet op een verworven status, maar op de activiteiten die iemand ontplooit.

In Intellectuelen in Nederland geeft de filosoof René Gabriëls als definitie: «Een intellectueel is iemand die in het openbaar kritiek uitoefent op iets wat naar zijn mening veel mensen aangaat en bovendien controversieel is. Wanneer iemand deze rol op zich neemt, dan verbindt hij daarmee zijn eigen naam, ook al spreekt of schrijft hij namens een bepaalde organisatie. Een intellectueel is een individu dat zijn eigen werkkring verlaat en zich met zijn kritiek tot een groot publiek richt.»

Gabriëls heeft zich tot doel gesteld het inzicht te vergroten in de identiteit, de verantwoordelijkheid en de veranderende positie van de intellectueel. Omdat zijn boek handelt over Nederlandse intellectuelen, zou men een overzicht verwachten van Nederlandse schrijvers, denkers en kunstenaars die een belangrijke rol in het maatschappelijke debat hebben gespeeld. Over Nederlandse intellectuelen in de twintigste eeuw valt immers best een mooi boek te schrijven: de schrijvers en kunstenaars die eind negentiende eeuw voor het socialisme kozen; de generatie van het interbellum, die aanvankelijk elk engagement afwees maar door de omstandig heden gedwongen werd tot een keuze; en de naoorlogse generatie met kwesties als de Koude Oorlog, Vietnam, de culturele revolutie van de jaren zestig, de vredesbeweging, de heroriën tatie na de val van de Muur, de Joegoslavische burgeroorlog en het debat over de multiculturele samenleving. Het zou een rijke portretten galerij opleveren, van Herman Gorter tot Jaffe Vink. Gabriëls boek behandelt echter alleen de laatste twintig jaar, en is bovendien geen historische maar een sociologische studie. Het gaat hem om de rol van de intellectueel, niet om de spelers. Om zich een kader te verschaffen om die veranderende rol te analyseren, maakt Gabriëls een onderscheid tussen de moderne en de postmoderne intellectueel.

De moderne intellectueel is een generalist die het algemeen belang dient. Hij beschouwt zich als een kosmopoliet en velt een oordeel op grond van universele waarden. Over de positie van de intellectueel is hij somber, aangezien die door de opkomst van de massamedia en de explosieve groei van het hoger onderwijs minder exclusief geworden is. De postmoderne intellectueel is wat betreft dit laatste veel positiever. Veel meer mensen nemen deel aan het intellectuele debat, hetgeen de democratie ten goede komt. Een intellectueel is in zijn opvatting geen «vrij zwevende» generalist die over alles wil mee praten, maar een specialist die specifieke deel belangen behartigt. Tegenover het universalisme van de moderne intellectueel plaatst hij het relativisme, dat uitgaat van de nationale context en dat de nadruk legt op de verschillen tussen cul turen. Beschouwt de moderne intellectueel zichzelf als een soort rechter die op grond van universele waarden een oordeelt velt, de postmoderne intellectueel ziet zich als tolk tussen verschillende levensvormen.

Met behulp van dit onderscheid analyseert Gabriëls de rol van intellectuelen in een drietal maatschappelijke controversen, namelijk de Brede Maatschappelijke Discussie (BMD) die begin jaren tachtig werd gevoerd over kernenergie, het debat over armoede in Nederland, en de Rushdie-affaire. Eerlijk gezegd is dit geen bijzonder gelukkige keuze. De BMD was een door de overheid gecreëerde zandbak waarin voor- en tegenstanders van kernenergie mochten stoeien. De deelnemers aan de BMD waren experts en woordvoerders van organisaties, ze spraken niet namens zichzelf en hun optreden maakte deel uit van hun normale werk. Echte intellectuelen speelden niet of nauwelijks een rol. In dit verband was het zinvoller geweest om het ongeveer in dezelfde tijd spelende debat over de kernwapens als casestudie te nemen. Daar werd door intellectuelen als Renate Rubinstein, Mient Jan Faber, Bart Tromp, W.L. Brugsma, Henk Neumann en Hugo Brandt Corstius met volledige inzet van persoon en reputatie gepolemiseerd. In het zogeheten armoededebat komen intel lec tuelen al helemaal niet voor. Bisschop Muskens kan onmogelijk zo genoemd worden, en als in de beschrijving van Gabriëls ineens Frits Bolkestein opduikt, dan is dat in de rol van fractievoorzitter.

De Rushdie-affaire is in feite de enige door Gabriëls behandelde controverse die wel geduid kan worden als intellectuelendebat. Volgens de auteur is hier duidelijk de scheiding tussen moderne en postmoderne intellectuelen zichtbaar. De laatste groep herkent hij vooral in de oriëntalisten, die als experts in het Arabisch of de islam begrip tonen voor de reacties die Rushdies roman teweegbracht. De traditionele «moderne» intellectuelen daarentegen waren verdeeld. Terwijl Tromp, Komrij, Blokker, Hofland en Sanders zich fel keerden tegen elke poging de vrijheid van meningsuiting te beknotten, wezen K.L. Poll en Jacques van Doorn op het soms wel erg obligate karakter van de verontwaardiging.

Waar volgens Gabriëls zowel de moderne als de postmoderne intellectuelen zich aan schuldig maakt, is het verabsoluteren van het verschil tussen Oost en West. De postmodernen benadrukken dat het om volstrekt andere werelden gaat, waarvoor dus verschillende maatstaven gelden, terwijl de modernen de superioriteit van de westerse waarden beklemtonen.

Maar hoe moet het dan wel? In plaats van het moderne universalisme, dat uitgaat van morele maatstaven die in elke situatie gelden, en het postmoderne contextualisme, dat uitmondt in ethisch relativisme, dient de intellectueel volgens Gabriëls het contextueel universalisme tot uitgangspunt te nemen. De «nieuwe kosmo polieten» die zich hiertoe bekennen, formuleren weliswaar universele maatstaven maar geven zich tevens rekenschap van de verschillen tussen en binnen contexten. Het gaat in de optiek van Gabriëls niet langer om «of/of»-intellectuelen die nooit verder komen dan de keuze tussen moralisme of ironie, maar om mensen die uitgaan van het «en/en». Dit klinkt erg vaag, om niet te zeggen abstract, en het levert waarschijnlijk intellectuelen op die in hoge mate onzichtbaar zijn. Nu is Gabriëls vermoedelijk van mening dat dit ook de bedoeling is, en dat intellectuelen pas zichtbaar worden in concrete controverses.

René Gabriëls

Intellectuelen in Nederland: Publieke controversen over kernenergie, armoede en Rushdie

Uitg. Boom, 304 blz., ƒ45,-