De verbleekte idealen van de Verlichting en de Romantiek

De onzichtbare Maat

Het vrijheids- en gelijkheidsdenken uit de Verlichting en de Romantiek heeft van de mens een verweesde speelbal tussen markt en staat gemaakt. Het belang van de gemeenschap, dat centraal stond in de Europese Traditie, is volledig ondergesneeuwd.

Allegorie van goed bestuur, wijsheid en gerechtigheid, detail van Allegorie en effecten van goed en slecht bestuur in de stad en op het platteland, 1337-1343. Een reeks fresco’s van Ambrogio Lorenzetti. Zaal van de Vrede, Palazzo Publico, Siena, Italië © DeAgostini / Getty Images

Onze tijd is uitzonderlijk. We leven op een breukvlak waarbij vergeleken zelfs de Reformatie maar een lichte rimpeling was. De wereldbeschouwelijke Traditie die Europa sedert de Oudheid heeft gedomineerd en gestempeld, is op sterven na dood. We staan aan het einde van een tijdperk dat ongeveer tweeënhalf millennia geleden begon. Het vreemde is dat vrijwel niemand beseft hoe uitzonderlijk dat onze tijd maakt. En wie erop gewezen wordt, haalt doorgaans zijn schouders erover op.

De wereldbeschouwelijke Traditie die ik bedoel wordt soms overdrachtelijk aangeduid met de begrippen ‘Athene en Jeruzalem’. ‘Athene’ staat dan voor de Griekse letteren, in het bijzonder de Griekse filosofie, meer in het bijzonder Plato en Aristoteles, die boven alle overige Griekse schrijvers uittorenen. ‘Jeruzalem’ staat voor het christendom, dat wil zeggen de bijbelse Traditie waarin leven en sterven van Christus centraal staan. Augustinus en Thomas van Aquino zijn de belangrijkste christelijke auteurs – de Plato en Aristoteles – van het christendom.

Athene en Jeruzalem staan niet los van elkaar. Al in een heel vroeg stadium doordesemt het Griekse denken de bijbelse Traditie. Augustinus was platonist, Thomas van Aquino aristoteliaan. De zestiende en zeventiende eeuw is de tijd waarin de Europese Traditie in zekere zin op haar hoogtepunt is. Een door de antieken gevormd christendom is overal het referentiekader.

Maar in de zeventiende eeuw begint ook de aanval op de Europese Traditie. Deze staat bekend als de Verlichting, een benaming die de aanvallers zichzelf gegeven hebben, om zich te rechtvaardigen en hun tegenstanders in een kwaad daglicht te stellen. Zij waren het die naar eigen zeggen licht in een eeuwenlange duisternis kwamen brengen. De belangrijkste namen zijn René Descartes en Thomas Hobbes. De laatste is de grootste, hij is de Plato van de moderniteit, al zien de meeste hedendaagse ideeënhistorici Hobbes’ betekenis volledig over het hoofd. De voornaamste idealen van de Verlichting: vrijheid en gelijkheid.

In de zeventiende eeuw was de Verlichting niet meer dan een contrapunt bij – of dissonant in – de Traditie, maar in de achttiende eeuw groeide haar aanhang snel, bovenal dankzij de populariserende geschriften van Voltaire en de Encyclopedisten, wat aan het eind van de achttiende eeuw uitmondde in de Franse – en de Amerikaanse – revolutie, die voor een groot deel gebaseerd waren op de nieuwe ideeën van de Verlichting.

De Europese Traditie was echter nog springlevend. Vanaf het begin konden de nieuwe ideeën dus rekenen op forse weerstand. Daarom werd ook de Franse Revolutie vanaf het begin door een groot deel van de Europese bevolking afgewezen en bestreden. Dat resulteerde in 1815 in wat bekendstaat als de Restauratie, een poging om de status quo ante te herstellen. Die poging was echter vanaf het begin tot mislukken gedoemd, omdat de Revolutie weliswaar was beëindigd, maar daarmee de revolutionaire ideeën niet waren verdwenen. De hele verdere negentiende en twintigste eeuw is in belangrijke mate een strijd, in heel Europa, tussen de aanhangers van de Traditie en de aanhangers van de nieuwe verlichtingsideeën. Tussen ‘revolutie’ en ‘contrarevolutie’.

In en door de woelingen die de Franse Revolutie teweegbracht in Europa is ook de Romantiek ontstaan, een levens- en wereldbeschouwing die tegen de Verlichting in gaat, maar evenzeer tegen de Europese Traditie. De Romantiek is een denkwijze die eveneens uitgaat van de idealen van vrijheid en gelijkheid, maar deze op andere wijze uitlegt dan de Verlichting. In de periode van 1815 tot het eind van de twintigste eeuw strijden dus niet twee, maar drie levens- en wereldbeschouwingen om voorrang: het ideeëngoed van de Europese Traditie, het verlichtingsdenken en de Romantiek.

Het is een strijd waarin de Traditie langzaam maar zeker steeds meer terrein verliest. Halverwege de jaren zestig van de twintigste eeuw – het jaar 1968 is inmiddels symbolisch geworden – zet een nieuw en definitief offensief in van Verlichting en Romantiek. De Culturele Revolutie die dan begint is, net als alle andere revoluties, slechts de bezegeling van de ontwikkelingen die onderhuids allang de Traditie uitgehold hadden. Het christendom en de antieken, eeuwenlang hét Europese referentiekader, krijgen in de periode na 1968 de doodsklap toegediend door hun vijanden.

Als men erbij stilstaat, is het eigenlijk een onvoorstelbare gebeurtenis: in onze tijd lijkt een einde te zijn gekomen aan een periode van ongeveer 2500 jaar. Wij leven als eersten in een volstrekt nieuw tijdperk, dat niet langer is gebaseerd op het denken van de Grieken en het christendom, maar volledig is gebaseerd op de geest en de waarden van de Verlichting en de Romantiek.

—————

De grote vraag is natuurlijk: is dat nieuwe tijdperk een vooruitgang ten opzichte van het oude, of is het juist een achteruitgang? Voor de meeste mensen is het antwoord op die vraag eenvoudig en staat het a priori vast: het nieuwe is beter dan het oude. Dat is het vigerende geschiedbeeld: vroeger was alles slecht, of in ieder geval slechter dan tegenwoordig. Mensen waren arm, ze stierven vroeg, gingen dood aan ziektes die nu genezen kunnen worden, het gewone volk werd onderdrukt door de adel en de clerus of in een andere variant door de kapitalisten, de vrouw werd onderdrukt door haar echtgenoot, kinderen door volwassenen, het individu door de groep; iedereen door de blanke man. De wereld ging gebukt onder vooroordeel, onwetendheid en bijgeloof: dé oorzaken van het kwaad volgens de Verlichting. Van dit alles en meer heeft de nieuwe tijd ons verlost. Leve de moderniteit!

Anno nu zijn we vrijwel geheel modern. Het overgrote deel van de westerse bevolking heeft geen idee meer waar het christendom en de antieken voor staan, laat staan het gevoel dat ze maatgevend zouden moeten zijn. Verlichting en Romantiek leveren de vigerende mens- en wereldbeschouwingen, ook al zijn maar weinigen zich hiervan bewust, omdat het historisch besef bij de meeste mensen vrijwel geheel ontbreekt en de mens- en wereldbeschouwing van Verlichting en Romantiek zo alledaags en gewoon zijn geworden. Net zo gewoon en alledaags als het water dat is voor de twee jonge vissen uit de grap van David Foster Wallace: twee jonge vissen zwemmen in het water en komen een oudere vis tegen, die ze begroet met de woorden: ‘Goedemorgen, jongens, hoe is het water vandaag?’ Waarop de ene jonge vis de andere aankijkt en vraagt: ‘Wat is in hemelsnaam water?’

Verlichting en Romantiek zijn nu het nieuwe, vanzelfsprekende geloof van de overgrote meerderheid geworden, net zoals dat vroeger het christendom was. Met dit verschil dat het moderne geloof zich er niet van bewust is een geloof te zijn. Laat staan dat de gemiddelde gelovige zou beseffen wat de historische wortels zijn van zijn geloof. In beide opzichten was het christelijk tijdperk ‘verlichter’.

—————

De twee moderne mens- en wereldbeschouwingen zijn fundamenteel verwant – beide gaan uit van de principes van vrijheid en gelijkheid –, maar ze zijn tegelijkertijd in strijd met elkaar, omdat ze aan die principes een geheel andere uitleg geven.

Wij leven als eersten in een volstrekt nieuw tijdperk, dat niet langer is gebaseerd op het denken van de Grieken en het christendom

Wat is de essentie van Verlichting en Romantiek? Eerst de Verlichting. Men kan niet anders dan de oorspronkelijke intentie ervan appreciëren, met name de bekommernis om de gewone man. Vrijheid (libertas) voor iedereen, in de aloude zin van geen slaaf zijn (servitudo), en gelijkheid in de zin van gelijkheid voor de wet, oftewel een en dezelfde wet voor alle onderdanen – het algemeenheidsgebod –, zijn nobele idealen. Dat geldt ook voor het ideaal van een maatschappij waarin iedereen – en niet alleen de elite – materieel in een zekere welstand leeft en de eeuwige volksplaag van de armoede is overwonnen. De Verlichting voorzag de mogelijkheid van materieel bien-être voor iedereen op basis van het marktmechanisme en technologische vernieuwingen. De Verlichting heeft bovendien al deze ideeën salonfähig gemaakt. Dat zijn allemaal geen kleinigheden.

Maar het relatief bescheiden geloof in de mogelijkheid van een zeker materieel gemak voor iedereen werd al in de achttiende eeuw een geloof in de ongelimiteerde vooruitgang op alle fronten. Een hoofdrol daarbij spelen de markt en de technologie. Dit zijn de motoren van de vooruitgang. In de toekomst zal de mens alwetend en dus almachtig zijn. Dat is althans de hoop. Hij zal armoe, dood en ziekte hebben overwonnen. De macht die het resultaat is van toenemende kennis is goed. Want macht maakt vrij. Immers, wie macht heeft, kan doen wat hij wil. En dat is ware vrijheid. Hij kan al zijn begeertes bevredigen. En daarin liggen het geluk en het doel van het leven. Begeertes zijn voor een groot deel subjectief en verschillen van persoon tot persoon. Maar omdat alle mensen gelijk(waardig) zijn, zijn ook al die begeertes allemaal gelijkwaardig. ‘Push-pin is as good as poetry.’ Vrij vertaald: basketbal is even goed als Beethoven.

Waar het dus om draait, is consumeren. En om dat te kunnen, moet er gewerkt worden – in afwachting van de technologie die dat overbodig maakt. Het geld dat met werken verdiend wordt, wordt vervolgens uitgegeven aan al wat het hartje begeert. De mens is zo gezien primair een producent en consument op een steeds technologischer markt. Hij wil consumeren en daarom moet hij werken en geld verdienen. Productie en consumptie, onder omstandigheden van concurrentie en technologische vooruitgang, zijn de polen rond welke het leven draait. Alles wordt in deze termen gezien. Ook bijvoorbeeld onderwijs, politiek en staat. Doel van het onderwijs is het verwerven van technologische en competitieve vaardigheden ten behoeve van de latere rol als producent op de markt. Doel van politiek en staat zijn het juridisch in goede banen leiden van productie en consumptie op de markt en het stimuleren van de technologische vooruitgang.

Het verlichtingsdenken marginaliseert de oudere opvattingen van de mens als burger, als kind van God en als gemeenschapswezen en drukt die ten slotte helemaal weg. Dat is al eeuwen aan de gang. Wij maken de voltooiing ervan mee. Wat zijn de gevolgen van het verlichtingsdenken? Vooral dit: als het er in het leven om gaat zo veel mogelijk begeertes te bevredigen, wat die ook zijn, en alle begeertes van gelijke rang zijn, als dat de pointe en betekenis van vrijheid en gelijkheid zijn, dan resulteert uiteindelijk een wereld die geheel naar de hand is gezet van de meest dominante en overheersende begeertes van de grote massa van de mensheid. Dat wil zeggen een wereld van entertainmentparken, shoppingmalls en outlets, alomtegenwoordige snelwegen en auto’s, speelparadijzen, wellnesscenters, hypermarkten, porno- en koopsites, prefab woontorens en woonwijken, een toeristenindustrie over de gehele wereld, en heel veel snoep, drank, zoet en vet eten, drugs en beeldschermen. Voor het overgrote deel van de mensheid is ‘push-pin’ immers even goed, om niet te zeggen veel beter dan ‘poetry’. De zin van het leven is doen waar je zin in hebt. En waar je zin in hebt is eten, drinken, winkelen, seks en entertainment. ‘Having a good time’. Yolo.

Ambrogio Lorenzetti, Allegorie van slecht bestuur: IJdelheid, detail, 1337-1343 © DeAgostini/Getty Images
—————

Tegenover de verlichtingsvisie staat de opvatting van de maatschappijcritici, die haar wortels heeft in de Romantiek. Deze is in essentie een kritiek op de Verlichting, waarin men diverse elementen terugvindt uit de Europese Traditie, zij het op een verdraaide wijze. Men zou kunnen zeggen dat de Romantiek het aloude begrip ‘natuur’ weer opneemt, zoals dat door de Traditie werd gebruikt, als norm. (Voor de Verlichting is ‘natuur’ slechts een feitelijke gegevenheid.) In plaats van zijn subjectieve begeertes te volgen, zoals de Verlichting wil, moet de mens volgens de Romantiek leven volgens de natuur (secundum naturam). Maar wat natuur is, wordt door de Romantiek geherdefinieerd.

Traditioneel staat ‘natuur’ voor de natuur der dingen, dat wil zeggen hun blijvende essentie. Zoals we nog wel spreken over de natuur van de mens. In de Romantiek verdwijnt die betekenis geheel en al. Natuur en natuurlijk staan nu voor wat we ook wel authentiek, oorspronkelijk, echt zijn gaan noemen. Die betekenisverschuiving valt alleen te begrijpen tegen de achtergrond van de Verlichting, die het aanschijn van de wereld volledig heeft veranderd. Denk aan de industrialisatie, de verstedelijking, de ontvolking van het platteland, de geplande ruimtelijke ordening, de juridische rationalisatie, de bestuurlijke centralisatie et cetera. Vanuit romantisch perspectief heeft de Verlichting de wereld vervreemd van haar natuurlijke staat. Deze vervreemding wordt gezien als een soort zondeval. De wereld is er lelijk van geworden en ongezond. De mens is niet meer vrij en wordt er ongelukkig van. Vandaar terug naar de natuur.

De Romantiek staat kritisch tegenover markt en technologie, kritisch tegenover de oppervlakkige levensfilosofie van de Verlichting. De wereld, de natuur, het milieu zijn veel meer dan grondstoffen voor onze begeertes. Het gaat in het leven sowieso om iets geheel anders dan je begeertes bevredigen. Het verlichtingsdenken brengt de mens op het verkeerde pad en verwoest de wereld. De begeertes op de troon stellen, leidt tot uitbuiting van de zwakkeren hier en elders, die te lage lonen betaald krijgen; tot de gewetenloze, geldgedreven mishandeling van dieren in de bio-industrie; tot de even gewetenloze vergiftiging van de consument met zoet, vet en ongezond voedsel; tot het medisch-farmaceutisch complex dat belang heeft bij veel zieke mensen. De steeds geavanceerdere informatie-technologie, gebruikt door geldbeluste producenten, doet de privacy en daarmee de menselijke waardigheid, die een bedekking van ‘our naked, shivering nature’ vereist, meer en meer in rook opgaan. De steeds verder stijgende productie- en consumptiecyclus dreigt het klimaat onleefbaar te maken en bedreigt planten- en diersoorten. Et cetera.

Op een dieper niveau is het bezwaar van de Romantiek tegen het verlichtingsdenken de leegheid van een leven als producent-consument. Het gaat in het leven om iets geheel anders: om authenticiteit. Dat wil zeggen: als mens te zijn wie en wat je bent en anderen en de wereld ook te laten zijn wat ze zijn. Dat is ware vrijheid en gelijkheid. Niet als een verlichtingsadept alles in naam van de vooruitgang te willen veranderen, vernieuwen, verbeteren en daardoor heel veel de facto te verslechteren of te vernietigen. Niet in naam van koopkracht en welvaart aan jezelf voorbij te hollen, maar jezelf te zijn, jezelf te blijven en jezelf te ontplooien, ook al is je koopkracht daardoor veel lager dan die zou kunnen zijn. Het gaat erom de natuur niet te zien als grondstof voor mogelijke productie, maar als iets wat waarde op zichzelf heeft en met rust moet worden gelaten, zichzelf moet kunnen zijn en blijven. De mens niet als heerser over de wereld te zien, die deze inricht zoals het voor hem het gemakkelijkst is en zijn begeertes het meest dient, maar als herder, die de dingen in hun eigenheid respecteert. Geen voortdurende economische groei, maar de economie van het genoeg. Geen amusementspark, maar de weg ‘naar binnen’. Enzovoort.

Hoe moet dit allemaal bewerkstelligd worden? Uiteindelijk door een ‘bewustzijnsverandering’. De mens moet zich bewust worden van zijn vervreemding van de natuur om hem heen en van zijn eigen natuur en zijn leven – en de maatschappij veranderen. Het belangrijkste instrument om die bewustzijnsverandering te bewerkstelligen is de staat, die nationaal, maar liever nog inter- of supranationaal, via wetgeving en onderwijs, markt en technologie moet temmen en een betere maatschappij moet bewerkstelligen.

—————

Wat van dit alles te denken? Men kan de Romantiek onmogelijk geheel en al afwijzen. Alleen wie stekeblind is, kan anno nu nog de romantische kritiek in de wind slaan en vasthouden aan de gedachte dat de markt en de technologie een oplossing bieden voor álle problemen.

Maar hoe zit het met het romantische alternatief voor de Verlichting? Met haar eigen ideaal van de authenticiteit, eigenheid, oorspronkelijkheid? Met ‘terug naar de natuur’? Dat ideaal is zo mogelijk nog problematischer dan de verlichtingsidealen, althans als men het echt au sérieux zou nemen. Ik bedoel niet een gezonde voeding en dito levensstijl. Ik bedoel ook niet meer ‘groen’, meer frisse lucht, een eenvoudiger, soberder levensstijl en dito eten, dat minder of geen gebruik maakt van allerlei kunstmatige toevoegingen en producten, en dergelijke. Dat lijkt me allemaal zeer aan te raden.

Veel verder kan men echter niet gaan. Ook al zou het leven misschien per saldo beter zijn zonder auto’s en computers, men kan ze toch moeilijk verbieden en à la Pol Pot iedereen het land op jagen om weer zelfvoorzienend keuterboer te worden; weer op hout te gaan stoken met z’n allen; geen moderne medicijnen meer te gebruiken. Dankzij de markt en de technologie omvat de wereldbevolking inmiddels acht miljard mensen. Terug naar de natuur zou voor het overgrote deel daarvan een snelle dood betekenen.

Verlichting en Romantiek zijn het nieuwe geloof geworden. Met dit verschil dat het moderne geloof niet beseft een geloof te zijn

De strijd tussen Verlichting en Romantiek op het terrein van natuur en milieu is soms hard. Toch zijn de tegenstellingen hier overbrugbaar. Veel verlichtingsadepten hebben zich aspecten van de romantische visie ten dele eigen gemaakt en andersom. De ondernemer eet biologische yoghurt; de biologische boer gebruikt de modernste industriële machines. De verschillen op dit terrein zijn dan ook veeleer gradueel dan principieel. Dat is echter niet het geval waar het de mens zelf en zijn levensdoel betreft. Hier staan de twee mensbeelden radicaal en onverzoenlijk tegenover elkaar. En het is hier dat zich de problematische aard van de Romantiek werkelijk openbaart.

Voor de Verlichting is de mens homo economicus, gedreven door zijn begeertes en daarin onveranderbaar. De Romantiek erkent dat dit feitelijk vaak het geval is, maar meent dat de mens niet zo hoeft en behoort te zijn. Waar het om gaat in het leven is jezelf te leren kennen, jezelf te blijven en jezelf te ontplooien. Dat is vrijheid. Hoogste gebod – voor elk mens gelijkelijk – is, anders gezegd, de eigen authenticiteit of, zoals het ook wel genoemd wordt, individualiteit. Iedereen weet hoe invloedrijk dit ideaal tegenwoordig in het Westen is. Vrijwel ieder kind groeit er op met de gedachte dat zijn individualiteit het kostbaarste is wat hij heeft. Het is het radicaalste individualisme ooit. Het zegt niet, zoals het oudere individualisme van de Verlichting, dat elke mens zoveel mogelijk zelf moet kiezen, maar dat elke mens alleen moet kiezen wat bij zijn eigen, unieke Ik past.

Dat is krankzinnig. Het brengt de mens op een volstrekt verkeerd spoor, op zoek naar een niet bestaande entiteit: zijn unieke, eigenlijke, diepe Ik. Het leidt onder andere tot eindeloze navelstaarderij, onophoudelijke innerlijke twijfel, besluiteloosheid en inertie. De focus op en opgeslotenheid in zichzelf maakt tevens dat men niet meer in staat is van anderen te leren hoe het leven geleefd moet worden. Met vele, vele overbodige fouten en gemankeerde levens als gevolg. Maar het meest van alles leidt het authenticiteitsideaal tot een grenzeloos egoïsme. Als het hoogste gebod is jezelf te zijn, is aanpassing aan anderen, rekening houden met anderen uit den boze. Vandaar de veelgehoorde adagia: ‘Iedereen accepteert me maar zoals ik ben’ en ‘Ik moet bovenal trouw blijven aan mezelf’, beide vooral gebruikt om asociale en egoïstische beslissingen te rechtvaardigen.

Het publieke, politieke en wetenschappelijke debat anno nu in Europa – en in de VS – speelt zich sedert de jaren negentig van de vorige eeuw vrijwel volledig, maar al een paar decennia langer grotendeels af binnen de kaders van Verlichting en Romantiek. Het verlichtingsdenken wordt grosso modo als ‘rechts’ gezien, het romantische denken als ‘links’, maar tezamen maken ze uit wat wel de ‘mainstream’ wordt genoemd.

—————

Sinds een aantal jaren worden de mainstream-opvattingen door steeds meer mensen bekritiseerd. In naam van grenzen, in naam van ‘het volk’, in naam van ‘de natie’. De schrik bij de mainstream is groot, vooral omdat men het niet goed weet te plaatsen. In het mainstream-discours zijn de enige relevante grootheden het individu en het universele, het allerindividueelste Ik en de algemeenheid, de wereld als geheel – en de Europese vereniging als opmaat daartoe. Nu komen er opeens meer en meer mensen naar voren die zich beroepen op een tussencategorie – het volk, de natie – en die stellen dat de politieke besluitvorming op nationaal niveau moet blijven en het eigen volk daarin éérst zou moeten komen. Dit past volstrekt niet in het heersende denken en roept bij velen associaties op met een eerdere vorm van – agressief-expansief – nationalisme. Dat is onterecht, want de huidige vorm is agressief noch expansief, maar juist defensief. Bovendien was voor de eerdere vorm van nationalisme het ras waartoe men behoorde bepalend, voor de huidige vorm is dat de cultuur: waarden, zeden en gebruiken. Dat zijn wezenlijke verschillen. Wie die in de wind slaat, toont zich een ignoramus.

Dit neonationalisme heeft ook zijn wortels in de Romantiek. Het is dezelfde roep om authenticiteit, om het jezelf kunnen zijn, als die welke centraal staat in het ‘linkse’ politieke en maatschappelijke discours, maar nu toegepast op de nationale gemeenschap in plaats van op het individu. Het is hier niet het individuele Ik dat de morele opdracht en het recht heeft zichzelf te zijn, maar het gemeenschappelijke Wij dat de opdracht en het recht heeft authentiek en eigen te blijven. Daarmee grijpt het terug op een aspect van de Romantiek – nationale eigenheid – dat even oorspronkelijk is als de notie van individuele eigenheid.

Wie kan ontkennen dat beide eigenheden bestaan – zolang men er althans niets dieps en unieks in zoekt? Bestaat dé Nederlander? Niet als je Piet, Jan en Willem-Alexander naast elkaar zet. Ze zijn allemaal anders. Maar wel als je Nederlanders vergelijkt met Duitsers, Polen of Amerikanen. De onderlinge culturele overeenkomsten en de culturele verschillen met mensen uit andere landen zijn groot en onmiskenbaar.

Dat de mainstream het neonationalisme niet goed kan plaatsen en dus eigenlijk niet begrijpt, komt vooral doordat dit nationalisme uitgaat van een begrip dat traditioneel ten grondslag lag aan elke analyse van politiek en maatschappij, maar vrijwel volledig uit het moderne bewustzijn is gebannen: het begrip gemeenschap. Voor de moderne individualistische mens betekent het weinig tot niets. Als het al associaties oproept, dan zijn het vooral negatieve, van onderdrukte individualiteit en ‘uitsluiting’. Voor de moderne mens – links en rechts – bestaat de maatschappij uit markt en staat. Of men wil het overlaten aan de markt – rechts –, of de staat moet het regelen – links.

Ambrogio Lorenzetti, Allegorie van goed bestuur: Matigheid, detail, 1337-1343 © DeAgostini/Getty Images
—————

Die dichotomie geeft blijkt van een ernstige blinde vlek. Want er is wel degelijk een derde gegeven: de gemeenschap. Sterker, de maatschappij is altijd in eerste en hoogste instantie een gemeenschap geweest. Markt en staat zijn ontstaan als hulpsystemen, ten dienste van de gemeenschap. Geleidelijk aan, maar na de Tweede Wereldoorlog in steeds sneller tempo, zijn markt en staat de plaats gaan innemen van de gemeenschap en hebben haar steeds meer vermorzeld. In het Westen bestaat ze nu slechts nog rudimentair op het platteland. In de steden en verstedelijkte gebieden leven vrijwel alleen geïndividualiseerde mensen, wier leven grotendeels wordt georganiseerd door markt en staat. Van een substantiële gemeenschap maken ze niet of nauwelijks meer deel uit. Zelfs gezinnen en families – de meest oorspronkelijke en biologisch gewortelde van alle gemeenschappen – worden steeds losser en hebben veel van hun oorspronkelijke cohesie verloren.

Het verschil tussen gemeenschap, markt en staat is analytisch eenduidig. In een gemeenschap heersen de waarden en normen die in familie en gezin (horen te) heersen: die van eensgezindheid en wederzijdse bijstand om niet. Op de markt heersen eigenbelang en geld, in de staat gelden regels die van bovenaf worden opgelegd en onder dreiging met geweld worden afgedwongen. In de alledaagse werkelijkheid bestaan uiteraard allerlei tussenvormen, maar ook in de praktijk zijn de verschillen duidelijk te herkennen.

Markt en staat zijn in elke ontwikkelde maatschappij onmisbaar, maar dat wil niet zeggen dat ze het alfa en omega van de maatschappij zijn. De mens is een sociaal dier, een roedeldier, dat alleen in geborgenheid gelukkig kan zijn. Geborgenheid is een belangrijk begrip, waar de moderne mens weinig raad mee weet. Het past niet in zijn wereldbeeld. Toch is het iets wat de mens – ook de moderne mens – ten diepste verlangt en nodig heeft. Die geborgenheid geeft staat noch markt hem, maar alleen het lidmaatschap van een of meerdere substantiële gemeenschappen. De voornaamste gemeenschappen in het menselijk leven zijn gezin en familie. Dat is waarop men in laatste instantie terugvalt. Wie geen gezin en familie heeft en volledig is aangewezen op staat, markt of vrienden heeft per definitie een wankele basis. Daarnaast zijn er echter ook andere gemeenschappen die het individu geborgenheid geven. In de eerste plaats het – ouderwetse – dorp en de – ouderwetse – stadsbuurt. Maar bijvoorbeeld ook een – ouderwets – kerkgenootschap en het – ouderwetse – verenigingsleven: ik bedoel de verenigingen waarvan het ledenbestand stabiel is en de leden elkaar goed kennen.

Daaroverheen, alle andere gemeenschappen in zich bergend, ligt weer, sedert de late achttiende en vroege negentiende eeuw, als een beschermende laag de nationale gemeenschap. De eenheid van volk en vaderland, waarin de volksgenoten geen losstaande individuen zijn, maar in zekere zin familieleden, die elkaar hulp en bijstand om niet zijn verschuldigd, omdat ze (vinden dat ze) bij elkaar horen en deel uitmaken van dezelfde stam. Dat gevoel heet patriottisme.

‘Inclusiviteit’ is een utopisch begrip, dat in de praktijk alleen maar gemeenschappen kapotmaakt, zonder dat het de uitsluiting wegneemt

Alle gemeenschappen die bestaan, functioneren bij de gratie van een gevoel van saamhorigheid. Die kan alleen bestaan als de leden van de gemeenschap zaken delen die een emotionele band scheppen: een bloedband, een geloof, een taal, zeden en gewoonten, waarden en normen. Dat leidt ertoe dat mensen oordelen: ‘Wij horen bij elkaar.’ Daaruit ontstaan gevoelens van camaraderie, wederzijdse loyaliteit en verplichting tot hulp en bijstand. Wie het zonder moet doen, houdt alleen het kille, zakelijke marktmechanisme over en de even kille en zakelijke staat om op terug te vallen. ‘Wehe dem der keine Heimat hat!’ schrijft Nietzsche ergens.

De keerzijde van elk gemeenschapsgevoel is ‘uitsluiting’. Een gemeenschap is ondenkbaar zonder de tweedeling insider-outsider, wij-zij. Voor veel moderne mensen is dit dé reden om tegen gemeenschappen te zijn, gemakshalve vergetend dat ook de markt en de staat op hun manier uitsluiten: wie de prijs niet kan betalen respectievelijk niet aan de regels voldoet, wordt uitgesloten. Uitsluiting is alomtegenwoordig en is niet weg te nemen. ‘Inclusiviteit’ is een utopisch begrip, dat in de praktijk alleen maar gemeenschappen kapotmaakt, zonder dat het de uitsluiting wegneemt.

Voor de waarde van gemeenschap en het belang van gemeenschapsgevoel bestaat bij de mainstream anno nu geen begrip meer. En dus ook niet voor de waarde van de nationale gemeenschap. Het is de grote verdienste van de neonationalisten dat dit begrip weer in het publieke discours is ingebracht. Maar zij zijn – trouw aan hun romantische wortels – wel erg exclusief gericht op de nationale gemeenschap. Over het belang van de overige gemeenschappen hoort men weinig. Dat geldt zowel voor de gemeenschappen kleiner dan de nationale staat – gezin en familie, dorpen, wijken, verenigingen et cetera – als voor de gemeenschap die alle Europese landen omvat.

Ik heb het niet over de Europese Unie (EU) en de ‘waardengemeenschap’ die deze zegt te representeren. Dat zijn de waarden van de Verlichting en de individualistische Romantiek. Ik heb het over het Europa dat een talloze eeuwen oude erfenis van antieken en christendom deelt, het Europa van de grote Europese Traditie. Dat was overigens ook het Europa van de drie katholieken Schumann, De Gaspari en Adenauer, de grondleggers van de Europese Unie. Voor hen stond de Europese Gemeenschap voor een terugkeer naar de grote Europese Traditie, die alle Europese naties en nationaliteiten overkoepelend verenigde, niettegenstaande de nationale verschillen. Dat was kort na de Tweede Wereldoorlog. In de tussentijd is het erfgoed van antieken en christendom zo goed als weggevaagd. Het oude Europa is op sterven na dood.

Alles wat is overgebleven zijn romantici van verschillende signatuur en verlichtingsadepten. De keuze is daarmee gereduceerd tot een tussen die twee visies. Dat is een keuze tussen twee weinig vrolijk stemmende alternatieven. Nog afgezien van de mogelijkheid van het opleven van oude animositeiten als de nationaliteitskaart te veel wordt gespeeld, kan Europa – en het Westen in het algemeen – in een antiwesterse wereld alleen overleven als het niet door het nationalisme te veel verbrokkelt. Anderzijds is geregeerd te worden door een verre Brusselse bureaucratie die met de zweep van de markt en de stok van de centrale regulering overal het verlichtingsperspectief oplegt, en aldus lokale, regionale en nationale gewoontes en tradities en daarmee gemeenschappen de nek omdraait, ook geen aantrekkelijk perspectief. De troosteloze, smakeloze eenvormigheid van de VS is het voorland van Europa als de Brusselse bureaucratie de kans krijgt alle Europese landen verder gelijk te schakelen.

—————

De magie van Verlichting en Romantiek begint na twee eeuwen langzamerhand uitgewerkt te raken. Toen ze jong waren, leken ze op schone prinsessen, die de grootste geneugten in petto hadden als men hen de zijne kon maken. Maar nu ze oud zijn, is hun schoonheid verloren gegaan en blijken het in veel opzichten boze heksen te zijn, die de mensheid met hun verlokkingen in de val hebben laten lopen. Verlokkingen die zo’n onweerstaanbare aantrekkingskracht uitoefenden, omdat het de dingen betreft die de mens vanaf het begin het meest van alles begeerde en nog altijd begeert: vrijheid en gelijkheid. Zelf meester te zijn en geen meester boven je te hebben. Ni Dieu, ni maître. Tekenend genoeg is die begeerte volgens de Europese Traditie dé oerzonde. Daaraan ziet men hoezeer de moderniteit de antithese is van de Traditie. Het is de wereld op zijn kop gezet.

Een paar eeuwen nu bestaat het geloof in vrijheid en gelijkheid en steeds meer mensen hebben zich ertoe bekeerd. Als de vrijheid en gelijkheid eenmaal zouden zijn verwerkelijkt, dan zou de mens gelukkig zijn. Dat wat altijd in het hiernamaals was geprojecteerd, zou dan daadwerkelijk op aarde verwerkelijkt zijn: de hemel. Maar iedere keer als er weer een stap op de ladder wordt genomen, blijkt het geluk toch niet nader in het verschiet te liggen. Hoe is dat mogelijk? Het antwoord moet voor de gelovigen wel zijn dat de vrijheid en gelijkheid toch nog niet volledig verwerkelijkt zijn. Steeds als een vrijheid of gelijkheid is bereikt, blijkt er een dieper liggende onvrijheid of ongelijkheid te zijn die ook moet worden opgeheven. En zo komt het dat beide begrippen in de loop van de tijd steeds radicaler en omvattender zijn uitgelegd. Wat begon als de vrijheid van religie werd in de loop van de tijd een steeds uitgebreidere lijst van vrijheden; wat begon als gelijkheid voor de wet, muteerde na enige tijd in de gelijkheid van kansen, die weer aan het veranderen is in gelijkheid van natuur en uitkomst.

Tocqueville heeft er al in de negentiende eeuw op gewezen dat de twee idealen, als men ze maar ver genoeg oprekt, niet te combineren zijn. De vrijheidsdrang leidt in laatste instantie tot anarchie, de gelijkheidsdrang tot een centralistische tirannie. Iemand moet immers iedereen gelijk maken en houden. De twee idealen zijn dus inherent tegenstrijdig. Naarmate ze meer en meer worden opgerekt, moet er meer en meer worden gekozen. Wat kiest de moderne mens dan? Tocqueville meende dat die een liefhebber is van vrijheid, maar toch de gelijkheid nog veel meer bemint. Waar de twee haaks op elkaar staan, kiest de moderne mens volgens hem de gelijkheid ten koste van de vrijheid. Dat is precies wat er sedert een aantal decennia aan het gebeuren is. De gelijkheid – non-discriminatie – wordt ruimer en ruimer geïnterpreteerd, waardoor de vrijheid – van meningsuiting, van contract, van vereniging en vergadering, van religie et cetera – meer en meer afneemt. Aan het eind van die ontwikkeling staat onvermijdelijk de gecentraliseerde tirannie. Dat is geen aantrekkelijk perspectief. Een tirannie blijft een tirannie, ook al is die ingesteld met de beste bedoelingen. Ook de Sovjet-Unie en de ddr zijn ooit met de beste bedoelingen opgericht om het ideaal van de gelijkheid te verwerkelijken.

—————

De geschiedenis zou zich heel wel kunnen herhalen. Ook de ultieme vrijheid – anarchie – ten koste van de gelijkheid is echter geen prettig vooruitzicht. Dan heerst in feite het recht van de sterkste. De mens valt terug in wat Hobbes ooit ‘de natuurlijke toestand van de mens’ heeft genoemd en die hij dichterlijk omschreef als ‘een oorlog van allen tegen allen’, waarin het leven van de mens ‘eenzaam, armoedig, akelig, beestachtig en kort’ is. Dit is de uiterste consequentie van de vrijheid.

Maar lang daarvoor al zijn de schaduwzijden van de vrijheid te ontwaren voor wie het wil zien. Overal waar onvoldoende gezag en macht zijn om wet en orde te handhaven, steken chaos en anarchie de kop op. In het gezin, in de klas, in een organisatie, in de staat. Vrijheid kan strikt genomen het ideaal niet zijn. Alleen vrijheid én orde – wat de Angelsaksen ordered liberty noemen – is wenselijk.

Maar zelfs de waarde van ordered liberty wordt overschat. Natuurlijk, niemand wil slaaf zijn. In die zin is ze een basisgoed. Maar meer dan dat is ze niet. Vrijheid is een voorwaarde, geen doel. Wie op zijn twintigste het ouderlijk huis verlaat, geniet de eerste tijd van zijn vrijheid. Maar al snel vraagt hij zich af wat ermee te doen. Beslissingen zijn gewenst. Trouwen, kinderen, een baan, een huis kopen et cetera. Elke beslissing vermindert de vrijheid. En vergroot, als men verstandig gekozen heeft, het levensgeluk. Geluk is alleen weggelegd voor wie in staat en bereid is zijn vrijheid op te geven. Het gaat in het leven om heel andere zaken dan vrijheid. Of gelijkheid. Zoals wat? Het voornaamste is een goed mens trachten te zijn. Dat is wat de grote Europese Traditie altijd heeft verkondigd.

Nu de magie van Verlichting en Romantiek langzaam maar zeker is uitgewerkt, is de tijd rijp ons die Traditie weer toe te wenden. Misschien – wie weet – waren onze verre voorouders toch niet zo onwetend, bevooroordeeld en bijgelovig als ons sinds twee eeuwen wordt voorgehouden.

Zeker, de tijd is niet terug te draaien. Maar de tijd staat evenmin stil. Iedere generatie weer denkt aan het eind van de geschiedenis te zijn beland. Vanaf nu zal er niets wezenlijks meer veranderen, is het natuurlijke idee. Maar wie de geschiedenis kent, weet dat landen en grenzen, culturen en beschavingen net zo goed aan voortdurende veranderingen, aan ontstaan en vergaan onderhevig zijn als elke individuele mens. Alleen gaat het doorgaans – maar niet altijd – wat langzamer dan bij het individu. Zeker is dat de wereld er over honderd jaar, over vijftig jaar, ja zelfs over twintig jaar flink anders uit zal zien. Hopelijk is de verandering ten goede, maar een verandering ten kwade is ook heel wel mogelijk. Duidelijk is dat het recept van vrijheid en gelijkheid, dat velen lang een panacee leek, toch geen wondermiddel is. Sterker nog, steeds duidelijker wordt dat veel van onze problemen ontspruiten aan vrijheids- en gelijkheidsfundamentalisme. We hebben behoefte aan een andere diagnose en een ander medicijn. Me dunkt dat we in de zoektocht veel kunnen leren van de oude Europese Traditie.


Dit is een ingekorte versie van een deel van het voorwoord uit De onzichtbare Maat: De archeologie van goed en kwaad van Andreas Kinneging dat 14 februari verschijnt (Prometheus, 640 blz., € 27,50). Prof. dr. Andreas Kinneging is hoogleraar rechtsfilosofie aan de Universiteit Leiden. Voor Geografie van goed en kwaad kreeg hij de Socrates Wisselbeker voor het beste filosofieboek van 2006