INTERNETPOKEREN

De onzichtbare Otterkopf

Het leven van een internetpokeraar voltrekt zich aan de rand van de dag, als Nederland slaapt en Amerika wakker wordt. Pas in Las Vegas, Nevada, kijken de pokeraars elkaar recht in de ogen.

ELKE VRIENDENGROEP heeft haar eigen mythologie. Het meest legendarische verhaal onder de vrienden van Tim Modderman is waarschijnlijk ‘Tims treinongeluk’. Het gaat als volgt: na een avond stappen in Utrecht moeten Tim en zijn vrienden de vroege intercity naar Alkmaar hebben. Er zijn nog een paar minuten voordat de trein vertrekt, als Tim bedenkt dat hij een Swirl wil. Zijn vrienden gaan alvast de trein in. Een halve minuut voor het vertreksignaal sprint Tim, mét Swirl, het perron op en springt de trein in – de verkeerde trein. Een kwartier later belt hij zijn vrienden met de vraag of zij ook het idee hebben dat de trein de verkeerde kant op rijdt. Lachen man, je had erbij moeten zijn.
Waarschijnlijk zijn er wel sterkere verhalen te bedenken, maar jongens onder elkaar memoreren liever elkaars blunders en blauwtjes dan elkaars successen. En die zijn er wel degelijk. Vorig jaar bijvoorbeeld, toen Tim tijdens een groot pokertoernooi in Holland Casino even hoi kwam zeggen tegen een paar vrienden. Toen hij weer wegliep, draaiden de andere pokeraars aan de tafel zich naar de vrienden toe en vroegen: ‘Is dat niet Otterkopf? Die gast is een fenomeen!’
Fenomeen Tim (24) is, onder de internetalias Otterkopf, een van de bestverdienende online pokerspelers in Nederland. De bekendste speler is hij niet; jongens als Marcel Luske, Noah Boeken en Rolf Slotboom zie je vaker op tv, ze schuiven aan bij programma’s als De wereld draait door, liften handig mee op de populariteit van het spel. Zij spelen no limit Texas Hold ’em-poker, een variant waarbij al het geld in één hand verspeeld kan worden. Het is de glamourvariant: in Ian Flemings Casino Royale speelt James Bond nog baccarat, in de verfilming ervan uit 2006 speelt hij ineens Texas Hold ’em. Zelf speelt Tim met limit – minder spectaculair. Niettemin zat hij vorig jaar in de Nederlandse selectie op het landentoernooi in Cardiff.
Hoeveel hij precies verdiend heeft, zegt hij liever niet. Behalve dat Tim bescheiden genoeg is er niet over op te scheppen, is de belastingwetgeving over internetwinsten behaald op buitenlandse websites, nog vaag. Het vorige kabinet was met wetgeving bezig, maar viel voordat er iets concreets kon worden afgesproken. Maar bij elkaar is het genoeg om er een riante Mercedes van te kopen. Of een paar riante Mercedessen.

Medium vegas

Begin juli is Tim met vrienden in Las Vegas. Je zou het bijna over het hoofd zien, maar wanneer het vliegtuig begint te dalen, valt pas op dat Las Vegas ook daadwerkelijk een stad is en niet alleen een attractiepark voor volwassenen. Eindeloze hoeveelheden uniforme suburbs rijzen op uit de woestijn. Per jaar komen er vijftigduizend inwoners bij, vooral gepensioneerden die het droge klimaat opzoeken, waarmee het de snelst groeiende stad van de Verenigde Staten is. Als het vliegtuig eenmaal geland is, op een steenworp afstand van de Strip, de helverlichte boulevard waar alle hotels en casino’s zich bevinden, is het idee van een gemeenschap, van scholen en bejaardentehuizen, evenwel moeilijk voor te stellen. De verhouding inwoner-toerist is 1 op 22. Al in de aankomsthal van het vliegveld staan de gokkasten opgesteld en schreeuwen de reclameborden – Cher! Elton John! The Police! – je het geld uit je broekzakken. De casino’s zelf zijn zo desoriënterend ingericht dat je nooit precies weet waar de uitgang is. Hoe langer je binnen blijft, hoe meer je uitgeeft. In alle winkelcentra aan de Strip is één boekwinkel te vinden, ter grootte van een studentenkamer, weggestopt in een uithoek van een enorme Fashion Mall. In de gang naast de boekwinkel: drie salons waar je je zonder afspraak kunt laten botoxen.
Dezer dagen is de woestijnstad in de greep van de World Series of Poker, een serie toernooien die tezamen gezien worden als het wereldkampioenschap poker. Dat klinkt altijd zo cliché: ‘de stad is in de greep van’, alsof alle koks en schoonmakers niets anders aan hun hoofd hebben, maar voor de gokkers gaat het wel degelijk op. Bijna tienduizend mensen hebben zich opgegeven voor het Main Event, het hoofdtoernooi van de World Series, en die hebben per persoon tienduizend dollar entreegeld betaald. De uiteindelijke winnaar krijgt een slordige tien miljoen dollar en de garantie dat hij in geen casino ter wereld onopgemerkt kan rondlopen. Dit jaar won de Groninger Rob Hollink een van de kleinere toernooien, ter waarde van een half miljoen dollar.
Tim is niet jaloers. Het is geen toeval dat hij hier is, de beste pokerspelers ter wereld lopen er nu rond, maar met zulke deelnemersaantallen zijn de toernooien eerder een loterij dan een vaardigheidsspel. Bovendien druipen de spelers die zijn uitgeschakeld vanzelf af naar de betere casino’s, zoals de Bellagio, waar Tim speelt.
Een variatie op het incident van vorig jaar in Holland Casino herhaalt zich hier. Een man meldt zich bij Tims buurman, Mike Schneider, een bekende pokeraar: ‘Heb je Otterkopf hier ergens gezien?’
Schneider lacht minzaam: ‘Ik heb gehoord dat hij hier ergens in de buurt is.’
‘Oké. Ik heb gehoord dat hij een behoorlijk lange gozer is.’
Tim staat op. ‘Is dit lang genoeg?’
Kleine wereld. Maar tijdens de World Series bevindt iedereen zich in Vegas. Op twintig meter van Tim, in Bobby’s Room, een kabinet waar de hoogste limieten worden gespeeld, zit Gus Hansen. De Deen is een van de populairste spelers op het circuit; hij bluft veel. Vorig jaar kwam hij tijdens het Main Event een half uur te laat de zaal binnenstormen, terwijl hij haastig zijn shirt dichtknoopte. Volgens geruchten had hij zich net losgemaakt uit de armen van een tv-presentatrice, ergens in een bezemkast. Andere geruchten gingen over een stripper in een lift. Hansen heeft gemillimeterd haar en flaporen; People Magazine heeft hem al tweemaal bij de ‘50 Sexiest Men Alive’ geschaard.

Het is niet zo dat Tim zijn opleiding niet interessant vond, het was meer dat andere zaken prioriteit kregen. Zo begon Tim met het computerspel Diablo, een role playing game, waarin de speler een paladijn of tovenaar speelt en het tegen andere gamers opneemt. Een ranglijst houdt bij welke van de tienduizenden spelers wereldwijd het sterkste karakter weet te creëren. Tims druïde haalde de tweede plek.
Zoiets kost tijd en Tim woonde toentertijd nog thuis, in Wogmeer, een lint boerderijen ergens tussen Hoorn en Heerhugowaard. De computer stond op een vide boven de woonkamer, waar het gedreun van de muis op het bureau een constante werd. Vader en moeder Modderman waren niet gelukkig met de ontwikkelingen. Tim beloofde meer aan zijn studie te doen en minder te computeren.
Maar toen kwam Unreal, een online schietspel. Samen met zijn vrienden – nu zijn huisgenoten – zette Tim een ‘clan’ op, een club van Unreal-spelers die onder dezelfde naam, de ‘Sleeves’, wedstrijden tegen andere clans ging spelen. De Sleeves groeiden uit tot een van de beste clubs van Nederland. Dus daar zat Tim weer. Achter de computer, urenlang. Zijn ouders zetten hem op rantsoen; hij mocht nog maar een paar uur per dag spelen. Meer gesprekken volgden: Tim had zijn studie economie al in het propedeusejaar opgegeven, zijn studie psychologie vorderde ook niet conform de richtlijnen van de VU. Dat was vijf jaar geleden; inmiddels heeft hij de helft van het curriculum afgerond. Hij verwacht nog steeds eens af te studeren.
Poker kwam toevallig voorbij. Een paar vrienden hadden de film Rounders gezien, waarin een jonge Matt Damon in het grimmige New Yorkse pokercircuit van Edward Norton en John Malkovich belandde. Het spel werd het vaste tijdverdrijf van Tims vriendengroep. Na Diablo en Unreal was het een logische stap dat ook poker uiteindelijk op de computer werd opgezocht. Het instapniveau was laag; vijf tot tien cent per kaart, en dat liep op. Eén dollar, twee dollar. Inmiddels speelt hij op limieten van drie- tot zeshonderd dollar.

Wie een aantal uur aan een tafel zit merkt vanzelf de verdovende werking van het spel. In zijn roman Falling Man (2007) beschrijft Don DeLillo poker als het ultieme escapisme; na de aanslagen van 11 september zoekt een overlever naar iets dat mind numbing is, het geratel van de vallende chips, de rituelen van dealer en spelers, de onophoudelijke herhaling van alles. Zo ook in de Bellagio. Na een tijdje erger je je niet meer aan de instabiele stoeltjes, de wiebelende tafelgenoten, de tochtstroom van de airco en de rinkelende gokautomaten op de achtergrond. Gedachten blijven weg. De combinatie van het hoogpolige tapijt in het casino en de elektronische gokkasten zorgen ervoor dat je vingers constant statisch geladen zijn, maar dat is zo’n beetje de enige sensatie die je overhoudt.
In de praktijk verdwijnt die zelfs, want de duizenden online spelers – de grootste Nederlandse pokersite telt meer dan twintigduizend leden; zo’n vijf procent van hen maakt winst – spelen thuis, achter hun computer. Het Global Betting and Gaming Consultant Bureau voorspelde dat de online gokindustrie in West-Europa tegen 2012 een omzet van 24 miljard dollar zal draaien, tegenover 16 miljard vorig jaar.
De pokerhype van de laatste paar jaar ontkiemde bij het Main Event van 2003, toen een amateur, accountant Chris Moneymaker (geen alias!), de hoofdprijs won. Voor het eerst waren er kleine camera’s geïnstalleerd die de kaarten van de spelers filmden. Ineens was poker een spectator sport geworden. Nu kregen, mede dankzij Moneymaker, ook amateurs het gevoel dat ze voor het grote geld mee konden doen.
Het gevolg is dat de romantiek die van oudsher aan poker kleeft – rokerige zaaltjes vol mannenmannen waar eruit gebluft worden de ultieme vernedering is – uitsterft: vandaag de dag wordt het spel gespeeld door vlotte jongens op websites van internetcasino’s. Een pokerface is geen vereiste meer, enig benul van statistiek des te meer. Elke kaartencombinatie levert een x aantal winstmogelijkheden op en door handig hoofdrekenen kan het risico op verlies op de lange termijn aanzienlijk gereduceerd worden.
Tims pokercarrière speelt zich vooral af op zijn studentenkamer aan de Nieuwendijk in Amsterdam, boven een toeristenwinkeltje waar ze waterpijpen in alle kleuren verkopen. Op zijn bureau staan twee 21 inch beeldschermen, plus een laptop. De kamer is bezaaid met tasjes uit allerlei winkels. Op de grond staan, netjes geordend op kleur en model, meer dan een dozijn schoenen, glimmende, trendy modellen van Dolce & Gabbana en Yves Saint Laurent. Voor het raam hangen overhemden te drogen, waardoor er niet veel licht binnenkomt. Boven zijn bed hangt een immens schilderij van Michael Jackson. Het is een cartoon, in fletse kleuren geschilderd. Uit Jacksons mond komt een ballonnetje met de tekst ‘Watskeburt?’
Tim Modderman: ‘Hoe laat ik opsta, hangt af van hoe lang ik de nacht daarvoor gespeeld heb. Meestal tussen tien en één, dan zet ik mijn computer aan, ga ik douchen en ontbijten en dan bekijk ik hoe de tafels eruit zien op de pokersites. Hoe druk is het, zijn er wachtlijsten voor tafels, welke spelers zitten er? Ik gebruik een database, Pokertracker, die alles van elke speler bijhoudt. Hoeveel hij verhoogt, hoe vaak hij past, wat zijn winst of verlies is, en hoeveel ik van hem gewonnen heb. Ik speel ’s middags gemiddeld drie uur. Daarna ga ik de stad in, eten, en om een uur of half twaalf ga ik weer op de sites kijken. Tegen die tijd wordt Amerika wakker en komen er weer nieuwe spelers online. Per dag speel ik tussen de duizend en tweeduizend handen, kaartencombinaties.’
Tim stelt zichzelf bepaalde doelen om te voorkomen dat het saai wordt. ‘Je moet uitdagingen verzinnen; ik ben meer bezig met het vestigen van persoonlijke records, om een bepaalde winst te behalen in een maand, bijvoorbeeld.’ Die doelen zijn voor de lange termijn, maar het genot van het spelen – het winnen, het geld – vlakt af. Tim: ‘Als je net begint is het heel spannend. Inmiddels begint het steeds meer werk te worden en wordt je winst steeds abstracter. Tijdens het spelen denk ik niet aan geld. Dat helpt als je veel verliest, maar tegelijkertijd relativeert het het gevoel van winst ook.’
Op de laatste dag van de Vegas-reis besluit Tim een horloge te kopen. Zijn oog valt op een Zenith, een Zwitsers uurwerk van 23.000 dollar. Tim betaalt contant. De verkoopster – ‘Hi, my name is Sheryl, how can I help you?’ – doet er tien minuten over om de biljetten na te tellen. Een half uur later, in het winkelcentrum van Ceasar’s Palace, waar het plafond met de uren mee van kleur verandert, loopt hij een andere horlogewinkel binnen. Hetzelfde horloge ligt er voor 21.000 dollar. Zijn vrienden liggen dubbel, Tim zelf ook. Lachen man. Vanzelfsprekend wordt er niet geruild.