Het theater Dutroux

De onzichtbare waarheid

Het proces tegen «het gezicht van Het Kwaad», Marc Dutroux, is omgeven door massieve verontwaardiging. Stond het volk vroeger te juichen bij de galg op het dorpsplein, nu trommelt het via de media op de poorten van de rechtszaal — met of zonder hoop op waarheid.

Zijn advocaten voorspelden het al: Marc Dutroux zal, wat hij ook zal zeggen, niet worden geloofd. De publieke opinie heeft hem al veroordeeld: hij is een monster aan gene zijde van rede en waarheid. Commentatoren, onderzoeksjournalisten en advocaten van de slachtoffers bevestigden dit beeld door in alle toonaarden uit te wijden over ’s mans onwrikbare reputatie als chronische leugenaar en onverbeterlijke manipulator.

Het is een reputatie die vrijwel iedere bekende crimineel ten deel valt en dus weinig opzienbarend is. Daarbij is het, gezien de aard van de zaak en het criminele verleden van de verdachte, niet meer dan normaal dat Dutroux’ woorden binnen en buiten de rechtszaal stuiten op stevig wantrouwen. Maar de beslistheid waarmee zijn verklaringen op voorhand worden opgevat als een non-event is opmerkelijk en tekenend voor de sfeer waarin het proces-Dutroux zich voltrekt. Het staat vooral in schril contrast met wat we doorgaans zien bij megaprocessen, namelijk dat aller oren zijn gespitst op een verklaring van de verdachte. Al is het maar uit sensatiebeluste nieuwsgierigheid, of om de man achter de breed uitgemeten delicten door het stof te zien kruipen in al dan niet authentiek aandoende spijtbetuigingen.

Rond de rechtszaak van Volkert van der G. hebben we dit mechanisme op volle toeren in werking gezien. Toen de verdachte, gearresteerd na de moord op Pim Fortuyn, in de Bijlmerbajes in hongerstaking ging, veroorzaakte dat onmiddellijk grote consternatie. Een dode verdachte zou niet alleen zijn straf ontlopen maar zich bovendien niet meer hoeven te verantwoorden voor de rechter. Vooral dat laatste werd onacceptabel geacht; in politiek en samenleving heerste het gevoelen dat men recht had op een verantwoording, op inzicht in motieven of ten minste opheldering over een al dan niet gestoorde geest.

Niemand zal beweren dat in Aarlen niet aller ogen zijn gericht op de man achter het kogelvrije glas, maar de gevoelens zijn gemengd. «Wat Dutroux precies heeft bewogen, willen de meeste mensen niet eens weten. Hij is voor hen gewoon pervers, punt uit», zo signaleerde NRC Handelsblad tijdens de eerste week van het proces.

Zijn middagdutje in de rechtszaal haalt wereldwijd de voorpagina’s, maar in feite lijkt de man in de glazen kooi nog maar weinig te kunnen toevoegen aan zijn sinistere imago. Hij is al bijgezet in het griezelkabinet der onmensen en niemand lijkt er belang bij te hebben dat hij daar uitkomt, een aspect dat door zijn raadsheren gretig wordt aangegrepen.

In de aanloop van het proces zagen we hiervan een voorproefje: Dutroux mag dan al meervoudig zijn veroordeeld als de belichaming van het Kwaad, zijn raadsheren kaatsen de metafysische bal behendig terug door het kwaad te verdunnen tot een algemeen menselijk probleem. Aldus werd de zaak, toch al zwaar doorbuigend onder een loden last van emotionele en politieke gevoeligheid, op de valreep nog verankerd in het Menselijk Tekort. In de rechtszaal verscheen dezelfde strategie van «verdunning van het kwaad» in een juridisch jasje, minder hoogdravend maar met meer schokeffect: Dutroux zou niet alleen hebben gehandeld, en in hogere kringen heeft men belang bij versluiering van de waarheid.

Zo bezien is het mediacircus in Aarlen uitgerukt voor een proces waarvan zowel de verdachte als de rechtspraak zelf is omgeven door een mist van ongeloofwaardigheid. Hebben we hier te maken met een eenmalige mediahype, gevoed door een explosief amalgaam van gruwelijke delicten, een ruim zeven jaar voortstruikelend onderzoek en kwistig verspreide foto’s van een louche boeventronie? Of vormt de curieuze mix van feiten en beeldvorming een voorlopige culminatie van al langer voortsluipende ontwikkelingen? Het laatste lijkt het meest waarschijnlijk.

Dat bevolking en media zich verdringen rond het gerechtsgebouw is in een zaak als deze niet verbazingwekkend. Het ligt niet alleen in het verlengde van de heftige emoties die altijd opspelen rond zedenzaken — zeker wanneer er kinderen bij betrokken zijn — maar past ook binnen een al langer waarneembare trend van toenemende media belangstelling voor strafrechtszaken. Dat hoeft niet te verbazen in het licht van de huidige nadruk op veiligheid, normherstel en repressie. Waar ongemotiveerde werklozen, halfgeïntegreerde medelanders en spijbelende pubers al worden onderworpen aan een stevig normen-en-waarden-offensief is het niet verwonderlijk dat de crimineel, en vooral zijn bestraffing, op een levendige belangstelling mag rekenen.

In Nederland hebben we daarom de laatste jaren menig mediaspektakel kunnen aanschouwen rond drugsbaronnen of clickfondsen: megazaken die naast de zaak-Dutroux onschuldig aandoen maar desalniettemin de nodige filmploegen op de been brengen, met alle theatrale elementen van dien. De juridische details rond internationale drugskartels of handel met voorkennis gaan de tv-kijker al snel boven de pet, maar het strafrechtelijk wapengekletter in de rechtszaal, waar maffiabazen en hun geslepen advocaten de degens kruisen met de immer onvermurwbare aanklager, heeft een hoog glamourgehalte. Journaalbeelden van «de bunker», de speciaal voor megazaken toegeruste rechtbank in het grauwe Osdorp, zorgen voor een sfeervolle omlijsting van het geheel.

Het is de glans van succes, zij het in dubieuze zaken, maar toch. Rond de hoofdpersonen hangt al gauw een aureool van ondoorgrondelijke sluwheid, zwart geld en gevaarlijke charme. In dergelijke zaken wordt het vonnis weliswaar met enige spanning afgewacht — grote boef verdient grote straf — maar leidt het buiten de rechtszaal zelden tot veel opwinding. Het gaat om zaken waarvan de gewone man doorgaans niet veel te vrezen heeft. Hij kan wel bedenken dat de junk die zijn auto openbreekt een armoedige laatste schakel is in het machtige imperium van de drugsbaron, maar dat blijft een tamelijk abstracte gedachtesprong, niet te vergelijken met de angst en afkeer die moord, verkrachting en kindermisbruik oproepen.

In gewelds- en zedendelicten staan we oog in oog met wreedheden die de grenzen van het voorstelbare overschrijden en waarop een beheerste reactie vrijwel onmogelijk is. Een onheilszwangere dynamiek van intense walging en roep om vergelding is het gevolg. Deze emotionele hogedrukpan staat in schril contrast met de sfeer in de rechtszaal. Het volk heeft al geoordeeld en weet wat het wil: een hoge straf. In Aarlen horen we vooral de roep om «de waarheid boven tafel» — vergezeld door de wijdverbreide veronderstelling dat de Waarheid het laatste is wat in de rechtszaal boven tafel zal komen.

In de publieke opinie mogen schokkende feiten en onbeantwoorde vragen zich al hebben geconsolideerd tot robuuste overtuigingen, in de rechtszaal is het karwei nog maar net begonnen. Hier moet de schuld van de verdachte nog worden bewezen. Hier worden pijnlijke details nauwgezet langs de strafrechtelijke meetlat gelegd. Hier wordt het splijtend zwaard van het snelle oordeel verruild voor slaapverwekkende nuance. Al met al wordt hier — idealiter — ijverig gezocht naar een redelijk antwoord op destructieve krachten uit een universum jenseits van de rede. Met dit geduldig wikken en wegen, vervat in koele juridische termen, staat de rechtspraak per definitie in een gespannen verhouding tot het vrije spel van emoties, overtuigingen en cynisme dat in de samenleving ruim baan heeft.

Het werd ook in Aarlen na korte tijd duidelijk: de mondiale pers die hier haar tenten heeft opgeslagen is niet afgekomen op subtiele strafrechtelijke details en ingewikkelde nuanceringen. De procedurekwesties rond het installeren van de jury leidden eensgezind tot berichten in de trant van «uit Aarlen vandaag geen nieuws». Waar een beschouwing over achtergronden en implicaties van de juryrechtspraak voor de Nederlandse lezer toch zeker nieuwswaarde zou hebben, zagen we niet meer dan een wegdommelende Dutroux, elkaar voor de voeten lopende journalisten en de verzinsels waarmee tal van potentiële juryleden aan hun burgerplicht probeerden te ontkomen («dat wás ook slaapverwekkend», aldus Dutroux’ raadsman).

Zolang Dutroux of zijn gewiekste raads heren niet spreken, lijken de journalisten zich te vervelen (of te zwijgen uit angst hun lezers en kijkers te vervelen met minder spannende uitweidingen). Dit is de even voorbarige als paradoxale conclusie die zich na de eerste procesweek opdringt. De man die te boek staat als een pathologisch leugenaar en aartsmanipulator uit wiens mond we slechts nieuwe leugens kunnen verwachten, blijft ondanks alles het duistere middelpunt van alle aandacht. De bekentenissen over zijn ongelukkige jeugd («ik kreeg als kind geen ijsje omdat mijn moeder mij te dik vond») en over de maffianetwerken in hogere kringen in wier opdracht hij zou hebben gehandeld («zij zijn niet te pakken, hè») vormden gefundenes Fressen voor de meute kleumende verslag gevers die hun repeterende breuk over ’s mans ongeloofwaardigheid weer de ether in konden sturen.

Het wekt geen verbazing dat de media maar moeilijk overweg kunnen met Dutroux’ formele status als verdachte. De man wiens hoofd al op ontelbare foto’s en tv-beelden de wereld is rondgegaan, wenst in de rechtszaal niet te worden gefotografeerd. Het doet enigszins bizar aan, maar als verdachte heeft hij recht op bescherming van zijn privacy, en misschien zelfs wel recht om in slaap te vallen. Maar wie kan deze man nog zien als een gewone verdachte? Veelzeggend was de heftigheid waarmee zijn net-niet-spijtbetuiging de taalkundige alertheid van journalisten en commentatoren spontaan tot leven wekte: de inderdaad vlakke formulering «het is spijtig dat» in plaats van het authentieker klinkende «ik heb spijt van wat ik heb aangericht» werd pijlsnel geïnterpreteerd als een typische uiting van een psychopaat. Best mogelijk dat het waar is, maar met dit soort vlotte en goed bekkende interpretaties creëren de media eerder hun eigen nieuws dan dat ze verslag doen van het taaie onderzoek in de rechtszaal.

De wereldwijde aandacht voor «het proces van de eeuw» toont tot nu toe vooral een herleving van archaïsche emoties die van oudsher spelen rond het strafrecht. Het is de aloude roep om wraak en vergelding, die in vroeger tijden een rituele uitweg vond bij de galg op het dorpsplein, maar zich tegenwoordig rond de rechtszaal lijkt te centreren.

Sinds criminelen netjes worden opgeborgen in fris ogende gevangenissen, bij voorkeur aan de rand van desolate bedrijventerreinen, valt aan hun straf niet veel meer af te zien. Het stille lijden achter de tralies, niet alleen onzichtbaar maar ook redelijk onvoorstelbaar voor wie het niet uit ervaring kent, is al met al tamelijk abstract. De enige plek waar de uitoefening van het strafrecht nog zichtbaar is, is de rechtszaal. Mediagenieke advocaten hadden dit als eerste begrepen, inmid dels gevolgd door een leger van persofficieren die de juridische haarkloverij geduldig vertalen in voor de gewone man begrijpelijke taal.

Maar dit alles maakt van de rechtszaak nog geen opzwepend spektakel, wat de massaal uitgerukte media in Aarlen in een ongemakkelijke positie brengt. Slechts een fractie van de vele verhoren, aanklachten en pleidooien in het maanden durende proces levert pakkend nieuws op, zelfs bij dit «proces van de eeuw». Sommige programmamakers spelen hierop in door het emotiedrama, te weinig zichtbaar in de rechtszaal, op straat bijeen te garen.

Een curieus hoogtepunt hiervan vormt de SBS6-serie Omtrent Dutroux. In het luttele bestek van dertig minuten weet men werkelijk álle denkbare clichés op te duikelen door in het kielzog van een voormalige medegevangene van Dutroux op zoek te gaan naar het gesundes Volksempfinden in een vooral rustig ogend Aarlen. De ex-gedetineerde brandt los over de schandálig goede verzorging die Dutroux in het huis van bewaring zou genieten. «De man in de kroeg» vindt het proces maar onzin («ze kunnen hem beter laten lopen, dan schieten we hem zelf wel neer»). Een strafrechtgeleerde mag in anderhalve zin de waarde van de rechtsstaat verdedigen. Vader Dutroux ten slotte blijkt zich door middel van holistische zingeving te hebben verzoend met het onbegrijpelijke: het karma van de in de kelder vermoorde meisjes «was kennelijk op».

Dit staaltje onvervalste emotie-tv is een uitzondering, en wordt gecompenseerd door genuanceerde commentaren van strafrechtdeskundigen en andere geleerden. Maar het is tegelijkertijd de zoveelste illustratie van de gapende kloof tussen het rechtsgevoel van de man in de straat en het recht zoals dat in de rechtszaal wordt gezocht.

Of het mediacircus in Aarlen de rechtszaak extra onder druk zet, is moeilijk in te schatten. Het probleem ligt dieper: deze rechtszaak lijkt al op voorhand een mission impossible door de dubbeldikke ongeloofwaardigheid waarmee zij is omgeven. Niet alleen de verdachte is een leugenachtige schurk, ook de rechtspraak zelf is in de achterliggende jaren besmet geraakt met de zware verdenking de waarheid te willen versluieren. Aldus lijkt in Aarlen het juridische probleem van de waarheidsvinding te zijn uitgegroeid tot de metafysische vraag: «Wat is waarheid?»