H.J.A. Hofland

De oorlog als mislukte klus

NEW YORK — Mullen’s Pub is zo’n simpele bar annex restaurant voor iedereen, van alle generaties en klasseloos, ontsnapt aan alle hype en mode. Een voorbeeld van de vrije, democratische horeca in New York. De avond van zaterdag 29 maart 2003. Terwijl op de televisie links boven de tap iemand tegen een golfbal slaat en op het toestel rechts boven de kassa de volgende rossige wolken boven Bagdad opstijgen, is een man van Arabische afkomst bezig de asbakken van tafel te halen. Middernacht, totaal rookverbod! Op de televisie verschijnt opperbevelhebber Tommy Franks in de herhaling. Het gaat goed met de oorlog, zegt hij. Alles verloopt volgens plan. Terwijl ook mijn asbak wordt verwijderd, gaat in Bagdad het volgende gebouw de lucht in. Als het om de gezondheid van de mensheid gaat, dacht ik, laat deze Amerikaanse regering zich door niets weerhouden.

Deze oorlog valt op allerlei manieren te duiden. Terwijl hij aan de gang is, overheerst de krijgskunde. Deskundigen, niet allemaal, maar de meeste, veranderen van inzicht met het wisselen van de kansen aan het front. In de eenvoud van de eerste dagen werd op gezag van de overheersende expertise aangenomen dat met de combinatie van chirurgische precisie en het paardenmiddel van shock and awe de vijand, voor zover niet massaal overgelopen, binnen een paar weken zou zijn verslagen en de troepen van de coalitie als bevrijders binnengehaald. De beurskoersen vlogen omhoog.

De strijd verloopt heel anders. De nieuwe werkelijkheid daagt, de inzichten passen zich aan, de koersen tuimelen. «The War Turns Ugly, That’s What Wars Do», staat boven het weekoverzicht van The New York Times. In dit met chirurgische precisie geschreven artikel komt elf keer het woord Vietnam voor. Toegegeven: deze krant is al een jaar aan het waarschuwen. Eerst was het tegen de oorlog zelf, daarna tegen het optimisme, en voortdurend tegen de complicaties die erdoor worden veroorzaakt.

Het probleem is dat in Washington niemand de sceptici wil geloven, als er al iemand luistert. En hiermee is dan de tweede manier van oorlogsduiding gegeven. Of er nog meer tegenslagen komen, of er een bloedige strijd om Bagdad aanstaande is, ofwel dat het verzet in elkaar zal storten en Saddam Hoessein door revolutionairen zal worden opgehangen (ook een traditie in Irak), dat maakt voor het Amerikaanse bewind in principe geen verschil. Wat er ook gebeurt, de president, de ministers en de generaals zullen verklaren dat «alles volgens plan gaat».

Avond aan avond ziet de hele wereld weer een stuk van Bagdad ontploffen. De nieuwslezer vertelt dat er zware bommen zijn gebruikt. Dat valt ook zonder uitleg te begrijpen. Hoeveel paleizen had Saddam? Twaalf? Veertien? Die zijn wel tien keer met de grond gelijk gemaakt. Kazernes van de Republikeinse Garde. Met de slimste bommen van deze tijd moet van het grootste deel van deze elite-eenheid ook al gehakt zijn gemaakt. Toch weer meer bommen.

Wat moeten we van deze telkens geprolongeerde avondvoorstelling denken? Zelfs als we daar niets anders dan voltreffers zonder «collateral damage» zouden zien, moeten wij ondeskundigen dan niet tot de conclusie komen dat daar een groot deel van een stad stelselmatig wordt verwoest? Straks, als onvermijdelijk de zegevierende troepen van de coalitie binnentrekken, zullen we zien met welke chirurgische precisie de bombardementen zijn uitgevoerd.

Een probleem van deze oorlog is dat degenen die het bevel erover voeren en de critici twee talen spreken. De oorlogsleiders spreken de absolute taal van de ideologen. Daarin wordt alles herleid tot goed en kwaad, en bijgevolg alles wat bijdraagt tot verdelging van het kwade onverbiddelijk tot het goede gerekend. Van het begin af hebben de critici van Bush cum suis hem verweten dat hij de doelmatige nuance geen plaats gaf in zijn beleid; niet in zijn nationale, noch in zijn wereldpolitiek. Er is wel gezegd dat deze president de «maakbaarheid van de samenleving» heeft geherintroduceerd. Dat is een vergissing. We zullen nog gewaarworden hoe trouw hij is gebleven aan het traditionele vrije spel der maatschappelijke krachten.

Dit bewind volgt niet het beginsel van de maakbaarheid dat binnen een democratische context onderhandelt tot er de consensus op volgt. Deze oorlog is een poging tot het opleggen van een moreel dictaat. Dat het daarbij in eerste aanleg gaat om het verwijderen van een authentieke schurk vertroebelt de toestand. De werkelijke vraag, althans voor de critici, is tegen welke prijs het doel zal worden bereikt. Die vraag is in Washington niet aan de orde. Tegenslagen of meevallers, au fond maakt het niets uit. De geweldige overmacht doet het allemaal tenslotte «volgens plan» verlopen. Het is het oude verschil tussen Verantwortungspolitik en Gesinnungspolitik, door Max Weber in zijn Politik als Beruf hermetisch onder woorden gebracht. Deze Amerikaanse regering beoefent een wereld politiek die tegelijkertijd Gesinnungspolitik is, met de grootste overmacht en de modernste middelen — in wezen niet anders dan burgemeester Bloomberg het doet door New York rookvrij te maken.

Nadat Irak Saddam-vrij zal zijn gemaakt, of misschien terwijl daaraan nog wordt gewerkt, dient zich de werkelijkheid weer aan. Dat is dan de wirwar van krachten en machten die over de uitoefening van het moreel dictaat hun eigen denkbeelden hebben. Zo zit de wereld buiten Washington nu eenmaal in elkaar. Maar het wezen van dit dictaat is dat de wereld dan zal moeten leren anders in elkaar te zitten. Dat doet de wereld niet.

Wat mij, met veel andere oorlogen in het geheugen, opvalt is dat er in deze tijd zo veel haast bij is. In hun ongeduld en hun verwachtingen zijn voor- en tegenstanders verenigd. Ook Saddam was een klus die snel geklaard zou zijn. Nauwelijks twee weken wordt er gevochten en het publiek begint te morren. Dit was niet afgesproken. Een echte oorlog duurt veel langer; en deze ziet er met de dag meer uit als een echte, van een soort waarmee we geen ervaring hebben. Een echte oorlog kan jaren duren.