De oorlog die begon met een achterwerk

Dubravka Ugresic is weer terug in haar land. Nou ja, in Kroatie; Joegoslavie is niet meer. De schrijfster van ‘Nationaliteit: geen’ heeft nu toch een Kroatisch paspoort. Ze vecht nog steeds tegen de cultuur van de leugens. Een gesprek over moorddadige dichters, het vermogen tot liegen en het seksuele voorspel tot de oorlog.
ZAGREB - Woensdagavond. We staan op het Landvoogd Jelacicplein, dat wordt gedomineerd door een beeld van de krijgsheer Jelacic. Decennia lang was hij niet veel meer dan een ruiter op een paard, maar nu is hij het symbool geworden van het nationalistisch gevoel in Kroatie. Het plein is dan ook inmiddels naar hem genoemd, voordien was het gewoon Plein van de Republiek. En wat ooit het Plein van de Slachtoffers van het Fascisme was, heet nu het Plein der Kroatische Giganten. En dat is niet alles. In de cafes aan het Jelacicplein wordt geen slivovitsj meer geschonken, de pruimenbrandewijn waar maarschalk Tito zo trots op was. Slivovitsj wordt gebrouwen in de buurt van Belgrado en dat is Servisch. De Kroaten houden het nu bij een eigen variant van de Italiaanse grappa.

De schrijfster Dubravka Ugresic: ‘In heel Kroatie zijn er geen Servische kranten te vinden en als ze er zouden zijn, zou niemand ze kopen. En in heel Servie zijn er geen Kroatische kranten, en als ze er zouden zijn, zou niemand geloven wat erin stond. Televisieprogramma’s van beide landen kan men over en weer alleen met een schotelantenne ontvangen. De telefoonverbindingen tussen Kroatie en Servie zijn al lang verboden. Sinds de oorlog liggen mijn boeken niet meer in de boekhandels van Belgrado, dat weet ik van kennissen.’
'Zelfs de doden worden niet ontzien’, noteert Ugresic. 'Danilo Kis, de laatste echte Joegoslavische schrijver, die naar Parijs was uitgeweken om aan zijn manipulatoren te ontkomen, bleef niet gespaard. De Servische nationalisten hebben hem dan wel niet levend in handen gekregen, maar wel als dode geannexeerd met een begrafenis in grootse, orthodoxe stijl. Nu wordt met zijn naam gezwaaid als met de nationale vlag - en wel door degenen die hem destijds dwongen om zijn land te verlaten.’
Als we rond het middaguur de boekhandel verlaten, klinkt er een kanonschot. De duiven op het plein schrikken op, maar de mensen vervolgen gewoon hun weg. 'Ze zijn eraan gewend geraakt’, zegt Ugresic. 'Het is een vast ritueel, van zolang als de oorlog duurt. Maar het is waanzin! Alsof we ook zonder dit kanonschot niet zouden weten dat er oorlog is.’
En of. Begin mei werd Zagreb nog bestookt door Servische fragmentatiebommen en vielen hier doden. Ugresic was net een dag terug uit de Verenigde Staten. In haar boek Nationaliteit: geen schrijft ze daarover: 'Ik belde vaak naar Zagreb. Uit de hoorn van de telefoon sijpelde het stemgeluid van mijn moeder, die het afwisselend had over de prijzen van vlees en sla op de markt van Zagreb en over de aantallen slachtoffers. Ze vertelde kleine nieuwtjes over de buren en de vluchtelingen die ze bij zich in huis liet wonen en kwam dan met het bericht over de dood van een oude vriend van mij; via de telefoonlijn vermengde zich de sirene van het luchtalarm met de namen van de cosmetica- artikelen die ik haar moest sturen. Dan ging ik naar de winkel, vroeg in het Engels om creme voor mijn moeder, terwijl ik aan haar dacht in het Kroatisch. Ik belde soms Jasna in Belgrado en heel vaak Maja in Ithaca, die dan weer Hatidza in Sarajevo belde, ik belde Andre in New Haven, die regelmatig contact had met Igor in Osijek, of Goran in New York, die telefonisch contact had met zijn moeder in Mostar… Wij belden elkaar op en gaven elkaar, duizenden kilometers van het front verwijderd, als een soort oorlogscorrespondenten het laatste nieuws door…’
In dat boek haalt ze ook herinneringen op aan de dagen en de nachten die ze samen met haar moeder doorbracht in de geimprovizeerde schuilkelder onder het flatgebouw waar ze nog steeds wonen, in het oude centrum van Zagreb. 'Dat zou ik nu niet meer doen’, zegt ze. 'Ik zou gewoon aan mijn tafel blijven zitten en schrijven en wachten tot het schieten gewoon over is.’
U OVERWEEGT niet om snel weg te gaan?
'Ik had niet voorzien dat ze bij mijn aankomst gelijk zouden gaan schieten, maar nu ik hier ben, blijf ik.’
Vluchten is geen remedie tegen de angst?
'Nee. De vlucht maakt de angst alleen maar groter. Ik weet dat uit eigen ervaring. In New York moest ik aldoor denken aan mijn moeder, mijn broer, mijn vrienden. Ik zag op de televisie oorlogsbeelden en ik maakte mij zorgen, ik las een bericht in de krant en werd ongerust. Nu zit ik er midden in en dat maakt het veel gemakkelijker.
Toen ik naar de Verenigde Staten afreisde, ging ik weg uit Joegoslavie. Toen ik terugkwam, was dat land verdwenen. Slovenie, Kroatie en Bosnie zijn nu internationaal erkende Europese staten, voor zover dat iets betekent. Een kwart van Kroatie wordt bezet door een voormalige deelrepubliek, nu een ander land: Servie. In Bosnie duurt de oorlog voort, hij wordt gevoerd in een gemeenschappelijke taal die intussen is opgesplitst in het Kroatisch, het Servisch en het Bosnisch, en het is niet uitgesloten dat er zeer binnenkort een vierde taal opkomt: het Montenegrijns. Ik heb nu ook een ander paspoort, ik ben nu een Kroatisch staatsburger.’
U voelt zich helemaal geen Kroatische?
'Dat zeg ik niet. Ik zeg alleen dat het niets te betekenen heeft. Ik ben geboren in een klein industriestadje niet ver van Zagreb, ik leef in wat nu de hoofdstad van de republiek Kroatie is, ik heb dat paspoort, maar so what? Toen ik naar school ging, leerde ik dat Joegoslavie een land was dat bestond uit zes republieken en twee autonome gebieden, uit zes nationaliteiten en nog enkele minderheden. Ik leerde dat er in Joegoslavie verschillende taalgebieden bestonden, en drie grote religieuze gemeenschappen. En ik leerde dat ik de eenheid en de broederschap moest beschermen. Dat heb ik geleerd. En nu is dat alles voorgoed voorbij.’
Nostalgie?
'Laat ik dit heel duidelijk stellen: ik ben een normaal mens en normale mensen kunnen geen nostalgie voelen naar staten, voor politieke systemen of voor ideologieen. In tegenstelling tot wat sommigen beweren ben ik helemaal geen Joego-nostalgica, ik vond dat epitheton zelfs een belediging. Het enige wat ik zeg is dat het in dat vroegere Joegoslavie zo slecht nog niet was. Het dagelijks leven was behoorlijk comfortabel, wij hadden een hoogstaand cultureel leven, de verscheidenheid maakte alles uitermate boeiend. Daar kijk ik met spijt op terug, ja. Ik vind het heel erg dat dit kapot is gemaakt door de oorlog.’
U zegt niet: kapotgemaakt door de Serviers?
'Nee. Ik heb ook nooit gezegd dat de Kroaten de goeden zijn en de Serviers de slechteriken, want zo eenvoudig is het niet. Ik heb Russische letterkunde gestudeerd en daarvoor heb ik behoorlijk wat gereisd in de voormalige Sovjetunie. Het is al een hele tijd geleden, maar ik weet nog heel goed hoe diep ik getroffen werd door het alomtegenwoordige nationalisme. De Armeniers beklaagden zich over de Georgiers, die op hun beurt de Armeniers aansprakelijk hielden voor alles wat er fout ging. En de Azeri’s hadden een afkeer van de Armeniers en andersom. Later in Bulgarije hoorde ik van de haat tegen de Turken, die op hun beurt weer de Grieken als hun aartsvijand beschouwen.
Het patroon is overal hetzelfde, ook in mijn land. De Kroaten hebben een afkeer van de Serviers die op hun beurt de Kroaten als de duivel beschouwen. Het verschil zit ’m in de methoden. Wie is gespecialiseerd in het vernietigen van cultuurmonumenten en steden? Wie hebben Sarajevo en Dubrovnik vernietigd? De Serviers. Toen Dubrovnik werd gebombardeerd, kwam de dichter Milan Milisic om het leven, terwijl hij thuis aan zijn tafel zat te werken. Hij was een Servier die werd gedood omdat de Serviers een Kroatische stad wilden vernietigen. Het is een van de vele bittere grappen van de Joegoslavische tragedie.
Milisic is maar een van de vele burgers die, geheel onschuldig, het slachtoffer zijn geworden van deze waanzin. Alleen al in Bosnie hebben tweehonderdduizend mensen het leven gelaten. Maar niet alleen de doden zijn slachtoffers, ook al die jongens die worden gemanipuleerd door de krijgsheren en hun Blut-und-Boden-theorieen.’
U bedoelt Karadzic en zijn project van een Groot-Servie:?
'Karadzic is een oorlogsmisdadiger, zeer zeker. Maar hij is niet de enige. Milosevic is evenmin onschuldig, en ook onze eigen president Tudjman gaat niet vrijuit. Ze doen er niets aan om het extremisme een halt toe te roepen, ze wakkeren het juist aan.
Het probleem zit ’m in de getallen. Als we geconfronteerd worden met een moordenaar die op straat met een machinegeweer vijftien mensen ombrengt, zal elk van ons weten wat te doen. We bellen de politie, die de man in de gevangenis stopt, waar hij vele jaren zal blijven. Het wordt al moeilijker als we te maken hebben met een bende. Ook nu kunnen we alle leden ervan aanhouden, maar het is moeilijk uit te maken wie precies waarvoor verantwoordelijk is. Er is immers geen strafmaat voor collectieve verantwoordelijkheid.
Nog moeilijker wordt het als je, zoals in het geval van de Serviers in Bosnie, te maken hebt met achthonderdduizend mensen, aangevoerd door leiders die beweren dat ze democratisch verkozen zijn. Dit is ook een bende, een criminele bende, maar van zo'n omvang dat er niets aan gedaan kan worden. Karadzic moet berecht worden voor een internationaal oorlogstribunaal, daar mag geen twijfel over bestaan, maar is hij alleen verantwoordelijk? Nee, medeschuldig zijn al diegenen die zijn positie als bendeleider gelegitimeerd hebben, in mijn land, maar ook daarbuiten.’
WAS KARADZIC niet ook een dichter?
'Ja. Hij heeft zelfs een gedicht geschreven over Sarajevo.’
Is het niet eigenaardig dat een collega- schrijver…
’… tot zoiets in staat is? Nee hoor. Hitler was een schilder, enfin toch een soort schilder, en toch is hij het brein achter de holocaust. Er zijn in de geschiedenis tientallen voorbeelden van intellectuelen die in staat waren tot vreselijke misdaden.’
In “De cultuur van leugens” haalt u scherp uit naar de intellectuelen in uw land. Zij zijn medeverantwoordelijk voor de oorlog, zegt u. Ook de media plaatst u in het beklaagdenbankje.
'Natuurlijk! Wie is tien jaar geleden deze oorlog begonnen? Toch de media. Uw collega’s, mijn collega’s: schrijvers, journalisten, wetenschappers, allemaal mensen die bereid waren als doorgeefluik te fungeren voor ideeen die uiteindelijk geleid hebben tot deze oorlog. Het is langzaam gegaan, en subtiel. Eerst werd korte metten gemaakt met het oude communisme. De media spraken niet langer over socialisme, broederschap, eenheid. Het leek wel of die woorden niet meer bestonden. In televisieprogramma’s werd de Joegoslavische vlag niet meer getoond, op de radio werd het volkslied nooit meer gehoord. Toen kwam de tweede stap: het accentueren van de verschillen. Mensen bestempelden zich niet meer als Joegoslaaf, nee, ze zeiden: “Ik ben een Kroaat, een Servier, of een Sloveen.” De derde fase was onvermijdelijk: in ons vocabulaire doken plotseling woorden op als zuiver en etnisch zuiver.
Ik heb het ook geschreven: deze oorlog is begonnen bij het achterwerk van een Servische boer, een zekere Martinovic, die op een dag werd aangetroffen met een fles in zijn achterste. Dat was groot nieuws voor alle Joegoslavische kranten, maar vooral voor de Servische. Zij beweerden dat Martinovic door Albanezen verkracht was. Van het een kwam het ander. Bij de Servische minderheid in Kosovo werd gewag gemaakt van een genocide door de Albanezen. De media brachten steeds meer getuigenissen van Servische vrouwen die verkracht waren door Albanezen. Ook de Kroaten bleven niet ongemoeid. Zo ging er geen dag voorbij of de Servische kranten pakten uit met artikelen over de kampen van de Ustasja’s, de Kroatische fascisten, tijdens de Tweede Wereldoorlog. Niemand ontkent dat die kampen er waren, maar daarin hebben ook Kroaten gezeten, niet alleen Serviers. Die propagandaslag is blijven doorgaan tot de Kroatische media begonnen te reageren, met gelijksoortige verhalen, met halve waarheden, met hele leugens. En toen dat gebeurd was, kon de echte oorlog beginnen.’
OVER DIE OORLOG schrijft u: “De oorlog in het voormalige Joegoslavie is een oorlog van mannen. De vrouwen dienen in deze oorlog als brievenbussen, als lichamen waarmee boodschappen worden verstuurd aan andere mannen, de vijanden.”
'Alles heeft een seksueel element, ook de oorlog. Waarom zijn er zoveel vrouwen verkracht, vooral in Bosnie? Seksuele terreur is de gemakkelijkste manier van wraak op de vijand, in elk geval de goedkoopste. Weliswaar zijn er ook mannen verkracht, maar de meeste slachtoffers zijn toch vrouwen.
Niet zo lang geleden kwam ik in Berlijn toevallig in contact met een ex-soldaat, een moslim die in Bosnie tegen de Serviers had gevochten. Hij vertelde mij dat de soldaten zo dicht bij elkaar zitten dat moslims en Cetniks gewoon met elkaar kunnen praten. Waarover, vroeg ik. En hij zei: “Wij verwijzen naar hun moeders, hun vrouwen, hun dochters en dat we die dingen” - dat zei hij, die dingen - “met hen zullen doen. En dan roepen zij dat zij met onze meisjes ook die dingen zullen doen.” En dan, vroeg ik. Zijn antwoord: “Dan beginnen we te schieten.” Vrouwen dienen als een soort voorspel bij het eigenlijke gevecht.
Met het uitbreken van de oorlog zijn ook de oude volksliederen weer ontzettend populair geworden, zij het in een aangepaste versie. Zo hebben de Serviers een Cetnik- lied waarin over Kroatie wordt gezongen als het meisje Tudjmanka - de naam alleen al - dat haar verloofde - Servie - in de steek heeft gelaten. “Tudjmanka, je bent een hoer”, zo gaat het refrein. De talloze verkrachtingen maken duidelijk hoezeer die metafoor een pijnlijke realiteit is geworden.
Toen hier in 1991 de oorlog uitbrak, was dat precies vijftig jaar na het begin van de Tweede Wereldoorlog. Het zijn vaak dezelfde dorpen en steden die weer werden platgebrand, zelfs dezelfde wapens worden gebruikt, maar nu door de kinderen en kleinkinderen van de soldaten van weleer. En toch is er een verschil: de leugen. Hoeveel bestandsovereenkomsten zijn er wel niet geschonden? Ze blijven maar verdragen ondertekenen met de duidelijke bedoeling ze niet te respecteren. En dat is wat mij het meest frappeert in deze oorlog: het ongelooflijke vermogen van de mensen om te liegen.’