Armando in Berlijn

De oorlog is afgelopen

Meer dan twintig jaar woont Armando in Berlijn. Voor de man die bezeten is van de oorlog is dat het territorium van de vijand. In woord en beeld heeft hij die vijand proberen te doorgronden. En dus hoort Armando thuis op de tentoonstelling ‹Zimmer frei› over Duits-Nederlandse betrekkingen.

Deutschland–Niederlande. Heiter bis wolkig.

«Zo heet de tentoonstelling? Ik weet er, eerlijk gezegd, niet zo veel van.»

Over de betrekkingen tussen Nederland en Duitsland, over beeldvorming en clichés. Veel Frau Antjes en Bratwursten. Wat doet Armando’s werk daartussen?

«Dat weet ik niet. Ze hebben me gevraagd. Ik zal wel niet de enige kunstenaar zijn die is gevraagd. Mijn schilderijen hebben natuurlijk niks te maken met die clichés.»

Welk werk hangt er van je?

«Weet ik niet.»

Hoe kan dat?

«Dat verzorgt mijn vrouw altijd. Ik heb voortdurend tentoonstellingen.»

Wilde je niet in Bonn gaan kijken hoe het erbij hangt?

«Nee. Geen tijd voor.»

Zijn het oude of recente schilderijen?

«Misschien zijn ze geleend. Allerlei Duitse musea hebben werk van me. Waar is het? O ja, in Bonn.»

En binnenkort in het Rijksmuseum.

«Rijksmuseum?»

Diezelfde tentoonstelling is vanaf eind mei in Amsterdam te zien.

«O.»

Onder een andere naam: «Zimmer frei».

«Nou, dat kan er nog wel bij.»

Een Duitse journalist die al vele jaren voor kwaliteitsmedia over kunst schrijft, zei tegen mij: «Armando? Nooit van gehoord. Wat is zijn volledige naam?»

Armando: «Dan is hij achterlijk. Zeg hem dat maar. Eine Bildungslücke. Ik heb op de beste adressen in Duitsland tentoonstellingen gehad. Een eenmanstentoonstelling in de Berlijnse Neue Nationalgalerie — een soort Stedelijk Museum — een in de Hamburger Kunsthalle, waar niet. Nogmaals, echt achterlijk. Ik heb geen volledige naam. Dit is mijn naam. Als hij die niet kent, dan is dat zijn makke.»

Armando is een pseudoniem, toch?

«Nee, het is geen pseudoniem. Mijn vrouw noemt me zo, mijn moeder noemde me zo, mijn bankrekeningen staan op die naam — ik bén Armando.»

In 1929 werd Armando geboren als Herman Dirk van Dodeweerd. Schilder, schrijver, violist, televisiemaker, acteur. «Geen journalist, graag. Toen ik in 1980 begon met mijn series uit Berlijn voor de NRC, vroegen ze me: dan en dan vindt dit en dat plaats, zou je daarover kunnen schrijven? Nee dat gaat niet, zei ik. Ik ben geen journalist.»

Hij is specialist in Duits-Nederlandse verhoudingen. Niet de officiële, maar die van de straat. Waar de oorlog verder leeft in hoofden en in gebouwen. Hij zag als jongen zijn speelterrein veranderen in Kamp Amersfoort. De Duitsers gingen weer, maar de bomen bleven, als stille getuigen van wat zich achter het prikkeldraad had afgespeeld. «Schuldig landschap», noemde hij dat. Zijn schilderij Der Zaun (Het prikkeldraad) maakt deel uit van de tentoonstelling Zimmer frei, voorheen Heiter bis wolkig.

Die oorlog werd begonnen door het land dat sinds meer dan twintig jaar zijn Wahl heimat is. In de nieuwe «Berlijnse Republiek» worden de sporen ijverig weggepoetst. De laatste bomkraters en kogelgaten verdwijnen, en ook de menselijke getuigen sterven uit. Keurige monumenten moeten de geschiedenis levend houden. Op zulke officiële gedenkplaatsen heeft Armando niets te zoeken. Maar er is hoop voor de spoorzoeker. Hij heeft er een Duitsland bij gekregen. In de luwte van het nieuwe regeringscentrum ligt een enorm territorium, dat vol staat met schuldig landschap.

Geen Marshallplan verfraaide of verwijderde in de DDR de vervallen decors van 1870, 1914, 1933 en 1945. Ook nu, tien jaar na de val van de Muur, spat de geschiedenis nog van veel Oost-Berlijnse muren. Armando heeft er niet alleen een stad maar ook een oorlog bij gekregen: de Koude. En zelfs een dictatuur, een die nog lang na zal zeuren. Is Armando’s werk veranderd door de val van de Muur?

Armando: «Nee hoor. De NRC heeft me na de Wende onmiddellijk gevraagd of ik weer voor ze wilde schrijven. Ik had er geen zin in. Ik vond het allemaal buitengewoon interessant, maar het inspireerde me niet, die Wende. Vroeger kon ik over alles wat ik beleefde, elk gesprek dat ik voerde, een stuk schrijven. Op een zeker moment was het op, voor 1990 al.»

Berlijn is wellicht spannender dan ooit. De geschiedenis ligt op de straten aan de oostkant voor het grijpen.

«Ik vind Berlijn niet zo spannend meer als toen.»

Je woont in West-Berlijn. Dat is een groot, duf dorp geworden vergeleken bij de oostkant van de voormalige Muur.

«Als ik familie en vrienden Berlijn liet zien, ging ik altijd naar de Potsdamer Platz. We klommen op dat bordesje om over de Muur heen te kijken. Dan zag je een stukje niemandsland, nog een muur en daarachter had je Oost-Berlijn. En dan legde ik ze uit dat het ooit Europa’s drukste plein was. Tja, wat moet ik ze nu vertellen?»

Nou me dunkt. Het verkeer is er weer terug en de Oost-Berlijner ook. De cirkel is rond.

«Dat is wat ingewikkeld. Ik zie op die plek nauwelijks waar de Muur heeft gestaan.»

«Ik kwam ook graag in dat gebied waar de Italiaanse, Japanse en de Spaanse ambassade uit de nazi-tijd stonden. In die oude Japanse ambassade woonde een man, in de kelders hield hij varkens. Schitterende ruïnes waren het. Die zijn allemaal weg of in de steigers gezet.

De laatste tijd blijf ik meer binnenshuis. Anders kun je natuurlijk ook niet schilderen. Als ik dat vergelijk met mijn begin jaren, wat ik toen heb gelopen in West- Berlijn. Al die adressen, beladen adressen, die ik afging. Twee stukken per maand, altijd in beweging. Weet je wat de ellende is: het verdwijnt allemaal. Andere wegen, andere gebouwen — ik ga er maar liever niet meer heen.»

Je bent je thema kwijtgeraakt.

«Ja.»

Dan moet je wat dieper Oost in. Daar is nog heel wat oorlog over.

«Met een vriend ben ik na de Wende wel eens in zo'n verlaten Russische kazerne geweest in Potsdam. Ach, ik heb er genoeg aan gehad. Ik heb Berlijn gegessen.»
Je woont er al vanaf 1979. Is de liefde voorbij?

«Nee, dat niet. Ik heb Berlijn nog steeds lief, heel wat meer dan Amsterdam. De sfeer is er veel prettiger, de mensen gedragen zich beter. Het is te druk in Amsterdam, vooral in de binnenstad. Te druk en te knussig. Ik kom er alleen voor zakelijke afspraken en voor Nederlandse tournees met mijn orkest. Ik ga nooit voor mijn lol naar Amsterdam.»

«Er zijn namelijk erg veel Duitsers die geen Duitsers willen zijn. Die ernstig aan ‹Selbsthass› lijden. Die zich duizendmaal tegenover mij als buitenlander verontschuldigen dat ze Duitser zijn. Dat zijn degenen die Amsterdam zo ‹locker› vinden, die Nederland zo verdraagzaam vinden.»

(Uit: Armando uit Berlijn, begin jaren tachtig.)

«Dat waren de linksige, modische, intellectuelen. Met hen had ik het meest te maken. Altijd maar weer die nederigheid en die gigantische bewondering voor Nederland. Dat spraken we dan snel tegen door te vertellen dat in Nederland de meeste joden waren opgehaald en dat ons land zo veel SS'ers had opgeleverd. Dat hadden ze niet gedacht. Je hebt ook een ander soort Duitsers. Die vinden Nederland zo net, zo lieflijk, zo aardig, zo leuk, met van die gordijntjes en geordende tuintjes. Aan dat genre heb ik ook een hekel. Maar er blijven genoeg Duitsers over.

Ach, al die misverstanden. Dat gezwets over het liberale Nederland is gelukkig langzaam geluwd. Die generatie is anders gaan denken. Ze zien dat ze zich vergist hebben met hun linkse, modieuze idealen.»

Zie de debatten over het verleden van Joschka Fischer en andere revolutionairen van ‘68.

«Dan moet ik heel arrogant zeggen dat die jongens me in 1968 hadden moeten opbellen, dan had ik ze toen al kunnen vertellen dat ze verkeerd bezig waren. Ik heb de arrogantie van die Duitse 68'ers altijd gehaat. Dat ze wisten hoe de arbeiders moesten denken. Ik dacht: zijn die nou voor een betere wereld? Ze straalden zo'n haat uit. Er zijn zulke belachelijke dingen gebeurd. Ik wil geen autoritaire professoren verdedigen, maar ze hebben mensen kapot gemaakt. In hun methode waren ze zeer fascistoïde. Ik ken een kunstenaar die in die tijd les gaf op een Berlijnse academie en zijn studenten over Matisse vertelde. Ze vonden het schandalig dat hij ze iets probeerde bij te brengen. Dat was Imponier gehabe. Als je zoiets beweert, ben je toch gestoord? Nou ja, niks aan te doen.»

Jij bent iets ouder dan zij, maar je zette je, net als zij, af tegen de Duitser die aan de oorlog had meegedaan.

«Die van '68 hadden makkelijk praten. Ze kwamen in opstand tegen hun ouders. Maar ze waren, anders dan ik, totaal niet geïnteresseerd in wat die ouders hadden meegemaakt. Bovendien: wat stelden ze ertegenover? Dictators als Ho Chi Min aanbaden ze. Was dat zo geweldig?»

Dictators als Ulbricht en Honecker kwamen ook niet slecht weg bij hen. Wat is je verhouding tot de voormalige DDR?

«Geen interesse. En ik heb zeker geen behoefte die rechts-extremisten aan te horen. Wat ik op de televisie van ze heb gehoord, is zo beperkt.»

Wat is het verschil met die oude fascisten waar jij je zo in hebt verdiept?

«Die bewonderen ze wel, maar daar weten ze niks van.»

Een verschil tussen echte en nep-nazi’s, waarbij die eerste categorie meer de moeite waard is om je in te verdiepen?

«Je zou het haast zeggen.»

Armando is een echte West-Berlijner geworden. De inwoners van dat stadsdeel associëren jong-Oost onmiddellijk met rechts-extreem, want aan dat fenomeen besteden de media volop aandacht. «Over de Muur» gaan de West-Berlijners enkel om op nieuw-veroverd terrein in de luxe enclaves in het oostelijke centrum te dineren met de westerlingen die er al wonen. De «gewone» Oost-Berlijner komt daar niet meer, en die zoeken ze zelden of nooit in zijn eigen omgeving op. Omgekeerd zien ze de Oost-Duitser ook niet bij hen thuis, in West, want daar komt deze enkel als hij er echt niet onderuit kan. Een verdeelde stad, vol misverstanden. Nog steeds.

«Maar ik heb wel vrienden in Oost- Berlijn», zegt Armando. «Voor de Wende al. Maar nu heb je dat gelazer bij de grens niet meer.» Hij zegt het alsof de lol eraf is. «Ik maakte er altijd een beetje amusement van. Ik hield mijn bek niet dicht. Ik ergerde me ontzettend aan de Nederlanders die met me meegingen naar Oost-Berlijn. Die waren zo onderdanig bij de grens, zo vriendelijk tegen die onaangename mannen en vrouwen die je erdoor moesten laten. Wat kon je gebeuren?»

Is dat niet typisch Nederlands, je klein maken zodat ze je met rust laten?

«Zeker. Ik vond dat niet zo prettig om te zien. Daar kwam bij dat die Nederlanders een soort sympathie voor dat land hadden, voor de DDR, omdat ze daar nou eenmaal socialistisch waren. En dat kon nooit verkeerd wezen, weet je wel.»

Waarom breid je je vijandbeeld niet uit met de voormalige DDR-nomenklatoera?

«Ik heb ze nooit op dezelfde manier als vijand gezien als de nazi’s. Niet in de zin van de Tweede Wereldoorlog. Ik vond het geen aangename figuren, dat niet. Maar ik kan toch niet alle vijanden opzoeken?»

De titels van Armando’s werken laten over zijn obsessie weinig twijfel: Aantekeningen over de vijand. Krijgsgewoel. Feindbeobachtung. Het gevecht. Mitleid mit dem Feind. Der Feldzug. De daders. Preussisch. Feindlage. De SS'ers. Gefechtsfeld. Fahnen.
Hoe staat het nu met je vijandbeeld?

«Een vijandbeeld hoort bij de mens. Alleen is het in de huidige maatschappij allemaal een beetje bedekter geworden. Vijandschappen blijf je altijd houden. Tussen mensen, gewoon in het dagelijks leven, maar ook tussen landen. Daar heb je geen Tweede Wereldoorlog voor nodig. Maar in een oorlogssituatie is er regelrecht sprake van een vijand. Namelijk alle mannen die je na die oorlog, tientallen jaren lang, tegenkwam. In de winkel, op straat. Dat waren mensen die veel hadden meegemaakt. En dat gold ook voor de vrouwen, die bombardementen hadden doorstaan. Dat waren de regelrechte vijanden.»

En die zocht jij op in Berlijn.

«Ja, ik heb ze altijd opgezocht. Ik was nieuwsgierig. Vijanden hebben woorden tot hun beschikking. Dat is heel merkwaardig.»

«Vrouw: ‹Weet u wat het is, het was een slechte tijd, de oorlog en zo, en we zullen wel met z'n allen niet gedeugd hebben, alles goed en wel, maar we waren zo heerlijk jong!›» (Uit: We waren zo heerlijk jong. Duitse herinneringen, 1999.)

«Vlak na de oorlog hoorde ik ze voor het eerst praten. Dat was een openbaring voor mij.»

Wie?

«De mensen die ik toen als de vijand beschouwde. De Duitsers. En ook sommige Nederlanders.»

In Amersfoort?

«Ja. Ik weet van al mijn citaten nog precies wie die woorden uitgesproken hebben, in welke situatie en wanneer. De vrouw die dit zei, was een heel vrolijke vrouw. Het was in de trein: ‹We zullen wel met z'n allen niet gedeugd hebben.›»

Als Nederlander denk je dan: ze gelooft er niks van.

«Nee, dat denk ik niet. Dat meende ze terdege. Maar er was ook nog iets anders: ‹We waren nog zo heerlijk jong.› Een andere vrouw die zich ook als anti-nazi beschouwt, zei me: ‹We hadden het nooit over der Führer, maar altijd over Herr Hitler.› Dat was haar verzetsdaad. Verzet zit vaak in kleine dingen.»

En nu is jouw oorlog afgelopen.

«Ja, nu wel.»