Commentaar: Irak

De oorlog is nog niet gewonnen

President Bush gaat het knap moeilijk krijgen in het Midden-Oosten. Daags voor het begin van de VN-wapeninspecties in Irak verschenen in de Amerikaanse pers alarmerende berichten met betrekking tot twee cruciale Amerikaanse bondgenoten in de regio.

De Amerikaanse betrekkingen met Saoedi-Arabië stonden sinds 11/9 al onder druk. Vijftien van de negentien kapers bleken van Saoedische nationaliteit, maar de autoriteiten toonden weinig animo om mee te werken aan FBI-onderzoek. Laat staan aan Amerikaanse militaire acties tegen al-Qaeda of Irak. Desondanks deed de regering-Bush steeds haar uiterste best een openlijk conflict met haar belangrijkste olieleverancier te voorkomen.

Vooraanstaande senatoren vinden nu echter dat hun land zich veel onverzoenlijker jegens Saoedi-Arabië moet opstellen. «Wie niet voor ons is, is tegen ons», herinneren ze Bush aan zijn eigen devies. Het komt allemaal door een Saoedische prinses, de vrouw van de Saoedische ambassadeur in Washington. Zij maakte jarenlang geld over naar twee in Amerika wonende landgenoten. De FBI vermoedt dat die op hun beurt financiële steun hebben verleend aan twee van de Saoedische terreurkapers. In Saoedi-Arabië werd furieus gereageerd. Kranten repten van zionistische complotten en chantage.

Een enorm probleem voor Bush is ook de relatie met Pakistan. Dat land is wegens gedeelde grenzen met Afghanistan en Iran van immens belang in de strijd tegen al-Qaeda en de «as van het kwaad». De Amerikanen vermoeden dat Osama bin Laden zich nog altijd in het Afghaans-Pakistaanse grensgebied bevindt. President Musharraf beloofde alle mogelijke steun aan Bush’ oorlog tegen het terrorisme. Maar Pakistan blijkt dubbel spel te spelen. Maandag meldde The New York Times dat volgens Amerikaanse inlichtingendiensten afgelopen juli een Pakistaans militair vrachtvliegtuig op een Noord-Koreaans vliegveld ballistische raketonderdelen ophaalde. In ruil voor Koreaanse rakettechnologie (bedoeld om de atomaire slagkracht tegen erfvijand India te vergroten), leverde Pakistan nucleaire kennis aan het Noord-Koreaanse communistische regime van Kim Jong Il, dat samen met Irak en Iran door Bush wordt gerekend tot de as van het kwaad. Als Kim Jong Il eenmaal kernwapens heeft, bedreigt hij daarmee niet alleen de Amerikaanse bondgenoten Japan en Zuid-Korea, maar ook meer dan honderdduizend Amerikaanse troepen in Noord-Oost Azië.

Aan de vooravond van een Amerikaanse aanval op Irak blijken twee cruciale bondgenoten in het Midden-Oosten zeer onbetrouwbaar. Steeds duidelijker wordt dat bij een Amerikaanse aanval de terugslag enorm kan zijn. De stabiliteit van de regio staat op het spel. Die is vooral voor Europa van belang: vijftien procent van de Amerikaanse oliebehoefte wordt gedekt door het Midden-Oosten, en veertig procent van de Europese. Maar het Congres gaf Bush reeds een vrijbrief om een oorlog te beginnen, en niets wijst erop dat men daarop wil terugkomen.