De oorlog is nooit voorbij

TOEN HET Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie eerder dit jaar zijn gloednieuwe behuizing aan de Herengracht 380 in Amsterdam betrok, leek alles te wijzen op een glanzende nieuwe start. Het grachtenpand, ooit eigendom van de tabakshandelaar Jacobus Nienhuys, later gebruikt door de Deutsche Bank, had een kapitale verbouwing ondergaan voordat het waardig werd geacht voor directeur J.C.H. Blom en zijn personeel.

Een heel verschil met het vorige pand van de dienst, even verder op de gracht op nummer 474, dat metterjaren was uitgegroeid tot een statig doolhof van papier, waar alleen dr. L. de Jong nog de weg wist te vinden. Het Riod, bewaker van drie kilometer aan mappen met documenten, 50.000 boeken en 150.000 foto’s over de geschiedenis van het Koninkrijk der Nederlanden tijdens de Tweede Wereldoorlog, was langzamerhand verdronken in de door De Jong en de zijnen binnengesleepte archieven.
Een commissie onder leiding van de historicus E.H. Kossmann, die in 1997 rapport uitbracht over de staat van het Riod, had gewezen op de deplorabele staat waarin een groot deel van de Riod-archieven verkeerde. Die archieven waren volgens Kossmann in een ‘bedenkelijk matige staat’. Een groot deel ervan was zelfs nooit ingezien, hetgeen hij - nog eufemistisch - als 'vrij alarmerend’ beschouwde. Aan Kossmann was de taak gegeven een uitweg te vinden uit de onmiskenbare crisis waarin het Riod was beland sinds dr. L. de Jong er een stap terug had gedaan. 'We hebben geprobeerd een weg te vinden om de successen van het Riod voort te zetten’, aldus Kossmann. 'Daarbij zijn we van het positieve uitgegaan. Van een crisis bij het instituut willen we niet spreken.’
HET WAS dezelfde Kossmann die in zijn rapport kwam met een pleidooi voor een drastische modernisering van het instituut. Het Riod zou zich niet meer strikt moeten richten op de geschiedschrijving van de Tweede Wereldoorlog. Met de voltooiing van De Jongs Geschiedenis van het Koninkrijk der Nederlanden tijdens de Tweede Wereldoorlog in 1988 was het Riod zijns inziens op een dood spoor geraakt. Er was een nieuwe rol nodig, toegesneden op de nieuwe kopstukken. 'De mensen die nu bij het Riod werken, hebben onvoldoende gezag om uitspraken met een morele lading te doen, zoals De Jong wel deed’, aldus Kossmann. 'Dat willen ze ook niet.’
Kossmanns ideeën gingen uit naar een 'bredere onderzoeksopzet’. Het Riod zou zich moeten ontwikkelen tot een 'centrum voor oorlog en vrede’, een instituut voor contemporaine geschiedenis in de breedste zin van het woord. Die adviezen waren koren op de molen van de nieuwe directeur, de in 1996 aangetreden, voorheen aan de universiteit van Amsterdam werkzame historicus Hans Blom. Blom, vijfde in de reeks van Riod-directeuren, had zich tijdens de aanloop van zijn carrière nadrukkelijk geafficheerd als een man van de Nieuwe Tijd.
Toen Blom in 1983 werd benoemd aan de Universiteit van Amsterdam hield hij een inaugurele rede met de titel: 'In de ban van goed en fout? Wetenschappelijke geschiedschrijving over de bezettingstijd in Nederland’, waarin hij pleitte voor een soort 'herwaardering van alle waarden’ in het debat onder 'vakhistorici’ over de oorlog. Blom zette zich af tegen de lijn-De Jong, die volgens hem te veel was gefixeerd op het vraagstuk van collaboratie of verzet. Om de houding van het Nederlandse volk tijdens de oorlog beter te kunnen begrijpen, moest er gewerkt worden met nieuwe begrippen, aldus Blom. Hij introduceerde zelf het fenomeen van de 'accomodatie’, als leidend grondbeginsel van die houding.
Blom pleitte voor een soort objectivering van de geschiedschrijving over de oorlog, met minder goed of fout en meer aandacht voor de vele 'grijstinten’. Dit pleidooi voor meer afstandelijkheid, 'ontmoralisering’ van de geschiedschrijving zo men wil, viel niet overal in goede aarde. Zeker niet nadat Blom kort na zijn benoeming bij het Riod in de pers onthulde dat zijn grootouders fanatieke NSB'ers waren geweest, en dat ook zijn vader (in de oorlogsjaren actief bij de politiek rechts georiënteerde verzetsgroep de OD en ook nog lid van de staf van prins Bernhard direct na de bevrijding) enige tijd de nationaal-socialistische ideologie was toegedaan.
De schrijver Adriaan Venema, die tot zijn vrijwillige dood in 1993 een speciale haatverhouding met Blom koesterde, legde in zijn uiterst kwaadsappige maar daarom niet minder onderhoudende schotschrift Blommeldingen (1990) zelfs een verband tussen de NSB-erfenis van de familie Blom en het verlangen van de historicus Blom naar het neutrale, niet moreel-ethisch aangedreven gezichtspunt over Nederland in oorlogstijd. Een kwalijke suggestie natuurlijk, waar Blom nooit op heeft willen reageren.
Bloms lijn bij het Riod is vooral dat de Tweede Wereldoorlog als studieobject onmogelijk los kan worden gezien van wat daarvoor en daarna gebeurd is. 'Je kunt de geschiedenis van deze eeuw zien als één grote Europese burgeroorlog. Daar is een mooi onderzoeksprogramma bij te bedenken’, zei hij kort na zijn aantreden. Hetgeen geschiedde. Het Riod klopte bij het Rijk aan voor een totale transformatie. Voortaan zou de dienst zich buigen over een veel breder terrein dan tot dan toe het geval was geweest. De dienst wilde de hele eeuw gaan onderzoeken, te beginnen bij 1914, tot aan de Koude Oorlog. Dat werd royaal gehonoreerd door minister Ritzen van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, waaronder de dienst tot voor kort ressorteerde. Het kabinet gelastte het Riod 'een onderzoeksschool contemporaine geschiedenis’ op te zetten.
VANAF 1999 krijgt het Riod maar liefst een miljoen subsidie per jaar meer, een verhoging van 33 procent. Bij de officiële opening van het nieuwe Riod-gebouw in september 1997 was de stemming derhalve meer dan optimaal. 'Het Riod zal de komende tijd een heel belangrijke rol blijven spelen in Nederland, met een nieuw elan’, sprak Ritzen. 'Dat kan nieuwe antwoorden op oude vragen opleveren.’ Belangrijk was dat het Riod vanaf april 1998 niet langer aan het ministerie zou zijn gekoppeld, maar aan een nieuw samenwerkingsverband van de wetenschappelijke organisaties KNAW en NWO. Helemaal los van de politiek kwam het nog niet, had Kossmann al gezegd: 'Over delicate zaken worden afspraken gemaakt met de minister.’
Blom zelf bewees dat hij zijn mannetje stond als het ging om het binnenhalen van nieuwe opdrachten. Zo kwam er veel geld binnen voor een nieuw onderzoek genaamd Terugkeer en opvang, waarmee in kaart moet worden gebracht hoe het de uit de nazi-kampen teruggekeerde joden, zigeuners, Jehova’s getuigen, voormalige politieke gevangenen en ex-dwangarbeiders, alsmede repatrianten uit Nederlands-Indië eenmaal in Nederland was vergaan. Van de Japanse regering kreeg het Riod vijf miljoen gulden voor het vertalen van dagboeken van Nederlanders die in de jappenkampen hadden gezeten.
Maar de klap op de vuurpijl was natuurlijk de opdracht die Blom al in 1996 binnenhaalde voor een onderzoek naar de gebeurtenissen in Srebrenica in 1995. Het Riod was door minister Van Mierlo van Buitenlandse Zaken speciaal belast met een rapportage over de tragische gebeurtenissen die zich daar onder het toeziend oog van Dutchbat hadden afgespeeld. Voor het Riod was het Srebrenica-onderzoek het symbool van de flitsende 'doorstart’ die dan eindelijk na het tijdperk-De Jong kon worden gemaakt.
Bij de buitenwacht heerste overwegend scepsis. Historicus Von der Dunk noemde de opdracht zelfs 'ongerijmd’. Dr. L. de Jong zelf kwam droogjes met het oordeel dat het Riod eenvoudigweg 'niet in staat’ was een dergelijke klus tot een goed einde te brengen. De Riod-medewerkers zelf zagen het veel rooskleuriger in. 'Het zijn vooral oudere mannen die vinden dat het Riod zich bij de Tweede Wereldoorlog moet houden, sprak Riod-voorlichter David Barnouw. 'Maar ik hoor van veel jonge mensen dat dit echt iets voor ons is.’ Blom zelf was nog opgetogener, en hij sprak van 'een nieuw tijdperk’.
Aan al die vreugde kwam augustus jl. een eind, toen de pers met nieuwe onthullingen kwam over aan Dutchbat toegeschreven wandaden ten opzichte van de moslimbevolking van Srebrenica. Het Openbaar Ministerie, het leger en zelfs de Tweede Kamer kondigden onder druk van de publiciteit eigen onderzoeken aan. Het OM gelastte het Riod zelfs te komen met de resultaten van zijn onderzoek op de Balkan tot dan toe.
DIRECTEUR BLOM verzette zich fel tegen de 'plotselinge dadendrang en urgentie’ die zijn Srebrenica-onderzoek begonnen te overmeesteren. 'Het prestige en vertrouwen dat de Riod-onderzoekers in binnen- en buitenland hebben opgebouwd, dreigt nu te worden ondermijnd en daarmee de kwaliteit van het onderzoek zelf’, schreef hij in de Volkskrant. 'De indruk zou kunnen ontstaan dat in Nederland zelf dit onderzoek niet langer serieus wordt genomen.’
Dat laatste was inderdaad het geval. Het Riod kreeg van alle kanten de wind van voren over zijn trage handelwijze. Marcel van Dam velde in dezelfde Volkskrant een hard oordeel: het Riod had de opdracht nooit van zijn leven moeten krijgen, het was alleen maar bedoeld als een 'zoethoudertje’, een afleidingsmanoeuvre uit de koker van Van Mierlo, teneinde tijd te winnen voor Paars I om zijn eerste oorlogswond te kunnen likken. Het instituut zelf zwijgt nu in alle talen over de verdere voortgang van het onderzoek op de Balkan, maar het ergste moet worden gevreesd. De eerste stap van het Riod uit de kooi van de geschiedschrijving over de Tweede Wereldoorlog mag dan ook nu al als volkomen mislukt worden beschouwd.
De vraag is of dat erg is. Voor de binnenkomende subsidiestromen vermoedelijk wel. Voor een deugdelijke verwerking van het Nederlandse oorlogsverleden waarschijnlijk een stuk minder. Sterker nog, het zou straks een enorme gunst kunnen blijken als het Riod wordt teruggefloten van zijn euforische plan om uit te groeien tot een instituut voor de twintigste eeuw. Dat alles hangt onlosmakelijk samen met het werk van dr. L. de Jong, de man naar wiens gelijkenis het Riod is geschapen. Ruim veertig jaar troonde de voormalig medewerker van Radio Oranje in Londen over het Riod. Zijn wil was wet: het hele instituut stond in dienst van het mammoetproject waarmee De Jong van rijkswege was belast: de totale geschiedschrijving van Nederland in bezettingstijd.
DE JONG BEGON direct na de bevrijding met het inzamelen van documenten. In de zomer kreeg hij na enkele bezoeken aan de Amerikaanse legerleiding in Duitsland voor elkaar dat Nederlandse onderzoekers mochten speuren in de enige twee niet door de nazi’s vernietigde archieven. Het ene archief was door SS-Reichsführer Heinrich Himmler gedumpt in een oude zoutmijn in Hallein en het andere - de documenten van de Reichskanzlei en het Auswärtige Amt - was gevonden in midden-Duitsland.
Formeel had De Jong wel voormalig IISG-oprichter N.W. Posthumus boven zich, maar deze moest het veld ruimen toen hij werd beschuldigd van belangenverstrengeling: als directeur van de Leidse uitgeverij Brill had Posthumus zijn afnemers geschreven dat ze voor hulp altijd bij het Riod konden aankloppen. Later, veel later, kwam De Jong met de mededeling dat Posthumus financieel in de tang had gezeten van Felix Kersten, een gewezen SS-lijfarts van Himmler die na de oorlog via list en bedrog met succes begon te hengelen naar een status als undercover-verzetsheld.
Posthumus zou volgens De Jong een extra zakcentje van Kersten hebben gekregen, in ruil voor wederdiensten. Zo spande Posthumus zich in om Kersten voor te dragen voor de Nobelprijs, op grond van geheime onderhandelingen die hij in oorlogstijd zou hebben gevoerd om het Nederlandse volk te behoeden voor deportatie naar Polen - een plan waarvan Kersten volhield dat het ernstig was overwogen door de nazi-top. Kersten zag zich mede hierdoor in 1950 beloond met het grootofficierschap in de Orde van Oranje-Nassau, uitgereikt door prins Bernhard persoonlijk. Mede door onderzoek van De Jong bleef er later niets van Kerstens verhalen over. Maar dat deze voormalige SS'er zich zo dicht bij de top van het Riod had weten te nestelen, blijft een onheilspellende zaak.
NADAT DE JONG het eenmaal voor het zeggen kreeg bij het Riod gold zijn woord als wet. De andere medewerkers waren zijn satellieten, die voor hem vlogen. Mede door zijn televisieroem vergaarde de gewezen Groene-redacteur een door bijna niemand betwiste autoriteit. De Jong groeide uit tot een ware grootinquisiteur, die reputaties brak, maar ook ook kon beschermen als hij dat wilde. Zo verjoeg De Jong ARP-fractieleider Willem Aantjes in 1979 uit de kamerbankjes met nogal futiele en naar later bleek ook nog eens deels gemanipuleerde onthullingen over diens lidmaatschap van de Waffen SS (terwijl Aantjes niet veel meer deed dan de post rondbrengen in Duitsland). Hij zou het SA-, NSDAP- en SS-lidmaatschap van prins Bernhard - dat hem ongetwijfeld bekend was - ongenoemd laten.
Wellicht hing dit laatste samen met de onzalige regel die het Riod nog steeds kent als het gaat om leden van de koninklijke familie. Deze moeten namelijk geïnformeerd worden als Riod-medewerkers iets naars over hen in de archieven hebben opgeduikeld. In 1995 leidde dat tot onverkwikkelijke taferelen. Nadat Riod-medewerker Gerard Aalders en historicus Coen Hilbrink in hun boek De zaak Sanders - een Riod-uitgave - een mededeling wilden opnemen over de prinselijke betrokkenheid bij het bruine verenigingsleven van het Derde Rijk, begon de prins zwaar te protesteren bij de Riod-leiding. Deze zette de twee auteurs onder gigantische druk. Toen Aalders en Hilbrink niet van wijken wilden weten, strafte de Riod-leiding hen zwaar door mede te delen dat de 'wetenschappelijke kwaliteit’ van hun boek niet voldoende was om er een volwaardige Riod-uitgave van te maken.
DAT METEN met twee maten is iets dat bij De Jong ook telkens opduikt. Maar door de gigantische autoriteit die hij bij het Riod genoot, kon hij daar niet in worden gecorrigeerd. Aan zo'n overweldigende autoriteit kleven natuurlijk ook gebreken. De Jong realiseerde zich dat zelf ook. Vandaar dat hij zich na de afsluiting van zijn geschiedkundige mammoetwerk zette aan het schrijven van particuliere memoires die bij vriend en vijand verbazing wekten door hun verregaande openhartigheid. De Jong vertelde daarin in kennelijke staat van bevrijding van ieder taboe openhartig over de psychische verwarring waarin hij als enige overlevende van een joodse familie terecht was gekomen. Hij schreef over een zekere vorm van antisemitisme die zich van hem meester had gemaakt, maar ook over seksuele obsessies, jaloezie op zijn leermeester aan het Vossius-gymnasium Jacques Presser, die in een kamertje op het Riod zijn kroniek van de jodenvervolging in Nederland Ondergang had geschreven.
In de kritieken die volgden op De Jongs particuliere ontboezemingen overheerste een teneur van onbegrip. Men wist eenvoudigweg niet wat men ermee aan moest, zeker omdat de openhartigheid over zulke privé-zaken zo scherp contrasteerde met de droge, schijnbaar emotieloze toon van De Geschiedenis van het Koninkrijk der Neder*01. ???landen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het ligt echter voor de hand dat De Jong op deze wijze aandacht wilde vragen voor de persoon van de geschiedschrijver. Door zijn lezers een blik te gunnen in zijn allerprivaatste universum, suggereerde hij op zijn minst dat er een verband was tussen zijn persoonlijke obsessies en de wijze waarop hij meer dan veertig jaren lang had geopereerd als schatbewaarder van het Nederlandse oorlogsverleden.
DAT DIE RELATIE bestaat, werd daarvoor ook al gezegd door De Jongs belangrijkste criticasters, zoals Jan Rogier (jarenlang De Jongs kwelduivel in Vrij Nederland) en oud-Vara en VPRO-medewerker Arie Kleijwegt. De laatste schreef in het Eindhovens Dagblad van 17 september 1994 over het onvermogen van De Jong om eenmaal gemaakte fouten toe te geven. Kleijwegt betrapte De Jong op een fout: de geschiedschrijver had de bevrijding van Eindhoven op 18 september 1944 laten plaatsvinden, terwijl die in werkelijkheid een dag later plaatsvond.
Op zich een misstapje dat iedereen kan overkomen, maar Kleijwegt begon verder te speuren en constateerde dat De Jong alle bronnen die hij bij zijn beschrijving van de bevrijding van het Nederlandse zuiden had gebruikt stelselmatig foutief had bewerkt, zodat zijn datum van 18 september staande kon blijven. Kleijwegt: 'Ik vermoed dat De Jong ontoegankelijk is (of was) voor iedere twijfel aan een eenmaal door hem ingenomen mening, zelfs in de confrontatie met authentieke, klinkklaar anders luidende feiten. Iemand die met zo'n euvel is behept lijkt mij bij uitstek ongeschikt om geschiedkundig onderzoek te doen. Het zou interessant zijn de inzichten hieromtrent te kennen van De Jongs psychoanalyticus, die hij blijkens zijn memoires zo'n belangrijke rol in zijn leven toeschrijft, maar dat zal onder de vigerende regels voor de bescherming van het individu wel weer onmogelijk zijn. Maar intussen zit het Nederlandse volk opgescheept met 15.974 pagina’s vaderlandse geschiedenis waar de stofkam, van begin tot eind, nodig door moet.’
WAARVAN AKTE. Het valt De Jong in ieder geval te prijzen dat hij aandacht vraagt voor zijn allerpersoonlijkste drijfveren. Zijn openhartigheid in zijn memoires zou kunnen worden begrepen als een vraag voor begrip, en tevens een uitnodiging om zijn werk daar waar nodig te reviseren. Men zou wensen dat alle Riod-medewerkers die zo'n zwaar stempel op de naoorlogse geschiedenis hebben gedrukt zo ver zou kunnen gaan.
Neem bijvoorbeeld oud-Riod-medewerker A.J. van der Leeuw, bekend als de onvermoeibare jager op Friedrich Weinreb, die door het Riod zou worden gebrandmerkt als een 'joodse verrader’. Van der Leeuw vertelde in een interview met Frits Abrahams in NRC Handelsblad dat hij tijdens de oorlog 'al snel in het studentenverzet’ zat. In werkelijkheid, zo ontdekte de Gronigse historicus J. Werkman, was Van der Leeuw als student in Groningen penningmeester bij het studentencorps Vindicat atque polit, dat juist opviel door verregaande loyaliteit aan de bezetter, zoals Van der Leeuws vader, theoloog Gerar*01. ???dus van der Leeuw, professor aan de Groningse universiteit, ook al weinig oppositioneel lid werd van de Kulturkammer.
In tegenstelling tot de Groninger studentenvereniging Vera, die zichzelf wél ontbond bij wijze van protest, gingen de leden van Vindicat vrolijk door met de activiteiten. 'Universiteit en bestuur zijn belangrijker dan een paar mensen’, aldus het Vindicat-bestuur, dat demonstraties ten bate van joodse medestudenten fel afkeurde. Toen in augustus 1942 de vaste fotograaf van Vindicat, Joël de Lange, als jood naar de kampen werd gezonden, kwam er geen enkel blijk van medeleven van de kant van het bestuur van de studentenvereniging. Het enige wat penningmeester Van der Leeuw deed was de bezettingsautoriteiten aanschrijven over hoe het zat met de terugbetaling van een lening die het corps aan de fotograaf had gegeven. Kortom, zo'n heroïsch verzetsverleden had Van der Leeuw niet. Dit zet vette vraagtekens bij de morele superioreiteit die hij zichzelf toekende in zijn jacht op Weinreb.
EEN NIEUWE generatie historici zou er in feite al een levenstaak aan hebben om het werk van de Riod-voorvaderen te controleren. Daarnaast hebben De Jong en de zijnen ook ongelooflijk veel niet bestudeerd. Het vraagstuk van de economische collaboratie van Nederlanders met de Duitsers is bijna onbeschreven. Zo meldt de Archievengids van de Tweede Wereldoorlog, samengesteld door Erik Somers en Mark Pier en uitgegeven onder auspiciën van het Riod zelf, dat er bij het Riod een archief van maar liefst 72 meter bestaat van de Omnia Treuhand Aktiengesellschaft over de periode 1941-1944. Treuhand was de Duitse dienst die belast was met het beheer en de afwikkeling van onteigende joodse firma’s, die in de regel aan Nederlandse eigenaren werden doorgespeeld. Kortom: een archief waar minstens even veel commotie over mag worden verwacht als eerder dit jaar over de vondst van het Liro-archief. Maar helaas, de archiefgids meldt dat het Treuhand-archief niet kan worden ingezien: 'Toegang onvoldoende’, staat er afgemeten. Erger nog, het is zelfs mogelijk dat het archief inmiddels door de papiermolen is gehaald.
In ieder geval verklaarde de reeds genoemde A.J. van der Leeuw in de storm van de Liro-affaire eerder dit jaar dat een deel van het Treuhand-archief inmiddels door de papierversnipperaar zou zijn gehaald. Daar zou een kleine interdepartementale communicatiefout aan ten grondslag hebben gelegen. Tekenend voor de complete chaos die na vijftig jaar van archiveren nog steeds bij het Riod heerst.
De vraag dringt zich op of al die kostbare en politiek zo gevoelige oorlogsarchieven niet beter gewoon bij de Algemene Rijksarchivaris kunnen worden opgeslagen. Daar wordt tenminste zorgvuldiger met de spullen omgegaan. Het Riod zou zich onder leiding van Hans Blom ('Als het aan mij ligt zit ik hier tot mijn pensioen’) dan eens grondig kunnen beraden op het herschrijven van de geschiedenis van het Koninkrijk der Nederlanden tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het zal tijd worden.