INTERVIEW MET HANS MAGNUS ENZENSBERGER

‘De oorlog steekt in mijn knoken’

De Duitse schrijver Hans Magnus Enzensberger (1929) reconstrueert in De eigenzinnigheid van Hammerstein het leven van de generaal die Hitler al vroeg de rug toekeerde. ‘Als schrijver heb je mogelijkheden die een historicus niet heeft.’

OP 25 APRIL 1943 werd op het familiekerkhof in Steinhorst generaal Kurt von Hammerstein (1878-1943) begraven. Zijn familieleden hadden ervoor gezorgd dat Hitlers krans zonder lint of hakenkruis werd neergelegd. Ook als chef van de legerleiding had Hammerstein zijn afkeer voor Hitler en de nazi’s nooit verborgen. Hij nam eind december 1933 ontslag nadat Hitler in februari van datzelfde jaar in een geheime rede voor de Duitse generaals zijn plannen voor een wereldoorlog had bekendgemaakt.
De Duitse schrijver en essayist Hans Magnus Enzensberger (1929) dook in de archieven en reconstrueerde in zijn boek De eigenzinnigheid van Hammerstein het leven van de eigengereide generaal.
Familiegeschiedenissen die zich afspelen in het Derde Rijk genieten in Duitsland veel belangstelling. ‘De belangrijkste boeken over de Eerste Wereldoorlog verschenen laat in de jaren twintig’, zegt Enzensberger. ‘Zo’n afstand in de waarneming is wenselijk voor de literatuur. Tegelijk leven we nu in een politieke constellatie die ons niet meer bindt aan ideologische dwangvoorstellingen. Mentaal kunnen we ons weer vrij bewegen, iets wat in Duitsland altijd al een moeilijke zaak is geweest. Verder is het nu gemakkelijker om bronnen op te sporen. Stel je voor dat ik in de jaren vijftig naar Moskou gereisd zou zijn en inzage in de archieven van de KGB of de NKVD verlangd zou hebben. Een onmogelijke zaak.’
Veertig jaar geleden braken schrijvers als Rolf Hochhuth (De plaatsvervanger) en Peter Weiss (Het onderzoek) in hun theaterstukken met een aantal taboes omtrent de geschiedenis van het Derde Rijk. Volgens Enzensberger stonden die stukken destijds in het teken van de heropvoeding. ‘De Duitse democratie is import. De pedagogische dimensie aan die literatuur was toen noodzakelijk in Duitsland. Maar die toon zou ik vandaag niet meer willen aanslaan: “Beste landgenoten, luister eens goed, u mag niet meer zo boosaardig zijn!” In de jaren zestig van de vorige eeuw heeft men vooral duivels en engelen beschreven. Boosaardige concentratiekampcommandanten stonden tegenover heroïsche verzetsstrijders. Maar de waarheid is dat in elke samenleving de grijze tinten en de morele ambivalenties overheersen. Het interesseert me hoe graaf Claus Schenk von Stauffenberg van een enthousiaste Hitler-aanhanger naar een overtuigde nazi-tegenstander evolueerde. Het moment waarop zoiets gebeurt is voor een schrijver pas écht interessant.’

Generaal Hammerstein was anders dan de anderen: hij was geen held, maar hij was vanaf het begin een uitgesproken tegenstander van Hitler. Hij heeft zich begin 1933 uitgesloofd om diens benoeming tot kanselier te verhinderen.
Hans Magnus Enzensberger: ‘Hammerstein was een scherp analyticus. In 1933 voorspelde hij al dat de Duitsers de oorlog tegen de Russen zouden verliezen. Dat was geen klein bier. Hij was gehecht aan zijn positie van observator. Toen Hitler de lakens begon uit te delen, kwam de nuchtere Hammerstein tot de conclusie dat de Duitsers de soep die ze klaargemaakt hadden nu ook maar moesten uitlepelen. Hij was geen voorstander van een aanslag. Tijdens de oorlog was hij ervan overtuigd dat een geslaagde aanslag op Hitler een herhaling van de Dolkstootlegende in de Weimarrepubliek zou betekenen en dat de Duitsers de gelegenheid zouden aangrijpen om weer eens te klagen dat Hitler zijn oorlog gewonnen zou hebben als er geen verraad in het spel was geweest. Niettemin heeft Hammerstein, die kanker had, geluk gehad dat hij in 1943 gestorven is. Hitler wist immers dat hij een tegenstander was. Na Stauffenbergs mislukte aanslag op Hitler zou Hammerstein na 20 juli 1944 zeker in het concentratiekamp beland zijn.’

De eigenzinnigheid van Hammerstein heeft een springerige en gebroken vorm. Behalve voor nuchtere feiten is er in Enzensbergers boek ook veel plaats ingeruimd voor korte essays. Enzensberger aarzelt niet om postume en gefingeerde gesprekken te voeren met de generaal, met zijn familieleden en met interessante tijdgenoten en ooggetuigen. ‘Als schrijver heb je mogelijkheden die een historicus niet heeft. De historici hebben zich overigens nooit met Hammerstein beziggehouden. Er is nauwelijks literatuur over die man. Dat was mijn geluk. Ik kan het me veroorloven meer speelruimte en bewegingsvrijheid te nemen. Voor elk project moet je de juiste vorm vinden. In het geval van Hammerstein moest ik de dingen combineren. Ik was aangewezen op documenten uit de archieven, op bestaande literatuur en op contacten en gesprekken met overlevenden. Maar ik voerde ook doden op. Ik kwam tot de conclusie dat een mozaïekachtige vorm de geschiktste architectuur was voor mijn boek.’
In een van de gesprekken die u met de doden voert, laat u Hammerstein zeggen dat de oude president Hindenburg een politieke nul is.
‘Die mening was hij zeker toegedaan, maar hij heeft dat niet met die woorden gezegd. Hindenburg was een idioot, maar hij was ook leep. Kort vóór Hitler met de macht werd bekleed, heeft Hindenburg nog tegen Hammerstein gezegd dat hij er niet aan dacht om Hitler tot kanselier te benoemen. Hindenburg was een heel dubbelzinnige figuur, een leugenaar, een fataal personage. Maar om het probleem dat u aanraakt in het algemeen te schetsen: er is een ruime zone waarin fictie en non-fictie elkaar ontmoeten in de literatuur. Ik geloof niet in de fixatie van de genres.’
In de postume gesprekken voert u zichzelf ironiserend op als een ietwat onwetende, maar geïnteresseerde historische nakomer.
‘Ik vraag me soms af of generaal Hammerstein mij als gesprekspartner werkelijk ernstig genomen zou hebben. Want een boekenschrijver zoals ik behoorde niet tot zijn wereld. Hij zou waarschijnlijk wantrouwig geweest zijn en me beschouwd hebben als een journalist. In het boek heb ik me dus vermomd als iemand die minder weet dan in werkelijkheid het geval is, want het Hitler-regime en de bommenoorlog zijn fenomenen die ik uit eigen ervaring ken. De oorlog steekt in mijn knoken. Daarom zal ik mijn wantrouwen in de huidige tijd nooit kwijtraken. Ik kan me er nog altijd over verbazen dat er elke ochtend verse melk in de winkel is. Ik herinner me tijden dat dit niet het geval was. Verse melk in de winkel is geen natuurgebeuren.’
Een kernstuk in het boek is de redevoering die Hitler in februari 1933 hield voor de generaals van de Wehrmacht. Wat stond er in die redevoering wat nog niet in ‘Mein Kampf’ had gestaan?
‘Mein Kampf is een afschuwelijk boek, maar zeer lezenswaard. Hitlers obsessie met de joden staat erin, en ook zijn haat tegen de marxisten. Je vindt er al zijn obsessies in terug, ook dat de Duitsers Lebensraum nodig hebben. Maar deze nobody die in 1924 Mein Kampf in de vesting van Landsberg schreef, kon zich toen nog niet voorstellen dat hij ooit over de middelen zou beschikken om zijn obsessies uit te voeren. De precisie waarmee Hitler in februari 1933 als Führer voor de generaals sprak, was geen pure propaganda meer. Hij realiseerde zich dat hij nu zijn plannen kon realiseren. Hitler wist dat hij de generaals nodig had om zijn project te verwezenlijken, hoewel hij de hoge militairen wantrouwde omdat ze uit een oude en degelijke school kwamen. Toen Hitler aan de macht was gekomen heeft Hammerstein meteen gezegd dat hij niet meer meedeed. De andere hoge militairen hebben zich laten verleiden. Hitler heeft hun allerlei speelgoed beloofd: tanks, vliegtuigen, schepen en schitterende carrières. Vervolgens kwamen de enorme binnen- en buitenlandse successen van Hitler, ook de geslaagde militaire veroveringen in het begin van de oorlog. Het werd almaar moeilijker om aan zijn zuigkracht te ontsnappen. Tot grote verontwaardiging van velen heb ik me eens gepermitteerd om te zeggen dat Hitler een zeer doortrapt en zelfs een uitstekend politicus was. Hij heeft iedereen om de tuin geleid, hij heeft de westerse machten gemanipuleerd. Hij was een professional, dat moet men, des te erger natuurlijk, toch toegeven. Hitler was de enige die precies wist wat hij wilde, hij heeft zijn project met alle denkbare trucs doorgezet. Vergeet overigens niet dat hij in het Westen gedurende lange tijd heel wat bewonderaars had onder de prominenten.
Helga, een dochter van Hammerstein, heeft er waarschijnlijk voor gezorgd dat een afschrift van Hitlers fameuze redevoering meteen in Moskou terechtkwam…’

‘Mijn boek is niet de biografie van slechts één man, maar een familiesaga. In de machocontext van de militairen en generaals is de rol van de vrouwen in het verzet indrukwekkend geweest. Twee dochters van Hammerstein onderhielden intensieve contacten met communisten. Zonder de inzet van zulke vrouwen zou het verzet van de mannen niet mogelijk zijn geweest. De vrouwen zorgden voor de infrastructuur, namen de koerierdienst op zich, stelden woningen ter beschikking, enzovoort. Ze hadden stijl. Toen na de oorlog aan Hammersteins echtgenote Maria gevraagd werd wat voor mensen ze in het concentratiekamp had aangetroffen, antwoordde ze: “Eindelijk fatsoenlijk gezelschap.”’
U was vijftien jaar in 1944. Hoe heeft u de Hitler-tijd zelf beleefd?
‘Mijn viscerale haat tegen dictaturen en dictators komt uit die tijd. Het gevoel speelt daarin misschien nog een grotere rol dan de ratio. Maar als kind was ik natuurlijk geen antifascist. Het zou absurd zijn zoiets te beweren. Ik had wel een instinctieve afkeer van de Hitler Jugend. Ik kon niet tegen dat eeuwige commanderen, tegen de bosspelletjes waarin jongens elkaar moesten afranselen. Dat vond ik een zinloos tijdverdrijf. Maar dat was natuurlijk geen verzet. Ik had verder geluk met mijn ouders. Ze waren geen nazi’s, ook al waren ze geen verzetsstrijders. Ook zij zaten in de grijze zone.’
Hoeveel Enzensberger zit er in Hammerstein?
‘De schrijver mag zich niet met zijn personage identificeren, al moet hij er een affectieve relatie mee hebben. Toen ik aan dit boek begon, was de militaire wereld van Hammerstein mij vreemd, met dat milieu heb ik nooit te maken gehad. Maar wat me aan Hammerstein vooral beviel en wat ik met hem deel, is zijn eigenzinnigheid. Ik ben erg gehecht aan het bestaan van het karakter, ook al is dat vandaag een totaal onmoderne opvatting. De neurologen willen niets meer weten van het karakter, ze geloven alleen nog in de genen. Maar ik deel dat geloof niet. Mijn hele levenservaring spreekt dat tegen. Daarom word ik gefascineerd door de vraag waarom iemand in bepaalde omstandigheden iets zo en niet anders doet. Dat is een laatste raadsel dat je niet kunt oplossen.’

Hans Magnus Enzensberger, De eigenzinnigheid van Hammerstein. Vertaald door Olaf Brenninkmeijer. Cossee, 304 blz., € 26,90.
Vrijdag 24 oktober geeft Enzensberger een lezing in het Goethe-Institut in Amsterdam