Europese Literatuurprijs

De oorlog was overal

Soldaat aan het Oostfront, 1943 © Sueddeutsche Zeitung Photo / HH

Onder de Drachenwand, de titel van het nieuwe, overrompelende boek van Arno Geiger, verwijst naar de plaats van handeling, een bijna loodrechte rotswand in Salzkammergut, Oostenrijk, aan de Mondsee, zo’n veertig kilometer ten oosten van Salzburg. Naam en plek doen onheil vermoeden: ‘stom en duister’ de bergen, ‘bedekt met sneeuwkappen en ontoegankelijke bossen. De machtige rotsschedel van de Drachenwand stond grauw in de nevel.’ Maar die ontoegankelijkheid biedt ook beschutting.

Op het boekomslag zien we een jongeman met ontbloot bovenlijf aan een geïmproviseerd tafeltje zitten schrijven. De suggestie is dat het om Veit Kolbe gaat, een uit Wenen afkomstige 24-jarige soldaat die aan het Oostfront gewond is geraakt en hier, aan de voet van de berg, ver van het oorlogsgeweld, op verhaal mag komen. Het is 1944. En alles lijkt erop te wijzen dat het boek ook in 1944 is geschreven, heet van de naald, zonder enige kennis van het verdere verloop van de oorlog, evenmin van het lot van de soldaat of de mensen met wie hij ter plekke te maken krijgt, of die zich ineens, zonder uitleg, per brief in zijn verslag van alledaagse gebeurtenissen en bekommernissen mengen.

Het boek is in zekere zin een brievenboek. Maar die brieven zijn niet netjes geordend en geredigeerd, ze duiken meestal fragmentarisch en vaak zonder vermelding van geadresseerde of afzender op in de lopende tekst, waarvan het verloop al evenmin lineair en overzichtelijk is. Dat is niet zo gek: Veit Kolbe weet nauwelijks wat hem is overkomen, in zijn hoofd vinden ‘bekende’ inslagen en explosies plaats, maar nee, ‘bekend’ is niet het goede woord, corrigeert hij zichzelf, alles wat hij in de oorlog heeft meegemaakt is zowel in zijn lichaam opgeslagen als hem vreemd gebleven. En het slijt niet, integendeel: ‘Opnieuw kon ik me niet herinneren dat ik de oorlog op het moment dat ik die meemaakte even verschrikkelijk gevonden had als nu in mijn bed.’

‘Zo’n zuipende bleek-neus met laarzen’ kon onmogelijk de ‘nieuwe mens’ zijn

Het wonderlijke is dat het toch geen chaotisch boek is. Geiger slaagt erin de diverse binnen- en buitenwerelden zo met elkaar te vervlechten dat ze bij alle breuken en sprongen toch een min of meer samenhangend geheel vormen. Uiteraard dankzij de oorlog, waarvan de totalitaire waanzin ook in dit afzijdige oord doordringt en hoe dan ook, soms tot in de verrassendste details, bepalend is voor het gedrag, de angsten en verlangens van iedereen die hier woont of tijdelijk verblijft. Maar meer nog dankzij Geigers vermogen om zich niet alleen in de diepste krochten van de gevoelswereld van zijn personages te verplaatsen, empathie alleen is niet voldoende, maar daar ook, en daar komt het op aan, telkens opnieuw in volstrekt geloofwaardige woorden, formuleringen, zinnen uitdrukking aan te geven. Dat maakt dit boek zo goed, er gaat een verpletterende authenticiteitssuggestie van uit.

In die zin doet Onder de Drachenwand denken aan Das Echolot (1993), het vierdelige collectieve dagboek over de maanden januari en februari 1943, verzameld door Walter Kempowski. Dat is een onuitputtelijke goudmijn voor iedereen die zich afvraagt hoe het alledaagse, door permanente onzekerheid getekende leven van onbekende en bekende mensen eruitzag in die oorlogsmaanden. Het verschil is dat het daar inderdaad om authentieke documenten gaat, wat bij Geiger allerminst zeker is. Ik vermoed eerder dat ze geheel of gedeeltelijk zijn verzonnen. Van doorslaggevende betekenis is dat overigens niet, het gaat om de talige suggestie van een onontkoombare nabijheid, en die kan bij fictieve documenten net zo groot zijn. Ik denk bijvoorbeeld aan Jakob Littners Aufzeichnungen aus einem Erdloch (1948), het verbijsterende verslag van een onbekende joodse overlever, totdat het auteurschap bijna een halve eeuw later door niemand minder dan Wolfgang Koeppen (‘Die Hölle war überall’) werd opgeëist.

Geiger lijkt in zijn laatste hoofdstuk duidelijkheid te willen verschaffen. Voor het eerst neemt hij afstand en meldt in eenduidige, laconieke zinnen hoe het de mensen in zijn boek na afsluiting daarvan is vergaan. Zo lezen we dat Kurt Ritler, de zestienjarige rekruut die hartverscheurende liefdesbrieven schreef aan zijn dertienjarige nicht in een kindertehuis aan de Mondsee, vlak voor het einde van de oorlog bij een luchtaanval dodelijk gewond is geraakt. En ook dat de joodse tandtechnicus Oskar Meyer, net als Veit afkomstig uit de Possingergasse in Wenen, na talloze onwaarschijnlijk moedig doorstane kwellingen, tijdens een transport naar het concentratiekamp Mauthausen is vermoord.

Het deed me genoegen dat het met ‘de Braziliaan’, door een schop van de geschiedenis aan de Mondsee beland, wel goed is afgelopen. Hij was als een van de weinigen niet bang voor rauwe tegenspraak. ‘Onder de misgeboorten die dit land in hun macht hadden, was de minister van Propaganda nog een van de lichtere gevallen.’ Openlijk dreef hij de spot met het idee van de ‘nieuwe mens’: de man die daarvoor speelde, ‘zo’n bier zuipende en rokende bleekneus met laarzen en duistere ideeën’, kon daar onmogelijk voor doorgaan. Hij verlangde naar ‘een ver, warm en ongeschonden gebied’ en leefde liever ‘verarmd en vervuild in het buitenland, maar wel onder mensen, dan hier in een paleis onder louter idioten’. In 1948 emigreerde hij opnieuw naar Brazilië, na 1952 heeft hij geen sporen meer nagelaten. Maar er is geen enkele garantie dat Arno Geiger niet ook dát heeft verzonnen.