Terugblik op een schandaal

De oorlogsjaren van Visconti

In het voor jaar van 1943 veroorzaakte Visconti’s film ‹Ossessione› een schandaal. Men zag er een aanval in op het fascistische Italië. De SS veroordeelde de regisseur ter dood.

Wanneer het Amerikaanse Vijfde Leger niet op de avond van 4 juni 1944 Rome was binnengetrokken maar een aantal dagen later, zou de wereld nooit van Luchino Visconti hebben gehoord. Althans niet als de schepper van het omvangrijke oeuvre op film-, toneel- en operagebied zoals wij dat in Europa na de Tweede Wereldoorlog hebben leren kennen. Een enkele filmspecialist zou misschien geweten hebben dat hij vóór de oorlog in Frankrijk derde regieassistent en kostuumontwerper bij Jean Renoir (1894-1979) was geweest. En een wat groter aantal mensen zou er wellicht van op de hoogte zijn dat hij de regisseur was van die ene, merkwaardige film uit 1942, Ossessione, waarmee het neorealisme zijn intrede deed in de Italiaanse cinema. Want Visconti werd door de SS gezocht en zou stellig zijn dood geschoten — men was hem reeds op het spoor — als hij niet, door toeval, de tijdelijke bescherming had genoten van Pietro Koch, de commandant van de beruchte gevangenis Pensione Jaccarino in het fascistische Rome.

Deze nog jonge man was verliefd geworden op de indertijd in Italië beroemde actrice Maria Denis, die haar invloed wist aan te wenden om Visconti het leven te redden. Door bij Koch de indruk te wekken misschien wel op diens avances te willen ingaan, mits Visconti, met wie ze bevriend was, uit handen van de Duitsers gehouden zou worden, heeft ze de Italiaanse naoorlogse film een grote dienst bewezen. En zichzelf veel schade berokkend, want de suggestie van collaboratie die ze wekte omdat ze veelvuldig in het gezelschap van Koch werd gesignaleerd, heeft ze later nooit meer geheel recht weten te zetten. Na de oorlog is haar carrière niet meer echt van de grond gekomen.

Luchino Visconti werd gearresteerd door de fascistische politie van Rome op 15 april 1944. Zijn aanhouding vond plaats in een golf van arrestaties na de bomaanslag van 23 maart op de SS-barakken in de Via Rasella, niet ver van de Trevi-fontein en het Quirinaal-paleis, de residentie van de Italiaanse koninklijke familie. Er vond op dat moment juist een parade plaats ter viering van 25 jaar fascisme. De ravage was enorm. Tweeëndertig Duitsers vonden de dood en er was een groot aantal gewonden. Hitler liet generaal Alfred Jodl bevel geven vijftig Italianen neer te schieten voor iedere gedode SS'er. Veldmaarschalk Alfred Kesselring bracht dit aantal uit eigen beweging terug tot tien. Uit de gevreesde Regina Coeli-gevangenis werden gevangenen gehaald om te worden doodgeschoten, aangevuld met willekeurige voorbijgangers.

De slachtpartij vond plaats in de Ardeatijnse grotten, even buiten Rome, waar de catacomben en de beroemde Domine, Quo Vadis?-kapel zijn gelegen. Na afloop werd de ingang door een springstofontlading van de buitenwereld afgesloten. Een familielid wist de slachtoffers echter toch te ontdekken. Toen het nieuws Rome bereikte, ontstond er grote onrust onder de bevolking. Opnieuw vonden op grote schaal arrestaties plaats, en bij de tweede golf was Visconti het slachtoffer. Hij bleek een revolver op zak te hebben, en valse documenten. De SS hield zijn villa in de Via Salaria al langer in de gaten en vermoedde dat plegers van de aanslag in zijn huis verborgen werden gehouden. Men verdacht hem er ook van lid te zijn van de partizanen, waarbij hij zich in de zomer van 1943 inderdaad had aangesloten.

Na een twaalf dagen durend verhoor in de Pensione Jaccarino-gevangenis, waar hij zonder eten werd vastgehouden in de latrine, volgde ten slotte het doodvonnis. Tijdens het verhoor door Pietro Koch lag, zichtbaar voor Visconti, op het bureau een dossiermap met zijn naam erop en daaronder, geschreven in rode inkt, «Te executeren».

Ook Maria Denis, die in de Via Salaria op het huis van Visconti paste, werd op 15 april gearresteerd, na eerder al eind maart aangehouden te zijn. De situatie was buitengewoon ernstig. Er waren zelfs bommen in het huis gevonden. Zij was het geweest die Visconti verborgen hield na de aanslag van 23 maart. In het andere geval zou hij stellig zijn einde hebben gevonden in de Ardeatijnse grotten. Nu wist Denis via Koch gedaan te krijgen dat Visconti werd overgeplaatst naar de veel mildere San Gregorio-gevangenis, een voormalig vondelingenziekenhuis. In Pensione Jaccarino was hij inmiddels met andere gevangenen opgesloten in de kolenkelder. Daar werden ze velen malen per dag door de bewakers mishandeld. Hij is er zelfs een keer uitgehaald voor een schijnexecutie. Maar gepraat heeft hij nooit. De Duitsers zijn nooit op het idee gekomen Visconti te zoeken in de San Gregorio-gevangenis, nota bene onder de hoede van hun bondgenoten.

Toen begin juni de Amerikanen de stad naderden, ontdeden de bewakers zich van de fascistische onderscheidingstekens op hun uniformen en verlieten de Duitsers Rome. Op de ochtend van 4 juni werd Visconti in vrijheid gesteld en kon hij thuis een bad gaan nemen. Vanaf negen uur ’s avonds trokken de Amerikanen de stad binnen, uitzinnig toegejuicht door de enthousiaste en opgeluchte bevolking. Het markeerde het einde van een zeer bewogen periode in het leven van de regisseur, die zich kenmerkte door persoonlijke tragedies, maar ook door triomf.

Zo was het oorlogsjaar 1939 begonnen met het overlijden van zijn moeder, aan wie hij zeer gehecht was. Het deed hem in een diepe geestelijke crisis belanden, waar hij pas uitkwam toen Renoir hem per telegram voorstelde in Italië La Tosca van Puccini te gaan verfilmen. Het absurde van dit project was dat Mussolini zelf Renoir had uitgenodigd om naar Italië te komen na het zien van diens antioorlogsfilm La grande illusion (1937), een film over de Eerste Wereldoorlog die nota bene in Italië verboden was. Maar Mussolini wilde, na de Duitse invasie van Oostenrijk (de Anschluss van 1938) Hitler zijn onafhankelijkheid tonen en daartoe de banden met Frankrijk aanhalen.

Het was ook een waarschuwing richting nazi-Duitsland om de handen af te houden van Zuid-Tirol, dat Italië bij het vredesverdrag van Versailles (1919) als geallieerde mogendheid van het laatste moment had weten te bemachtigen. En Frankrijk, met zijn linkse Volksfront-regering, was er alles aan gelegen een wig te kunnen drijven tussen de fascistische As-mogendheden Duitsland en Italië. Zo speelde internationale machtspolitiek plotseling een allesoverheersende rol in de nationale filmproductie. Frankrijk gaf Renoir, die de rang van luitenant had in het Franse leger en er niets voor voelde naar het fascistische Italië te gaan om er te moeten werken — hij was een enthousiast Volksfront-aanhanger — een militaire «marsorder» om op de uitnodiging van Mussolini in te gaan. Hij zou er zelfs les gaan geven aan het beroemde Centro Sperimentale di Cinematografia in Rome, in 1932 opgericht en een van de eerste echte filmopleidingen ter wereld.

Met Visconti werkte hij in het voorjaar aan La Tosca, maar toen de Duitsers op 10 mei 1940 hun aanval op Nederland, België en Luxemburg hadden ingezet, keerde Renoir terug naar zijn vaderland. Mussolini wachtte intussen rustig zijn kans af en verklaarde Engeland en Frankrijk pas op 10 juni de oorlog, nadat de Franse positie al hopeloos was geworden. Zijn opzet was hierbij Italië, net als in 1919, zonder veel strijd te laten delen in de buit. Maar drie jaar later speelde Italië geen enkele rol meer en werd het zelf door de Duitse troepen bezet.

Renoir had, voor hij definitief naar Frankrijk afreisde, Visconti een script gegeven dat van grote waarde zou blijken te zijn in diens carrière. Het was een Franse vertaling, met een schrijfmachine uitgewerkt, van de Amerikaanse fel-realistische roman The Postman Always Rings Twice van James M. Cain uit 1934. Hieruit zou in 1942 Visconti’s eerste wereldberoemde film Ossessione ontstaan. Daarmee staat Renoir in alle opzichten, als mentor, stimulator en werkgever aan de wieg van Visconti’s adembenemende carrière.

Voor Luchino Visconti’s filmloopbaan een definitieve vlucht kon nemen, stond hem op persoonlijk vlak nog meer leed te wachten. In 1941 overleed plotseling zijn vader Don Giuseppe, die aan het Italiaanse hof een soort gentleman-in-waiting was en met wie hij een gecompliceerde relatie had. En tijdens het draaien van Ossessione in Ferrara stopte er in oktober 1942, juist toen er een bijzonder dramatische scène werd opgenomen, een auto langs de kant van de weg waar een lijkbleke neef van Visconti uitstapte, vergezeld van een overheidsfunctionaris. Ze kwamen het bericht brengen dat Visconti’s oudste broer Guido zojuist bij de slag van El Alamein in Noord-Afrika gesneuveld was. Volgens ooggetuigen was hij met een grote Italiaanse koninklijke vlag op de Britten afgestormd onder de uitroep: «Een Visconti buigt niet voor een Windsor!» In de ogen van de stamhouder van zo'n oud adellijk geslacht als de Visconti’s, dat teruggaat tot de schoonvader van Karel de Grote, vormde de Britse koninklijke familie maar een stelletje parvenu’s.

Ossessione veroorzaakte, vanaf de eerste vertoningen in het voorjaar van 1943, alleen maar schandaal. Men zag er een aanval in op het fascistische Italië. «Dit is Italië niet!» schijnt Mussolini’s zoon Vittorio, die hoofd redacteur was van het blad Cinema, bij een van de vertoningen te hebben geroepen. Het verhaal gaat dat na de première in Salsomaggiore de aartsbisschop de zaal opnieuw kwam zegenen. De film werd in beslag genomen en het negatief verbrand. Als Visconti niet een duplicaat-negatief had laten maken, dat hij verstopte, hadden we er nooit iets van kunnen zien. Mussolini had, merkwaardigerwijs, de film persoonlijk toegelaten en gezorgd voor vertoningen in een aantal steden. Naast oorverdovende fluitconcerten maakte de film vooral onder linkse intellectuelen enthousiaste reacties los.

De oorlogsomstandigheden maakten de uitvoering van verdere filmplannen voorlopig onmogelijk en nadat de geallieerden op Sicilië waren geland, in juli 1943, besloot Visconti, zoals reeds vermeld, zich aan te sluiten bij de partizanen in de bergen. Ruim een jaar lang verkeerde hij bij voortduring in levensgevaar. Als hij al niet een grote dosis persoonlijke moed van huis uit had meegekregen, dan is het deze periode wel geweest die hem de gehardheid en onverzettelijkheid meegaf die hem in zijn latere leven als film- en theaterregisseur zozeer van pas zijn gekomen. Geen betere voorbereiding op een leven in de slangenkuil van de film en het toneel dan een oorlogsverleden. Na de oorlog zou Visconti voor het bevrijden van Amerikaanse krijgsgevangenen een hoge onderscheiding uitgereikt krijgen uit handen van de opperbevelhebber van de geallieerde strijdkrachten in de Middellandse Zee, veldmaarschalk Alexander.

Het opmerkelijkste filmproject waarbij Visconti betrokken raakte, een jaar na de bevrijding van Rome in juni 1944, betrof een documentaire die de naam Giorni di gloria (Dagen van roem) zou krijgen. Het onderwerp vormde de rechtszaak en executie van drie sleutel figuren van het fascistische regime in Rome: Pietro Caruso, die een hoofdrol had gespeeld bij het wrede drama in de Ardeatijnse grotten, Roberto Ochetto, zijn assistant, en Pietro Koch, het al genoemde hoofd van de Pensione Jaccarino-gevangenis.

Het moet een buitengewoon merkwaardige en emotionerende ervaring voor Visconti zijn geweest om op een warme zomermiddag in de brandende zon op de binnenplaats van het Forte Bravetta de terechtstelling te filmen van déze man, die hem zo kort geleden nog volkomen in zijn macht had, wiens naam de inwoners van Rome deed huiveren en die van plan was geweest Visconti te laten executeren. Nadat een priester de absolutie had verleend klonk een geweersalvo en zakte het hoofd van Koch, die op een stoel gezeten was, opzij en was alles voorbij. Een doodse stilte nam bezit van de binnenplaats. Verschrikt opgevlogen vogels streken weer neer.

De film was een gezamenlijk project van Visconti, Giuseppe de Santis, zijn scriptassis tent en Mario Serandrei, die de montage van Ossessione had gedaan en daarbij voor het eerst de term «neorealisme» gebruikte. Het initiatief tot het filmen van het proces en de executie was oorspronkelijk uitgegaan van, merkwaardig genoeg, de afdeling psychologische oorlogvoering van het Amerikaanse leger. De film werd uitgebracht in oktober 1945 en maakte, tezamen met het al eerder voltooide Roma, città aperta (Rome, open stad) van Rossellini, grote indruk.

Met Giorni di gloria eindigde voorlopig de periode van de Tweede Wereldoorlog in het werk van Luchino Visconti. Hij zou er pas weer op terugkomen in La caduta degli Dei (The Damned) uit 1969. Een eerdere poging, in juli 1944, om zijn ervaringen in Pensione Jaccarino te gebruiken voor een film, was gestrand in het scriptstadium. Verschillende van zijn medewerkers gaven er de voorkeur aan af te reizen naar het noorden om te vechten voor de bevrijding van de rest van Italië.

Ook projecten met Cesare Zavattini en Michelangelo Antonioni over het verzet in Rome bleven steken in de voorbereidingsfase. Het bleek vrijwel onmogelijk om financiering te vinden voor films in een land dat zich nog aan het herstellen was van de wonden van de oorlog en 22 jaar fascistisch bewind. In plaats hiervan richtte Visconti zich op het toneel. Al direct met zijn eerste première, op 30 januari 1945, wist hij met zijn regie en enscenering van Jean Cocteau’s Les parents terribles, grote indruk te maken op de bevolking van Rome.

Na al die jaren van culturele onderdrukking werd de voorstelling als een grote bevrijding ervaren. Ook de rest van dat jaar wist Visconti het Romeinse publiek uitzinnig te maken met een in een ongelooflijk tempo gerealiseerde reeks van nieuwe ensceneringen, waarin het hele moderne toneelrepertoire aan bod kwam: The Fifth Column (Ernest Hemingway), La machine à écrire (Jean Cocteau), Antigone (Jean Anouilh, naar het drama van Sophocles), Huis clos (Jean-Paul Sartre), Adam (Marcel Achard, een stuk dat vanwege de onverbloemde uitbeelding van homoseksuele relaties — in 1945! — groot schandaal veroorzaakte) en Tobacco Road (John Kirkland, naar de roman van Erskine Caldwell). Men moet zich realiseren dat Visconti al deze stukken niet alleen regisseerde, maar ook de kostuums en het decor ontwierp.

Het was zijn manier om te laten zien waartoe kunst in staat was wanneer ze was bevrijd van de ketenen van het fascisme. Het was de bijna bezeten output van een kunstenaar die een jaar tevoren nog had moeten vrezen voor zijn leven; en een hartstochtelijke, gulzige liefdesverklaring aan datzelfde leven. In 1939, toen de oorlog begon, was Visconti nog een aarzelende, onzekere dilettant geweest. Aan het eind van het bevrijdingsjaar 1945 was hij een voldragen regisseur die als geen ander in Italië zijn sporen zou nalaten in de wereld van de opera, het toneel en de film.