ONDERWIJS EN RECHTSSTAAT

De open deur moet telkens ingetrapt

De presentatie van het rapport over twintig jaar onderwijsvernieuwing viel samen met die van het rapport over de kernwaarden van de rechtsstaat. Inhoudelijk hebben beide rapporten direct met elkaar te maken.

Vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit zijn de kernwaarden van de Nederlandse rechtsstaat. Het lijkt een open deur. Maar ideologisch denken en het onvoldoende in acht nemen van die waarden leidden tot een verwaarlozing van een kerntaak van de overheid: het zeker stellen van deugdelijk onderwijs.

Bij hoog en bij laag werd volgehouden dat het toeval was. Er zou zelfs gevreesd zijn dat er geen aandacht zou komen voor de presentatie van het rapport over de kernwaarden van de rechtsstaat, omdat een paar uur eerder de parlementaire onderzoekscommissie onder voorzitterschap van het pvda-kamerlid Jeroen Dijsselbloem met haar oordeel over twintig jaar onderwijsvernieuwing naar buiten zou komen.

Dat oordeel was hard: de overheid heeft een van haar kerntaken, het zeker stellen van deugdelijk onderwijs, ernstig verwaarloosd. Het zoog afgelopen week inderdaad bijna alle media-aandacht naar zich toe. De berichtgeving over de bevindingen van de maatschappelijke commissie die zich onder voorzitterschap van Wim van de Donk van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid had gebogen over de kernwaarden van de rechtsstaat viel daarbij in het niet. Toch is het voor de buitenstaander moeilijk te geloven dat er desondanks niet bewust op aan was gestuurd beide rapporten op dezelfde dag te laten verschijnen. Wat te denken alleen al van dit ‘toeval’: in een symbool van het instituut politiek, de Oude Zaal van het Tweede-Kamergebouw, wordt eerst een rapport gepresenteerd over onderwijs, waarna een kleine drie uur later en drie kilometer verderop in een symbool van het onderwijs, een school, een rapport het daglicht ziet waarin wordt gesproken over het instituut politiek.

Daar bleef het echter niet bij. Ook inhoudelijk blijken beide rapporten veel dwarsverbanden te hebben. De meest in het oog springende draait om het begrip gelijkwaardigheid, naast vrijheid en solidariteit een van de drie kernwaarden van de Nederlandse rechtsstaat. Toen Van de Donk deze kernwaarden vorige week op het Haagse Johan de Wittcollege benoemde, ging er licht rumoer door de zaal. Hier en daar werd ‘Franse revolutie’ gemompeld en ook de bij die revolutie horende leus ‘vrijheid, gelijkheid en broederschap’ kwam over de lippen van menig toehoorder. Niks nieuws onder de zon, dat weten we wel, was eigenlijk waar het rumoer op duidde.

Kort daarvoor was in de Oude Zaal van de Tweede Kamer evenwel geconstateerd dat je er met het benoemen van een kernwaarde niet bent, erger zelfs, dat de concrete invulling door de overheid van het begrip gelijkheid desastreuze gevolgen kan hebben voor juist het bereiken van gelijkwaardigheid in een samenleving. Een van de harde oordelen van de commissie-Dijsselbloem is dat van het gelijk behandelen in het onderwijs van ‘ongelijke’ kinderen de zwakste groepen onder die kinderen de dupe zijn geworden. Met dank aan de ideologie van de pvda die er vanuit ging dat gelijkheid met behulp van het onderwijs maakbaar was.

In een bijlage bij het rapport van de commissie-Dijsselbloem, opgesteld door het Sociaal en Cultureel Planbureau, wordt verwezen naar een ander gevaar dat dreigt als onvoldoende is nagedacht over de vraag welke gelijkheid eigenlijk wordt nagestreefd. Achter het tegenwoordige idee dat iedereen gelijke kansen heeft gehad in het onderwijs, gaat meer en meer de gedachte schuil dat het dan vervolgens iemands eigen schuld is als hij een loser is. Vijftig jaar geleden waarschuwde Michael Young daar al voor in zijn boek The Rise of Meritocracy. Waarom zou je met zo’n loser, die zijn mislukking aan zichzelf te danken heeft, solidair zijn? Daarmee doemt een andere kernwaarde van de rechtsstaat op, solidariteit. Ondergraaft het huidige onderwijs die kernwaarde?

De commissie-Dijsselbloem, bestaande uit leden van acht verschillende kamerfracties, wees het vingertje niet alleen naar de pvda-bewindslieden Tineke Netelenbos, Jo Ritzen en Jacques Wallage, als exponenten van de in de jaren tachtig en negentig naijlende maakbaarheidsideologie van de pvda uit de jaren zeventig. De commissie steekt tevens de hand in eigen boezem, noemt ook bewindslieden van cda- en vvd-huize en spaart eveneens het onderwijsmiddenveld niet. Was er in Nederland dan zo’n twintig jaar lang sprake van een collectieve verdwazing als het ging om onderwijsvernieuwingen?

Het antwoord is ja en nee. De commissie-Dijsselbloem constateert dat er weliswaar met jan en alleman is gesproken over de onderwijsvernieuwingen, maar dat dit te veel binnen een gesloten kring van ambtenaren, deskundigen en vertegenwoordigers van organisaties gebeurde die er toch al in geloofden. Er is te weinig geluisterd naar de kritiek van de leraar, de ouder en de scholier. Blijkbaar was in de discussie over onderwijsvernieuwing niet ieders stem gelijk. Inderdaad, Pim Fortuyn legde de vinger zes jaar geleden al op deze zere plek, en niet alleen waar het het onderwijs betreft. Het maakte hem populair bij veel kiezers.

Toeval of niet, maar de gewone leraar duikt ook op in het rapport over de kernwaarden van de rechtsstaat. De man of vrouw die met de poten in het bluswater staat, is belangrijk voor het overdragen van die kernwaarden. ‘Want’, zo constateerde commissievoorzitter Van de Donk vorige week, ‘kernwaarden planten zich niet automatisch voort, daar moet aan gewerkt worden.’ Geef de gewone leraar, agent, verpleger, arts, ambtenaar en alle andere gewone werkers in het veld meer ruimte en tijd hiervoor, is het pleidooi, vertrouw hen daarin.

Was maakbaarheid de trend in de jaren zeventig en vernieuwing het modewoord van de jaren tachtig en negentig, het geloof in het kunnen van de professional – zoals de veldwerkers in het huidige jargon heten – is op dit moment de trend. Kreeg je eerst bij kritiek op de middenschool het verwijt dat je tegen gelijkheid was, kon je daarna niet tegen vernieuwing zijn zonder als behoudend te worden weggezet, nu ligt het gevaar op de loer dat je de naam krijgt wantrouwend te zijn als je je afvraagt wie dan de professional is, wat hij precies moet en mag doen en of hij het wel is die het bij een heroverweging van verantwoordelijkheden voor het zeggen krijgt. Want dat laatste is nog maar de vraag. De professional zal een cruciale rol gaan spelen in de discussie over de vrijheid van onderwijs die als gevolg van de commissie-Dijsselbloem zal aanzwellen.

Ook met deze kernwaarde, vrijheid, is in de jaren tachtig en negentig iets fout gegaan in het onderwijs, zo constateren Dijsselbloem en zijn medecommissieleden. De overheid is zich te veel gaan bemoeien met de inhoud van het onderwijs, vooral met de manier van lesgeven, en daarin moet de overheid het onderwijs juist vrij laten. Zie artikel 23, lid 5, van de grondwet.

Als de overheid gaat over het wat van het onderwijs, zeg maar dat wat een kind uiteindelijk moet kunnen en kennen, en het onderwijs over het hoe, mag dan de leraar voor de klas, de professional, invullen hoe hij dat het kind leert? Wie denkt dat dit de logische conclusie is uit de aanbevelingen van de commissie-Dijsselbloem is voorbarig. Op dit punt doemt een nieuw schoolstrijdje op. Zal het onderwijsmiddenveld, de koepels, zoals de VO-raad voor het Voortgezet Onderwijs, accepteren dat een herwaardering van het begrip vrijheid van onderwijs niet hoeft te betekenen dat het middenveld het voor het zeggen krijgt? Zullen grote schoolbesturen, zoals Ons Middelbaar Onderwijs in Brabant, accepteren dat ook zij mogelijk niet het niveau zijn waar de vrijheid stopt, maar aanvaarden dat die vrijheid ook nog een stapje lager moet bestaan, op het niveau van de individuele school en mogelijk op dat van de sectie Nederlands of wiskunde, of nog lager op dat van de individuele leraar? Vraag is natuurlijk allereerst of de politiek het hierover onderling wel eens is. Het antwoord is nee. Het probleem is nu juist dat daar zeer verschillend over wordt gedacht.

De commissie over de kernwaarden van de rechtsstaat schrijft in haar rapport dat voor het vertrouwen in de rechtsstaat het vertrouwen in instituties als de politiek belangrijk is. Ook dat lijkt een open deur, net zoals de drie kernwaarden van deze commissie-Van de Donk niet nieuw zijn. Maar als die open deur wordt ingetrapt op de dag dat die andere commissie haar harde oordeel velt, daarbij de politiek als medeschuldige aanwijst en woorden gebruikt als ernstig verwaarlozen en tunnelvisie, dan lijkt ook dat geen toeval. Daardoor rijst wel de vraag of de zelfkritiek van de commissie-Dijsselbloem bijdraagt aan het herstel van het vertrouwen in de politiek en daarmee in de rechtsstaat, of juist tot het tegenovergestelde zal leiden en het wantrouwen zal vergroten, omdat burgers door de niet mis te verstane bewoordingen zullen reageren met: zie je wel, die politici deugen niet.

Veel zal afhangen van wat de politiek in de praktijk met het rapport-Dijsselbloem en de daarin opgenomen aanbevelingen gaat doen. Papier is geduldig. Dat er meer geluisterd moet worden naar de burger, dat er beter naar de haalbaarheid moet worden gekeken als de politiek wat wil, dat regeerakkoorden niet te veel dichtgetimmerd moeten worden, dat financiële overwegingen niet verstopt moeten worden achter mooie woorden en idealen, het is allemaal al eerder gezegd. Dat ook dit allemaal een open deur is, vergroot het vertrouwen in de politiek niet. Wat vervolgens weer het vertrouwen in de rechtsstaat ondermijnt. Zo hebben onderwijsvernieuwingen en het vertrouwen in de rechtsstaat direct met elkaar te maken.

Een van de aanbevelingen van de commissie-Dijsselbloem is dat de overheid moet stoppen ‘met het over de heg van het onderwijs gooien’ van allerlei maatschappelijke problemen. Dus is het nu niet de bedoeling dat het overdragen van de kernwaarden van de rechtsstaat een apart vak wordt op school.

Andersom echter zou het verstandig zijn als de commissie-kernwaarden haar bevindingen óók over de heg van de onderwijswoordvoerders gooit. Dan kunnen deze politici ervan doordrongen raken dat er nog meer verloren gaat als de overheid haar kerntaak op het gebied van onderwijs verwaarloost. Bovendien zullen de politici zich dan realiseren dat ze daar zelf de dupe van worden, omdat de kiezer zich van hen afkeert. Ook dat is een open deur, maar ook deze kan niet vaak genoeg worden ingetrapt. Onverschilligheid is geen optie, luidt de titel van het rapport over de rechtsstaat.