De openbaring

Ruben van Gogh, alias De Man van Taal, is optredend dichter. Na zijn debuutbundel De Man van Taal, verscheen deze week De hemel in, de hemel uit. ‘Ik ben met middelvingers omhoog van het podium gelopen.’

‘MIJN ERGSTE OPTREDEN was op Lowlands, in een tent. Vlak voor me trad Freek de Jonge op als mystery guest. Dat had al een paar uur over het terrein gezongen, dus er stonden een paar duizend man. Het was ook nog eens zijn verjaardag. Hij had drie dozen vol met rammelaars meegenomen en die deelde hij uit. Ik geloof dat degene die direct na hem kwam twaalf rammelaars naar zijn hoofd kreeg. Bij mij luisterden ze het eerste gedicht nog wel, maar tijdens het tweede begon dat hele publiek met de voeten op de grond te stampen en met die rammelaars te rammelen. Dat was echt mijn dieptepunt. Ik ben met middelvingers omhoog van het podium gelopen. Daar kan ik echt agressief van worden. Ik heb nog wel eens het gevoel: als ik iemand tegenkom die daar toen tussen stond, dan…’ ('HET BEGON als een geintje. Met een vriend die in Wageningen studeerde. We stuurden elkaar briefkaarten met rijmpjes, een beetje van die light verse-achtige dingen: “Jezus liep over het water./ Zo'n twintig eeuwen later/ fiets ik over een brug./ Ik maak wel geen geschiedenis,/ dat is een ding wat zeker is,/ maar het gaat wel lekker vlug.” Of dan had je die postzegelacties van: “Laat je hart spreken”, en dan tekenden we zelf stempels met potlood: “Laat je hart steken.” Gewoon geintjes. Ik studeerde biologie en sociale geografie in Groningen. Heb ik niet afgemaakt. Omdat ik dichter ben maar ook omdat ik bang was dat ik anders nog leraar zou worden. Ik dacht: nou, dan word ik gauw overspannen. In 1990 ontmoette ik Dirk Dijkstra en Jos Tolboom. Onder de naam Triade gingen we optreden voor studentenverenigingen en in kleine zaaltjes. Poëzie met gymnastische aspecten, we hadden geografische en wiskundige poëzie. Of we vertelden gedichten met de kaart erbij. Dan lieten we zien waar in Groningen die gedichten zich afspeelden. Tussendoor hadden we gekke grappen - Versiercursus met gedichten. Was wel leuk. Daarmee was ik weer gestopt toen ik rond 1996 op vakantie was geweest en bij thuiskomst de uitgeverij van de Triade-bundel op het antwoordapparaat stond. Ze waren benaderd door Gerrit Komrij. Hij wou twee gedichten opnemen. Verrassing ja, helemaal omdat er vier jaar tussen die Triade-bundel en Komrij zat; Jos was intussen wiskundeleraar geworden. Toen heb ik wel een paar keer gesprongen. Ik heb het nog wel eens hoor, als ik eraan denk. Dat ik dan zo heel hard yes! roep. Daarna ben ik benaderd door Bert Bakker/Prometheus en heb ik De man van taal gemaakt. Dat ging heel veel over onbereikbare liefdes en zo. En er zat ook nog veel light verse bij. Maar in de laatste hoofdstukken gebeurde het al veel dat ik dingen om me heen zag die ik direct wilde vertalen naar een gedicht. Dat kon muziek zijn - hiphop - of videoclips. Bewegingen vooral. Zoals je tegenwoordig wel ziet dat mensen vertraagd tegen een versnelde achtergrond lopen of andersom. Ik dacht: hoe kan ik dat nou in een gedicht vangen? Er zit zelfs een gedicht bij dat eigenlijk een remake is van een clip van Coolio: Gangsta Paradise. Rond die tijd begon ik ze bij optredens uit mijn hoofd te doen. Ik had wel nog altijd een setlist bij me, maar die heb ik tegenwoordig ook niet meer. Ik ga gewoon staan en ik zie wel wat ik doe.’ ('ALS JE UIT je hoofd voordraagt, kun je net als een acteur ook helemaal in zo'n tekst komen. Het begint te leven en er komt een soort beweging in de gedichten. Ik denk dat die beweging ook van invloed is op hoe ik schrijf. Door het gedicht heen probeer ik een soort golflijn te zoeken. Als ik mijn gedichten op het podium alleen zou voorlezen, zou ik ze veel meer op vaste punten afbakenen. Ik werk aan geen tot één gedicht. Als ik aan meerdere dingen denk, komen ze allemaal samen in één gedicht. Ik lees veel gedichten en ik vind het helemaal niet erg als die me beïnvloeden. Ze zijn gewoon één van die dingen waaraan ik denk - samen met de laatste videoclip die ik zag. Alles komt ergens in een uithoek van een gedicht terecht. Een woord dat ik ergens gelezen heb, iets uit een muziekstuk dat ik heb gehoord. Het gedicht “De gele stenen revolutie” begint met “De gele stenen waren slordig neergesmeten/ Uche - Uche - Uche”. Dat kwam omdat er een hiphopnummer op de radio was waarin de zanger opeens zong van: “Uche uche uche.” Ik haal denk ik veel meer uit videoclips of hoe artiesten te werk gaan dan uit de klassieken. Ja, hij is opgedragen aan Nathalie. Da’s mijn zus. Die had zelfmoord gepleegd in december 1996. Dat was ook omdat… Mijn jongste zus heeft net eindexamen gedaan en was eerst van plan om de Toneelacademie in Maastricht te doen en toen zei Nathalie tegen me: “Ja, en dan ben jij een bekende dichter en dan is Mirjam een bekende toneelspeelster, maar wat ben ik dan?” Toen dacht ik: nou, dan draag ik gewoon mijn volgende bundel aan jou op. Alleen, toen ging ze intussen ook nog dood. Dus zo werd het wel… Maar goed, ik heb het evengoed gedaan. Ik heb niet speciaal over haar geschreven, maar je ziet alles wat ik meeneem toch terug. Als je van zo dichtbij de dood meemaakt, sta je daar vanzelf wat meer bij stil. Het is een beetje zoeken geworden. Naar het Wijdere, of het Grotere. Misschien ook wel naar het opgaan in dingen. Ik dacht toen ik aan het samenstellen was: het is bijna spirituele, religieuze poëzie. Terwijl ik niet zo ben en dat ook niet mijn bedoeling was. Ze is wel prettig om voor te dragen. De meeste gedichten ken ik al uit mijn hoofd. Ik ben een groot voorstander van het voordragen. Op het podium bereik ik de tegenwoordige tijd. De ervaring van het moment. Iemand zei een keer na afloop van een optreden: “Ik weet niet meer hoe het ging, maar ik weet wel dat ik het mooi vond.” Dat vind ik heel mooi. Het was iets wat op dat moment had plaatsgevonden en daarna helemaal weg was. Als je het leest, gaan er weer andere dingen spelen.’ ('VOORDRAGEN is sowieso al belangrijker voor mij omdat mijn luisterpubliek vele malen groter is dan mijn leespubliek. Twee goeie optredens en ik zit al over mijn hele oplage heen. Ik ben wel benieuwd wat er gebeurt als ik of andere podiumdichters de gedichten van de oude generatie doen - de dichters die normaal staan te mompelen, om het maar onbeleefd te zeggen. Een paar jaar geleden begon de aandacht voor de overeenkomsten tussen rap en poëzie. Om het minste of geringste werd je toen een rapdichter genoemd. Ik heb op het Double-Talkfestival nog in smoking tussen de hiphoppers gepresenteerd. Ik had mijn moment of glory toen na afloop in de catacomben van Paradiso zo'n enorme neger met van die enorme openstaande gympen op me af kwam lopen en zei: 'Yo Van Gogh: brother!’ Dat was echt geweldig. Er is niet veel voortgekomen uit die combinatie van rap en poëzie. Ik had verwacht dat de Nederlandstalige rap wat meer zou doorstoten. Bij de dichters zie je wel dat een deel is opgegroeid binnen een popmuziek-, een punk- of in ieder geval een podiumcultuur. Vaak hebben ze ook zelf als zanger of muzikant op het podium gestaan. En nu staan ze er als dichter toch met wat meer bravoure. En over tien jaar? Wat je nu ziet bij een groep mensen is sowieso het gemak waarmee de ruimte wordt ingegaan. Zoals ze voor de oorlog allemaal van die zeegedichten hadden - met eindeloze deining - gaat men nu de ruimte in. En je ziet veel, ja ik noem het maar postindustriële stadslandschappen. En van die snelwegpoëzie, betonpoëzie. Maar als de beweging van nu voortgaat, ziet het er straks wel wat vrolijker uit. Wat minder naar binnen gericht. Veel Engelstalige en Amerikaanse poëzie zijn hele lange verhalende gedichten aan het worden, met veel klanken erin. Daar gaat de overgang van rap naar poëzie naadloos in mekaar over. Ik denk ook dat wat Serge van Duijnhoven heeft gedaan, een cd erbij, wat meer zal gebeuren. Het wordt in ieder geval wat expressiever. Met meer bravoure.’