De openbaring

Peter Giele Performance kunstenaar en Roxy-bouwer Peter Giele bouwt in Amsterdam, aan de Amstel tegenover de Munt, zijn eigen restaurant, Inez-IPSC. ‘Steeds zei Inez: jij bouwt het en ik zit ermee opgescheept.’

‘JE MOET ME ruimte geven en volledig vertrouwen. Eerst moet ik mijn furie kwijt, daarna verzuip ik er totaal in. Ik ga me helemaal in die ruimte vreten. Aan de Roxy heb ik veertien maanden gebouwd, ben ik een heel souterrain gaan uitgraven. Hier duurde het negen maanden. Van ’s(ochtends zeven tot ’s(avonds tien. Ik zie niemand meer, doe niks anders. Ik heb geen seks, geen leven. Ik ben een bouwstofbeest. Nu ben ik zo moe: we hebben niet eens meer een opening gedaan. Het is nog lang niet af, maar mensen zien het niet meer. Gisteren heb ik de helft van de schroeven erin gezet. Vier dagen geleden heb ik die lampjes pas opgehangen. En dat zaaltje… o… Peter, Inez-IPSC… ja, goeiedag… nou, we hebben een hele leuke tafel maar die is wel uitverkocht… ja?… twee personen, hoe laat?… oké, bedankt, dag. Ik snap er helemaal niks van jongen - dat ik een restaurant heb! Het is zo idioot. Inez heeft er wel heel veel verstand van. Maar goed, ga nou eens wat vragen! Ik leerde Inez kennen in de Roxy. Ze stond achter de bar. Dat werd wat tussen ons; ze is mijn redding - héél belangrijk. Ik wilde samen een zaak beginnen, maar steeds zei zij: jij bouwt het en ik zit ermee opgescheept. Anderhalf jaar geleden lopen we door de stad en ik zie hier een heel groot spandoek hangen: Bedrijfsruimte te huur. Inez zegt: is toch veel te duur. Ik zeg: nou, ik ga toch bellen. Blijk ik de eerste te wezen, dat spandoek hing er net. Mocht ik langskomen. Dus ik kom hier binnen, zie die zolder en ben gelijk helemaal verkocht. Een ton huur, ik mocht een optie. Ik kom thuis, ga weer hierheen en ik zie allemaal van die zakenlieden met koffertjes naar buiten komen. Ik denk: optie is niet veilig. Dus ik doe het. Ik had nog met niemand overlegd! Ik bel Inez en ik zeg: ik heb het gewoon gedaan schat, ik heb het gewoon gedaan. Niet met de bank, niet met Heineken, niet met die investeerder - met níemand gesproken! Nou, toen maar aan de slag gegaan. Als het fout gaat, zijn we helemaal failliet. Maar goed, we moeten even terug naar het verhaal: waarom begin ik een horeca-zaak?’ 'IK WAS EEN braaf jongetje uit Hilversum. Mijn vader was middenstander - volgens mij komt tachtig procent van de kunstenaars uit een middenstandsmilieu. Hij verhuurde plastic bloemen door heel Nederland. In Amsterdam, op de Rietveld, sloeg ik gelijk open. Ik reed op een step door de stad, met een Zorro-cape om. En ik kocht een huis met een tuintje. Ik trouwde met het leukste meisje van de klas, Marijke. Even waren mijn ouders tevreden. Maar ja, ik ging dat huis dus weer helemaal verbouwen. Verkleed als Zorro. Twaalf dieren: twee kippen, twee konijnen, twee woestijnratten in een waanzinnige kooi met glijbanen en alles, twee duiven, twee parkieten - het was een beetje de Ark van Noach. Een half jaar nadat het af was, heb ik alles weer verkocht. Huis, inboedel, herinneringen - álles. Ik wilde op reis. Ik kocht twee lichtgewicht racefietsen. Ik dacht, we krijgen regen en onweer op die tocht, dus ik maakte een lichtgewicht karretje met een balhoofdstel aan mijn fiets. Racewielen eronder en erop zette ik twee helemaal afsluitbare regentonnen. In het ene vat zat alle winterkleding en in het andere de zomerkleding. Daarboven zat nog een half vaatje voor de dagvoorraad eten. Dan had ik nog een jerrycan met vijf liter water en een waterreiniger van zeshonderd gulden. Super. Op mijn fiets had ik een kompas laten maken. Ik dacht we blijven jaren weg. Marijke zei: een paar maanden. Om half zes ’s(ochtends gingen we de deur uit. Huis weg, herinneringen weggedaan, uitgezwaaid door de buren. Marijke niks, ik de bepakking en die kar. En tekenspullen zodat ik onderweg kon tekenen. Make-up nog, en ik had een monocle laten maken. Ik zei: wie weet gaan we onderweg wel performances doen. Dus we rijden weg en we raken gelijk verdwaald in de Bijlmer. Na drie uur zitten we nog in Amsterdam! Péter… ja… ja ja… we hebben nog steeds tijdelijke situatie… oké dag… We sliepen in huizen in aanbouw en het vrije veld. Uiteindelijk zijn we in Athene beland. Vandaar met de bus naar Engeland gegaan. Ko men we aan in Londen: Marijke loopt met twee fietsen, ik heb twee wielen in mijn hand en duw met mijn voet twee tonnen rollend voort. Belachelijke tocht.’ 'WEER IN AMSTERDAM belandde ik in een woongemeenschap naast Fodor. Voor mijn eerste tentoonstelling sloopte ik de branddeur tussen de twee panden eruit en verving die door een glazen deur. Dat werkte fantástisch: liep je door het museum en keek je die commune in. Zag je opeens kinderen in hun pyjama naar bed gaan. Het NRC-Handelsbladgebouw was gekraakt. Waanzinnig pand met enorme afvalbergen. Beneden was een open gebied met allemaal junks. Ik ging weer bouwen: een groot huis midden in die ruimte. Daarnaast een galerie, Amok. Kregen we heel veel aandacht mee. Gelijk na de Vondelstraatrellen organiseerden we een tentoonstelling. Bij de kroning had ik twee wachthuisjes getimmerd en David Velthoen had helmen en uniformpjes gemaakt. Hadden we enorme boxen opgesteld en gingen we om twaalf uur wachtlopen. Amok-vrijstaat! Alles wat we deden was gelijk hot news. Want kraken was in en wij waren het ludieke gezicht. We wilden weg van het zolderkamertjeskunstenaar-zijn. Hingen we honderdvijftig vuilniszakken met kunst door de stad. Later ben ik op het Waterlooplein mijn tekeningen weer tegengekomen. Péter International Private Society Club… nee… nee… jammer, bedankt, oké… Mijn eerste performance was ook in Amok. In de ene etalage had ik allemaal vrouwelijke naaktmodellen opgehangen en in de andere zat ik als klassiek naaktmodel. Buiten had ik ezels neergezet en konden mensen me natekenen. Ik ging in mijn performances haast altijd uit van mijn naakte lichaam. Daar kon ik veel meer in leggen dan in een schilderij of een beeldhouwwerk. Het naakte lichaam is tijdloos. Sowieso… Ik ben helemaal niet moe, ik moet nog vertellen over Aorta! O nee, eerst heb ik nog dat punkcafé overgenomen en schaftlokaal Royaal gemaakt. Binnen een half jaar failliet, daarna ben ik met anderen Aorta begonnen in de grote drukpershal van het NRC-gebouw. Drie maanden waanzinnig gebouwd. Die hal zat vol pijpleidingen die ik doorsleep met een slijptol en dan spoot de inkt over me heen. Twee uur voor de opening heb ik over een kuil van vier meter diep twee staaldraden gespannen en daar heb ik een deur overheen gelegd van zestig à zeventig centimeter breed. Ik ben naakt, heel smerig met een lakentje over me heen, óp die deur gaan liggen en gelijk in slaap gevallen. Zevenhonderd mensen, drie bands, en al die mensen waren doodsbenauwd dat ik van die deur zou vallen - vier meter diepe betonnen vloer eronder. Het heette: The Artist Dreaming of his Own Reality.’ 'IK WIL NIET nostalgisch klinken, maar in de jaren tachtig was er heel veel energie. Mensen wílden gewoon iets laten zien. Bandjes traden voor niks op. Kunsthistorici? Daar ging het helemaal niet om. Al die jonge meisjes die kunsthistorie gaan studeren en daarna een stroming willen ontdekken. Toen wij begonnen ging het nog om wat een kunstenaar te vertellen had. Maar ondertussen ging het steeds vaker om wat de kunsthistoricus te vertellen had. Die verzon een thema en daar paste de ene kunstenaar wel in en de andere niet. De energie die eerst in de beeldende kunst zat, werd eind jaren tachtig weer helemaal opgebouwd met de house en de Roxy is daar echt mee begonnen. Peter Giele International Private Society Club… Waarom neem ik nou op? Zeg dat ik niet opneem. Nou goed, je moet me gewoon vragen waarom ik op dit pand viel. Omdat ik dit echt een internationale spot vind. Zowel toeristen als elke Amsterdammer komt langs. En het is één hoog. De massa loopt hier onderlangs. Zó'n massa. Je gaat gewoon anders denken over hoe de maatschappij in mekaar zit. Dit moet een heel persoonlijke zaak zijn. Ik heb nu al een paar avonden het centrale stofzuigersysteem gedemonstreerd midden op de avond. Dan ga ik alle asbakken leegzuigen. Ik schreeuw keihard door de zaak heen of ik eet een toetje van iemands bord af. Nee, ik neem niet op. Ik ben de kaart van zaterdag kwijt. Voorlopig ben ik geconfronteerd met zeer aardse, logistieke problemen: waar laat ik de es? Waar laat ik het vuil? Ik bouw nog de hele dag als ik niet met jou aan het lullen ben. En ik gebruik niks hè, allemaal natural energy. Nou heb ik nóg het gevoel dat ik heel weinig verteld heb.’