De openbaring elle eggels schrijfster/‘het huis van de zeven zusters’

‘IK WILDE DE presentatie van mijn roman met opzet op die dag doen, omdat dat de dag van Mulúk was volgens de Maya-kalender. Dat betekent wel degelijk iets voor me.

Dat mijn boek voor verschijnen al aan Amerika is verkocht, en inmiddels ook aan Duitsland, is erg onwezenlijk voor me. Ik heb daar nooit zo over nagedacht. Mijn volgende boek is een reisboek, dat is veel internationaler. Dat mijn debuutroman ook meteen vertaald zou worden…
Ik wilde schrijven op een andere manier dan de meeste Nederlanders doen. Met meer beeldspraak. Meer vertellend dan de meeste Nederlanders. In de sfeer van de Zuid-Amerikaanse schrijvers, die altijd verhalen willen vertellen. Ik dacht dat dat redelijk goed gelukt was. En ik verwachtte dan ook dat heel literair Nederland - eh, een heel klein stukje van literair Nederland daar overheen zou vallen. Zo van: wie denkt zij wel dat ze is? Maar daar is nog niets van gebleken.’
‘IK HEB ME ongeveer een jaar teruggetrokken. Niet per se om dit boek te schrijven. Het was gewoon zo dat ik een andere wending aan mijn leven wilde geven. Wat dat precies moest worden, daar was ik nog niet uit. Ik dacht aan scenarioschrijven, maar daar heb je een lange aanloop voor nodig. Toen dacht ik: als het niet lukt, ga ik reizen. Ik besloot ten slotte dat ik gek was als ik niet eerst ging reizen. Dat ging van de ene dag op de andere.
Ik moest het geld nog ergens vandaan zien te halen. Ik had een huisje in Amsterdam, dat heb ik verkocht. Dat was binnen zes weken gebeurd, grappig genoeg. Ik wilde al heel lang gaan schrijven. Waarom ga je dat dan niet meteen óók doen? dacht ik. Ga ergens wonen, blijf ergens hangen. Je huurt een huisje. Je komt in de sfeer van het land, in mijn geval Zuid-Amerika, en je gaat die roman schrijven. Want die had ik al in mijn hoofd. Zo ben ik vertrokken.
Eerst leerde ik Spaans. Na verloop van tijd kreeg ik meer rust. Ik had een huisje in Antigua. Later ben ik doorgereisd naar San Cristobal in Mexico. Daar ben ik ook een hele tijd gebleven. Dat was de plek waar ik Het huis van de zeven zusters heb geschreven. Ik had een kamer aan een patio met mijn eigen grapefruitboompje. Ik schreef en ik boetseerde.’
'IN DE JAREN zestig was ik geïnteresseerd geraakt in mode. Tot en met de jaren tachtig heb ik over mode geschreven. Knip. Marion. Trend. En marketingverhalen in vakbladen. Een half jaar voor Elsevier. Toen kwamen de jaren zestig terug, al die retro-trends. De mode had een cirkel gemaakt. Ik vond dat lelijk. Ik dacht: hier kan ik me niet meer over verbazen. Laat dat maar over aan de jongeren. Dan kan ik wat anders doen. Ik wilde niet meer over mode schrijven.
Ik ben op reis gegaan met de gedachte: als ik in een pizzeria terechtkom, dan is het goed. Als ik in een hotel gevraagd word om receptioniste te spelen, dan is het goed. Als ik een leuke meneer tegenkom, dan sta ik daar ook voor open. Dat gebeurde allemaal niet. Ik kreeg alleen een ontzettend goed idee voor een boek. Omdat ik op een of andere manier werd gestuurd naar dingen die met de Maya’s te maken hadden. Ondertussen ging dat eerste boek wel door. Dat Maya-boek, daar ben ik nu mee bezig. Het godencomplot heet het.
Ik kreeg dat hele verhaal op mijn bord. Ik moest het gaan schrijven. Intussen is daar ook een contract voor getekend. Nu ben ik dus opeens schrijver. De mode doet me niets meer. Dat is een gepasseerd station.’
'HET GEGEVEN voor Het huis van de zeven zusters had ik al langer. Al een paar jaar. Ik was er in Nederland aan begonnen, en ik had het zelfs aan iemand laten lezen. In Mexico vond ik de rust om er langer aan te werken. Een boek, daar moet je helemaal ín kruipen. Ik moest dat huis binnengaan, zal ik maar zeggen. Tot het af was.
En toen was het af. Ik had nog veel moeite om het weg te sturen. Ben ik een week of zes aan het schaven en het slijpen geweest, om het manuscript uiteindelijk toch maar op de post te doen. De mevrouw die had gezegd dat ze het voor me zou regelen had er niets mee gedaan. Ze had het waarschijnlijk nog niet eens gelezen. Ik heb toen zelf contact opgenomen met een aantal uitgeverijen. De grote, die ik kende. Van hen kreeg ik het allemaal terug. Vervolgens ben ik er nog eens aan gaan sleutelen, tot het moment dat ik wist: ik moet het nog één keer doen. Dat was ook een kwestie van zelfvertrouwen. Plotseling wist ik zeker dat het iets ging worden. Volgens mij heeft dat de doorslag gegeven: niet het boek, maar het vertrouwen dat ik in mezelf had. Het huis van de zeven zusters heb ik naar zeven mensen gestuurd, de zogenaamd kleinere uitgevers. Vassallucci kende ik helemaal niet.
De volgende dag belden ze. Of ze het hele manuscript mochten lezen? Ik ben in de auto gesprongen om het naar het postkantoor te brengen. De dag daarop belden ze weer om een afspraak te maken. Ze begonnen meteen over een contract. Ik wist niet wat me overkwam.’
'HET ANDERE mooie moment was de dag dat ik de eerste cover kreeg. Toen heb ik wel staan juichen in de woonkamer. Dat omslag werd later afgekeurd. Het was mooi, maar de cover die er nu is, is meer het boek. Er zit toch een bepaalde warmte in dat boek. Iets mystieks, en iets katholieks. Maria, trooster aller vrouwen.
Er zitten natuurlijk heel veel autobiografische elementen in, maar het verhaal is een verhaal. Wat je ook bij Gárcia Marquez ziet, en bij Isabel Allende. Die hebben gebeurtenissen uit hun leven genomen en daar een verhaal van gemaakt. Er zit dus een heel hoog waarheidsgehalte aan. Gárcia Marquez heeft almaar verhalen uitgerekt en vergroot. Zoals die man die de hele tijd maar die gouden visjes zit te maken. Dat vond ik vreselijk boeiend. Ik dacht: dat kan ik toch ook? Laat ik gewoon iets nemen dat bestaat, of dat bestaan heeft, en daar mee spelen. Zodat mensen er naartoe kunnen gaan, om te zeggen: hier was het dus, hier gebeurde het, daar wandelden die vrouwen, daar hebben ze het brood gebakken. Dat is ook een vorm van magie. Je maakt een verhaal dat niet bestaat, maar toch is er wel veel waar.’
'IK KOM UIT Limburg. Ik ben na de oorlog geboren. De Tweede Wereldoorlog is slechts zijdelings in de roman aanwezig. Het gaat vooral over de jeugd van mijn moeder. Zij komt uit een gezin van zeven meiden. En twee jongens, maar die heb ik verdonkeremaand. Ik wilde dat de roman zich in die tijd zou afspelen. Ik heb niet de echte leeftijden van de mensen genomen, maar ze een leeftijd gegeven die bij het verhaal hoorde.
Een tweede reden waarom die oorlog er niet zo in zit, is omdat die in het leven van die vrouw, van mijn famlie, niet zo veel heeft betekend. Het leven ging gewoon door. In de laatste paar jaar vlogen de granaten je wel eens om de oren. Het dorp lag aan de Maas, en dan gooiden de Duitsers aan de ene kant en de Engelsen aan de andere kant met granaten, dus er zijn best veel doden gevallen, maar niet bij mijn moeder in de familie. Het leven ging op de een of andere manier door, vreemd genoeg. Daarom heb ik niet zo veel met de oorlog gedaan. Ook omdat ik die sfeer niet ken.
Misschien heb ik het ook wel bewust zo gedaan. In mijn jeugd heb ik heel veel Nederlandse literatuur gelezen, en dat ging altijd maar over de oorlog. Al die auteurs wilden de oorlog van zich af schrijven. Daar had ik zo'n hekel aan, ik wilde daar niemand mee vervelen.’
'IK GEBRUIK veel metaforen. In de Nederlandse literatuur kom ik dat zelden tegen. En ik hou er erg van. Ik vind het mooi als ik het in andere boeken lees, vooral Zuid-Amerikaanse. Laura Esquivel, Juan Rulfo, mijn grootste held. Daarom heb ik geprobeerd om in het Nederlands iets dergelijks te doen. Zodat we lekker lezende boeken krijgen. Zonder dat het meteen een romannetje hoeft te worden.
In Amsterdam had ik nog een paar wanden vol met boeken. Die heb ik of weggegeven of verkocht. Nu heb ik een bescheiden boekenkast. Daarin staat alleen wat ik echt niet kan missen.’
'MET MIJN redacteur heb ik ontzettend gevochten om een aantal zinnen en stukjes die hij er uit wilde hebben en die ik er in wilde houden, maar we zijn er goed uitgekomen. Bij deze uitgever voel ik me bij het team horen. Voor mij is dat belangrijk. Het is zo'n eenzaam vak… Maar tegelijkertijd heb je die eenzaamheid nodig om te schrijven. Ik woon nu in Soest. Ik had de mogelijkheid om in Amsterdam te gaan wonen, maar toen ik zag hoe druk het daar was, en hoeveel straten er waren opgebroken… Toen wilde ik niet meer. Ik zit hier heerlijk. Moet je die stilte horen… Heerlijk.
Voorlopig wil ik alleen maar schrijven. En reizen. Ik kan me voorstellen dat ik straks mijn laptopje pak en naar Mexico ga. En weer ga schrijven.’