China en buitenlanders

De Opgerolde Loper

Waar China tot voor kort even openstond voor kapitaal en technologie uit het buitenland keert het zich nu weer in zichzelf.

LAATST HOORDE IK iemand het weer zeggen. Dat de Chinezen zo agressief zijn geworden tegen het buitenland. ‘Vroeger’, zei die zakenman, 'werden we in China in de watten gelegd, maar de laatste tijd krijgen we allerlei beperkingen opgelegd. Vroeger wilden de Chinezen nog van ons leren, tegenwoordig leren ze alleen van onze vergissingen. We kunnen er helaas weinig tegen doen, want we hebben ze hard nodig om onze Grote Recessie te boven te komen.’
Recente voorbeelden van wat eufemistisch 'China’s nieuwe assertiviteit’ wordt genoemd, zijn er inderdaad te over. Op politiek, diplomatiek, economisch en militair gebied maakt China de rest van de wereld op vaak allesbehalve subtiele manier duidelijk wie de nieuwe wereldmacht aan het worden is. Niet-Chinezen kunnen vaak niet snappen waar die volgens hen arrogante houding vandaan komt. En ze zullen het nooit snappen als ze niet teruggaan naar een ver verleden.
Heel lang geleden vestigden nomaden zich aan de middenloop van de Gele Rivier. Daar begonnen ze landbouw te bedrijven, en daar is volgens de overlevering de Chinese cultuur geboren. Vanaf het begin hebben de Chinezen zich bedreigd gevoeld door de steppennomaden van Midden-Azië, geduchte ruiters en boogschutters die eeuwenlang grote delen van het Aziatische continent beheersten en soms zelfs, zoals de nazaten van Djenghis Khan, delen van Europa onderwierpen. De nomadenvolken, China’s eerste 'buitenlanders’, werden weggezet als ongelikte lieden die geen deel hadden aan de superieure Chinese beschaving.
Dat superioriteitsgevoel tegenover herdersvolken, Mongoliërs en Tibetanen bijvoorbeeld, hebben de Chinezen nog steeds, en welvarende stedelingen hebben het tegenwoordig ook tegenover de arme migranten van het platteland. Niet alleen de nomaden, maar alle niet-Chinese volken werden beschouwd als barbaren. Als wij 'buitenland’ en 'buitenlanders’ zeggen, denken we aan een bonte variëteit van landen, volken en culturen. In de traditionele Chinese visie worden buitenlanders over één kam geschoren vanwege hun overdonderende overeenkomst: ze leven allen buiten de Chinese cultuur en zijn daardoor allemaal automatisch barbaren.

DIVERSE MALEN hebben barbaren zich van China meester gemaakt en nieuwe dynastieën gevestigd, zoals de half-Turkse Tang (618-907), de Mongolische Yuan (1271-1368) en de Mantsjoerijse Qing (1644-1912). Dat leidde echter niet tot de barbarisering van China, maar tot de verchinezing van de buitenlandse dynastieën. De Chinezen pasten zich niet aan de barbaren aan, maar omgekeerd. Daarvoor was de Chinese cultuur te sterk, te diep geworteld en zich te zeer bewust van haar superioriteit. Juist onder de Tang, de Yuan en vooral de Qing heeft China zich sterk uitgebreid, alsof de buitenlandse heersers wilden bewijzen hoe Chinees ze wel waren.
Die sinisering ('verchinezing’) zie je ook op andere gebieden. Zo heeft China van het uit India gekomen boeddhisme en van het uit Europa overgewaaide marxisme geheel eigen versies vervaardigd. Mao Zedong maakte van het marxisme een radicale emancipatiebeweging van arme boeren, en Deng Xiaoping smolt het om tot het 'socialisme met Chinese karakteristieken’, dat van China in vliegende vaart een wereldmacht heeft gemaakt.
China was vanouds geen natiestaat - dat idee vond onder westerse invloed pas ingang in de negentiende eeuw - maar een beschavingsstaat, zonder duidelijke landsgrenzen. Het was dan ook geen land in onze zin van het woord. Krachtens een Hemels Mandaat regeerde de keizer over tianxia, alles wat er onder de hemel is. Het rijk van deze universele heerser, niet voor niets beschouwd als zoon van de hemel zelf, omvatte de hele beschaafde wereld, dus per definitie de Chinese wereld. Het rijk zelf had geen eigen naam. De Chinese naam voor China, Zhongguo (Centrale Land, Middenrijk), is oorspronkelijk geen eigennaam. In zijn oudste betekenis 'centrum van de beschaving’ is het bijna een synoniem van tianxia. China hoefde ook geen eigen naam te hebben, want andere beschavingen waren er niet.
De Chinezen waren ervan overtuigd dat de barbaren eigenlijk niets liever wilden dan uit hun barbarij worden opgetild om aan de Chinese beschaving te kunnen nippen. Tussen beschaving en barbarij liep geen duidelijke grens, maar een overgangsgebied, zoals vruchtbare grond langzaam kan overgaan in een woestijn. De volken aan de periferie werden gesiniseerd en opgenomen in de Chinese beschaving, en daarmee in het Chinese Rijk. Die politiek gaat, met wisselend succes en onder soms bloedig protest, tot op de dag van vandaag door in Tibet, Xinjiang en Binnen-Mongolië.

DE BETREKKINGEN tussen China en de buitenwereld konden niet anders dan ongelijk zijn. Een niet-Chinese vorst die met China relaties aanknoopte, kreeg automatisch de status van vazal. Periodiek maakte hij of zijn vertegenwoordiger zijn opwachting bij de keizer, wierp zich voorover, bonkte eerbiedig met zijn voorhoofd op de vloer, overhandigde kostbare geschenken en kreeg voor deze symbolische onderwerping de welwillende bescherming van de Hemelzoon.
Dat ritueel voelde de doorsnee vazal in het geheel niet als een vernedering, integendeel. Het was juist een eer deel te krijgen aan de Chinese beschaving, terwijl de eigen autonomie volop gewaarborgd bleef. China zou een vazal nooit aanvallen, de ene vazalstaat de andere evenmin. Tussen China en zijn schatplichtige staten gold een verplichting tot wederzijdse militaire bijstand. En de schatting die de vazal de keizer moest afdragen werd ruimschoots gecompenseerd door de milde keizerlijke giften en de geprivilegieerde handelsrelaties met China. Een westerse (neo)kolonie of een sovjetsatelliet was heel wat slechter af.
China had een in de loop der eeuwen wisselend aantal vazalstaten, waaronder Japan, Korea, Vietnam, Cambodja en diverse rijken in Zuid- en Midden-Azië en in het huidige Indonesië. De Chinese admiraal Zheng He, die op zijn zeven zeereizen (1405-1433) de kusten van Zuidoost-Azië, de landen aan de Indische Oceaan en zelfs de Afrikaanse oostkust aandeed, had als hoofdtaak de lokale vorsten ertoe te bewegen in de verre keizer in China hun meerdere te erkennen.
Een buitenlandse gezant die zich meldde bij het keizerlijk hof kon in de Chinese optiek slechts één missie hebben: voor zijn land de status van vazalstaat verkrijgen. Dat was ook precies wat de oude Qianlong-keizer voetstoots aannam toen in 1793 Lord Macartney, gezant van de Britse koning George III, een audiëntie bij hem aanvroeg. De keizer herkende daarin ’s konings 'nederige wens om te delen in de weldaden van onze beschaving’. Misverstand: Macartney was naar China gekomen om het land open te leggen voor de massaproducten van de Britse fabrieken en zelf ambassadeur in Peking te worden. Hooghartig wees de Hemelzoon die brutale verzoeken van de hand. China bleef opgesloten in zichzelf en miste de Industriële Revolutie. Daardoor had het geen weerwoord toen vanaf de Eerste Opiumoorlog (1839-1842) de westerse mogendheden en Japan hun moderne militaire en technologische wapenen inzetten om China open te leggen ten behoeve van zichzelf.

DE EEUW DER VERNEDERING heeft de Chinezen gruwelijke trauma’s bezorgd. Het trotse Middenrijk verloor de ene oorlog na de andere, raakte steeds meer soevereiniteit kwijt, kreeg het ene 'ongelijke verdrag’ na het andere door de strot geduwd. Het kostte de heersende Qing-dynastie de grootste moeite om de werkelijkheid onder ogen te zien: de barbaren dreigden de superieure Chinese beschaving onder de voet te lopen. Dit leidde tot explosies van xenofobie zoals de Bokseropstand.
De intellectuele elite raakte diep verdeeld over de vraag hoe China kon worden gered: door de loden last van de traditie van zich af te schudden en radicaal te verwesteren, of door van het Westen alleen een aantal moderniseringen over te nemen maar de wezenlijke Chinese normen en waarden te houden. Uiteindelijk heeft onder Deng Xiaoping de laatste optie, die je 'modernisering met Chinese karakteristieken’ zou kunnen noemen, het glansrijk gewonnen.
Mao riep bij de uitroeping van de Chinese Volksrepubliek in 1949 dat het Chinese volk was opgestaan. Nooit zou het zich meer door de barbaren laten vernederen. De meeste buitenlanders werden China uitgezet. In Mao’s tijd kon contact met een buitenlander je duur komen te staan. Het idee dat buitenlanders, speciaal westerlingen en Japanners, niet te vertrouwen zijn en eigenlijk niets liever zouden willen dan China onder de duim houden en opnieuw kleineren, is sindsdien niet verdwenen. Het onderwijs en de media houden de herinnering aan de Eeuw der Vernedering springlevend, alsof China nog altijd de underdog is op wie de rest van de wereld het voorzien zou hebben. Buitenlandse protesten tegen Chinese wantoestanden - bijvoorbeeld de onderdrukking in Tibet, de behandeling van andersdenkenden, de warme relaties met de ergste regimes - worden nog altijd snel toegeschreven aan 'anti-Chinese krachten’ die, net als in de notoire Eeuw, uit zouden zijn op de ondergang van het Middenrijk.
China’s razende economische inhaalslag is in Chinese ogen een terugkeer naar de oude glorie, die door een vergissing van de geschiedenis even onderbroken is geweest. De rode loper die voor de buitenlanders was uitgelegd omdat ze nodig waren om China aan kapitaal en technologie te helpen, wordt de laatste jaren weer gedeeltelijk opgerold. Zelfs doemen er contouren van vazalstaten-nieuwe stijl op, zoals Birma, Vietnam, de Filippijnen, Noord-Korea, Mongolië, Pakistan. Sommige spartelen nog tegen, maar hun economische afhankelijkheid van China geeft hun niet veel manoevreerruimte. Misschien is de keizer-vazalrelatie ook de oplossing van de kwestie-Taiwan. En wie weet komen de moderne barbaren van het Westen tot het inzicht dat het in hun eigen belang toch beter is de erfgenamen van de universele heerser in Peking te vriend te houden.

Jan van der Putten is auteur van Verbijsterend China: Wereldmacht van een andere soort (2011)