De opkomst van de kleuterconcurrentie

Het helpt dus allemaal niet. Gelijke kansen bevorderen via het onderwijs? Laat maar, het lukt toch niet. Voorkomen dat er witte en zwarte scholen ontstaan? Leuk geprobeerd. Nederland kent nog steeds standenonderwijs, kopten de dagbladen een paar weken geleden. En de kloof tussen de yuppen-peuter en de achterblijver wordt alleen maar groter, luidde het nieuws afgelopen maandag. De gretigheid waarmee een en ander wordt gebracht doet vermoeden dat hier een heus links taboe wordt geslecht: heerlijk, het mag hardop worden gezegd, de maakbaarheid heeft ook in het onderwijs afgedaan!

Het onderzoek waarop een ambtenaar van het ministerie van Onderwijs afgelopen maandag promoveerde, was goedbeschouwd natuurlijk geen nieuws: de kloof tussen mensen met en mensen zonder maatschappelijke kansen wordt eerder groter dan kleiner. Vroeger was iemands afkomst allesbepalend voor zijn of haar maatschappelijke mogelijkheden, tegenwoordig zijn dat de onderwijsprestaties. En de pogingen die worden ondernomen om potentiele achterblijvers in dat onderwijs bij te spijkeren, komen vooral ten goede aan degenen met de meeste kansen. Zodra het normaal wordt om kinderen van drie jaar al ‘voor te scholen’ (bedoeld om achterstanden zo vroeg mogelijk op te sporen en te bestrijden), zijn het vooral de yuppen- ouders die met hun peuters aan het lezen en rekenen slaan. Zo ontdekte de promoverende ambtenaar.
Het zou ook wel erg vreemd zijn als de rat race die in de hele samenleving aan de gang is, zich niet zou verplaatsen naar het onderwijs. De peuter van nu is de potentiele werkloze van morgen. Neem het ouders dan maar eens kwalijk dat ze er alles aan doen om hun kroost de race te laten winnen. Zo is het inmiddels ook onder progressieve ouders weer helemaal bon ton om kindlief toch maar niet naar de buurtschool te doen, omdat deze 'niet zo goed’ of 'toch wel erg zwart’ is. Want wat koop je ervoor om te leren samenwerken met intellectueel wat minder begaafden of op te groeien in een multiculturele omgeving? Daar hebben we nu even geen tijd voor.
Het is te prijzen dat het overheidsbeleid er nog altijd op gericht is om via het (basis)onderwijs de kansen van potentiele losers te vergroten. Maar het is een typisch sociaal-democratisch misverstand om te denken dat je dat wat er aan de samenleving schort, zou kunnen oplossen via het onderwijs. En het is een Paars misverstand dat je een (basis)onderwijsbeleid zou kunnen voeren dat haaks staat op al het andere beleid. Een concurrentiemaatschappij betekent nu eenmaal concurrentie-onderwijs. En concurrentie, zo mag bekend worden verondersteld, komt altijd ten goede aan de sterksten. Het onderwijs verwordt op die manier tot een pakweg twintig jaar durende intelligentietest.
Ondertussen besteedt Nederland minder geld aan het onderwijs dan de Unesco als norm hanteert. Ging begin jaren zeventig acht procent van het BNP naar het onderwijs, inmiddels is dat 5,8 procent, en dat percentage daalt de komende jaren verder. Klassen van veertig kinderen zijn weer de gewoonste zaak van de wereld.
Is het dan gek dat, zoals een andere promovenda een paar maanden geleden ontdekte, scholen het 'achterstandsgeld’ dat ze krijgen, vooral inzetten voor verkleining van de klassen? Het blijkt een fantastisch middel tegen segregatie, want de witte yuppen-kindjes stromen massaal naar de zwarte scholen met die gezellige kleine klasjes. Alleen kopen de potentiele losers er weinig voor, omdat de slimme kinderen zeker zoveel baat hebben bij kleine klassen. Het verbetert niet de relatieve positie van de losers.
Niet voor niets adviseerde onderzoeker Jungbluth van het Nijmeegse onderzoeksinstituut ITS (Instituut voor Toegepaste Sociale wetenschappen) daarom een paar weken geleden om de segregatie gewoon de segregatie te laten. Het mengen van leerlingen blijkt namelijk niet automatisch de kansen van de zwakkeren te vergroten. Want hoewel in de media de aandacht vooral uitging naar het feit dat kinderen op elitescholen nog altijd beter presteren dan op arbeidersscholen, vond de onderzoeker zelf het opmerkelijkste dat er ook elitescholen zijn die het slecht doen, en (zwarte) arbeidersscholen die het goed doen. Conclusie: het ligt allemaal aan de school.
Dat is de nieuwste trend in onderwijsland: als scholen er veel harder aan trekken, kan het met vrijwel alle leerlingen goed komen. Geliefd voorbeeld is een experiment in Rotterdam, waar vier zwarte scholen na een paar jaar hard werken niet meer onderdoen voor het gemiddelde Nederlandse niveau, gemeten in reken- en taaltoetsen. In Amsterdam moeten scholen hun recht op achterstandsgeld 'verdienen’ door jaarlijks hoger te scoren bij de Citotoetsen die leerlingen aan het eind van de basisschool afleggen. Het idee van gemengde scholen wordt langzamerhand verlaten; wat overblijft is slechts dat zwarte en arbeidersscholen beter moeten gaan presteren.
Maar hoe zat het ook alweer, met die legers die zich altijd voorbereiden op de voorbije oorlog? Emotionele intelligentie is van groter belang voor maatschappelijk succes (en voor persoonlijk geluk, maar dat wisten we misschien al) dan een hoog IQ, zo weten we sinds twee weken geleden het boek Emotionele intelligentie van de Amerikaanse psycholoog Daniel Goleman in het Nederlands verscheen. En nu maar hopen dat die vlijtig concurrerende scholen nog wat tijd overhouden voor de bevordering van innerlijke rust en stabiliteit, het kennen van de eigen en andermans emoties, en het aankweken van sociale vaardigheden.