Joyeeta Gupta – ‘De grote vraag: hoe zal de term “netto uitstoot” op de komende con­ferentie worden gedefinieerd?’ © Roger Cremers

Over een paar dagen zullen ministers en regeringsleiders nieuwe klimaatafspraken proberen te maken in Glasgow, en Joyeeta Gupta heeft alvast een simpel advies: hou zelf de rekenmachine maar bij de hand. Want bij de vorige editie, in Parijs, telden alle nationale bijdragen aan het omlaag brengen van vervuilende uitstoot niet op tot de wereldwijde afspraak die aan het eind trots werd gepresenteerd. ‘Mijn voorgevoel is dat het ditmaal niet anders zal zijn’, zegt ze met gevoel voor understatement. En let ook alvast op leiders die de mond vol hebben van ‘netto-nul-doelstellingen’, waarschuwt ze: ‘Dat stelt landen namelijk niet alleen in staat om broeikasgassen te blijven uitstoten, maar ook om daar bepaalde kredieten van af te trekken – het creëert ruimte voor valsspelen.’

Joyeeta Gupta heeft wat je noemt een lange staat van dienst op het gebied van milieu en economische ontwikkeling. Ze was hoofdauteur bij het Intergovernmental Panel on Climate Change (ipcc), dat in 2007 de Nobelprijs kreeg, was medevoorzitter van de laatste Global Environment Outlook, die de milieuorganisatie van de Verenigde Naties (unep) in 2019 publiceerde, en is medevoorzitter van de Earth Commission, een groep wetenschappers die op basis van alle beschikbare wetenschappelijke inzichten een veilig en rechtvaardig pad voor mensen en de aarde wil uitstippelen naar een stabiele en welvarende toekomst. Plus nog een eindeloze lijst posities en publicaties tijdens drie decennia academisch werk – nu als hoogleraar milieu en ontwikkeling in het mondiale zuiden aan de Universiteit van Amsterdam.

Een van de dingen die Gupta in die jaren en bij die commissies heeft geleerd, is hoe zij haar bevindingen vertalen moet voor een publiek van politici en ambtenaren – en wat dat betekent voor zo’n topontmoeting als cop26 in Glasgow. ‘Als je met overheidsfunctionarissen praat – waar ze ook vandaan komen – willen ze altijd positieve verhalen kunnen vertellen. Ze willen win-win-oplossingen. Ze willen niet horen dat bepaald beleid ongelijkheid veroorzaakt of al eeuwen heeft gefaald. Dus als je een negatieve boodschap hebt, moet je dat kunnen vertalen naar iets anders, anders is het erg moeilijk om te verkopen.’

Gupta kijkt daarom zowel met verwachting als met gezonde scepsis naar de aanstaande milieutop cop26. Die wordt komend weekend afgetrapt in Glasgow, en moet twee weken later uitmonden in nieuwe klimaatafspraken tussen vrijwel alle landen van de wereld. De nood is hoog, want hoewel alleen nog randfiguren als Brazilië’s president Bolsonaro zich blijven keren tegen mondiale actie tegen klimaatverandering is de realiteit dat bijna alle doelstellingen van ‘Parijs 2015’, de vorige klimaattop, niet zijn gehaald.

En daarbij komt de ervaring van Covid-19. De manier waarop de wereld op de pandemie reageerde, weerspiegelt volgens Gupta de reactie op het klimaatprobleem: ‘Medicijnen en vaccins tegen Covid-19 gingen naar landen met geld of met medische industrie, terwijl we allemaal weten dat een mutant in Afrika de hele wereld in problemen brengt. Met klimaatverandering is het net zo, omdat we er allemaal onder lijden als het ontwikkelende landen niet lukt om van fossiele brandstoffen af te komen. Tegen Covid-19 vroeg de Wereldgezondheidsorganisatie (who) mensen om thuis te blijven, afstand te houden en regelmatig handen te wassen. Dat gaat ervan uit dat mensen een huis hebben, dat ze niet zo dicht op elkaar wonen als in sloppenwijken, en dat iedereen stromend water heeft. Voor één tot twee miljard mensen geldt dat niet. Omdat er niet aan hen werd gedacht, leidden de coronamaatregelen in ontwikkelende landen tot een massale volksverplaatsing van steden naar het platteland, en tot verspreiding van de ziekte. Covid-19 liet in een kort tijdsbestek zien wat er kan gebeuren bij klimaatverandering: als we niet voor de armsten zorgen, werkt dat averechts voor iedereen.’

‘Zorgen we niet voor de armsten, dan werkt dat averechts voor iedereen’

Gupta hoopt in ieder geval, zegt ze tijdens een Zoom-interview vanuit haar werkkamer, dat drie concrete zaken anders worden aangepakt – en daarnaast een paar fundamentele. Die werkkamer is overigens in een Zuid-Hollands dorp, want Gupta woont al ruim dertig jaar in Nederland. Ze studeerde eerst in haar geboorteland India, daarna op een beurs in de Verenigde Staten, en kon op de terugweg naar India een contract voor zes maanden krijgen in Nederland. Hier sloeg de liefde toe, voor een Nederlander, en het tijdelijke verblijf werd permanent.

Terug naar de COP26-klimaattop in Glasgow, en de drie concrete veranderingen waar Gupta op hoopt. Ten eerste: hoe nationale doelstellingen worden afgesproken. ‘Ik begrijp natuurlijk waarom veel landen netto-nul-doelstellingen voorstellen: ze kunnen hun schadelijke uitstoot op verschillende manieren compenseren. Maar de uitstoot zelf is daarmee niet verdwenen, ook niet als landen zeggen dat ze ergens anders reducties gaan kopen of CO2 ondergronds gaan proberen op te slaan. Dat wordt voor mij een grote vraag: hoe zal de term “netto uitstoot” op deze conferentie worden gedefinieerd?’

Ook al kort genoemd is het gat tussen nationale beloften en de mondiale afspraak – en hoeveel ruimte daartussen zit. ‘Niemand kan vooraf zeggen waar de nieuwe, per land vastgestelde doelstellingen samen zullen uitkomen op een doelstelling van maximaal anderhalf of maximaal twee graden mondiale opwarming’, zegt Gupta. ‘Maar als ze op dezelfde manier worden ontworpen als in Parijs, met een combinatie van voorwaardelijke en onvoorwaardelijke doelen per land, dan kan ik me niet voorstellen dat de rekensom uitkomt op maximaal twee graden. En vergeet anderhalve graad maar helemaal.’

Terwijl onze kennis en technologie dat wel rechtvaardigen. ‘Het Akkoord van Parijs was gericht op het begrenzen van opwarming van de aarde tot twee graden, in de hoop dat uitstoot zodanig zou verminderen dat het misschien maar anderhalve graad zou worden’, zegt Gupta. ‘Maar we hebben nu genoeg kennis om ons maximaal anderhalve graad ten doel te stellen. Het is haalbaar – aan onze mogelijkheden ligt het niet.’

Gupta hoopt ook op verandering in twee fundamentele zaken in de mentale benadering van het klimaatprobleem. Mondiaal klimaatbeleid rust op het zoeken naar oplossingen via de markt; nationaal klimaatbeleid hoopt vaak op oplossingen via technologie. Gupta heeft kritiek op beide: omdat beide sporen geboren zijn uit de wens om ‘win-win’-oplossingen te vinden – waarbij echte offers niet nodig zullen zijn – en omdat ze uitgaan van wat voor rijke landen wenselijk en haalbaar is, niet voor de landen waar een meerderheid van de wereldbevolking leeft.

Klimaatoplossingen via technologie geven valse hoop op verlossing

‘In Glasgow, net als op vorige tops, zal worden gesproken over welke marktmechanismen wereldwijd moeten worden toegepast. Maar ik denk niet dat de markt op een mondiaal niveau zal werken. Binnen de EU werkt de emissiehandel redelijk goed, en China probeert intern aan emissiehandel te doen. Maar ik denk dat ontwikkelende landen hun emissierechten niet of onvoldoende zullen verkopen aan het mondiale noorden – zeker niet als van hen gevraagd wordt om tegelijkertijd hun eigen CO2-uitstoot te verlagen.’

Gupta vervolgt: ‘Nu is het idee dat een combinatie van drie dingen – het afschaffen van subsidies op fossiele brandstoffen, het verhogen van CO2-belastingen en het gebruiken van de markt – voor een daling van de mondiale CO2-uitstoot gaat zorgen. Maar ik denk niet dat het genoeg zal zijn. Het zal alleen maar druk zetten op burgers om keuzes te maken, terwijl het de verantwoordelijkheid van de staat is om het investeringsproces te leiden. Als jij en ik het licht aan doen in ons huis denken we in de eerste plaats aan hoeveel dat kost, niet of de energie uit fossiele brandstof, kernenergie of duurzame energie komt. Dat maakt het vervangen van fossiele brandstoffen door iets anders tot een verhaal van waar de staat in wil investeren. Wat je nu ziet, is dat werknemers in de fossiele sector voor hun baan strijden, terwijl jongeren en groene ngo’s daar tegenin gaan. Er is een patstelling tussen hen. En staten lijken te hopen dat de markt dat probleem voor hen zal oplossen.’

Wat klimaatoplossingen via technologie betreft: die geven volgens Gupta valse hoop op verlossing – en bestendigen ongelijkheid: ‘Een invloedrijk wetenschappelijk artikel claimde in 1996 dat het beter was om nog geen actie te ondernemen tegen klimaatverandering. In de toekomst zou de prijs van ingrijpen lager zijn, vanwege verder gevorderde technologie. Maar het is nu 25 jaar later, en sommige technologieën zijn goedkoper, maar in feite hebben we het momentum verloren. Ten tweede is er voor landen heel veel winst te behalen als zij de technologie ontwikkelen die de wereld straks wil. En dus is er altijd een motivatie voor rijkere landen om met de technologie van de toekomst te komen. En dat zorgt weer voor grotere ongelijkheid, want ontwikkelende landen zullen gedwongen zijn die technologieën te kopen, wat de schuldproblematiek weer verlengt.’

Bij klimaattechnologie wordt ook zelden het hele verhaal verteld, vindt ze: ‘Neem hernieuwbare energie. Het ziet er geweldig uit omdat het betaalbaar wordt – het wordt fantastisch. Maar de grondstoffen die we nodig hebben voor batterijen en hernieuwbare energie zijn afkomstig uit mijnen in arme landen, en daar wordt zeer armzalig betaald. We maken hernieuwbare energie betaalbaar, omdat we de mijnwerkers onderbetalen. We gaan ook niet in op de ecologische schade daar. De meeste batterijen zijn simpelweg zeer vervuilend. Zelfs met het goede nieuws is er dan slecht nieuws, maar dat zijn lastige verhalen om te vertellen.’

Een bijkomende reden voor Joyeeta Gupta om tegen oplossingen via markt en technologie te zijn, is dat beide een centrale plaats geven aan grote bedrijven. En Gupta is in haar leven een paar keer geconfronteerd met hoe cynisch grote bedrijven kunnen opereren – zeker als de slachtoffers mensen in arme landen zijn. Gupta studeerde rechten in India toen het Bhopal-incident gebeurde, de ergste industriële ramp uit de geschiedenis. Giftig gas lekte toen uit een Indiase fabriek van de Amerikaanse chemiereus Union Carbide, waarbij zeker vierduizend mensen omkwamen, en ruim een half miljoen mensen ernstig ziek werden.

China als klimaatleider van de wereld? Hou er rekening mee dat dit lukt

‘Het bedrijf leed verlies en gaf daarom minder uit aan veiligheid, en dat trof me echt: dat grote bedrijven kennelijk in ontwikkelende landen zich niet aan internationale regels houden’, zegt Gupta. Ze begon zich te verdiepen in multinationals en hun verantwoordelijkheid, met name in de farmaceutische industrie. En prompt liep ze daar zelf tegenaan. ‘Toen ik van India naar de VS reisde, bleken mijn medicijnen in de VS verboden te zijn. Maar ze waren door een Amerikaans bedrijf gemaakt in India. Mijn god, wat heb ik wel niet binnengekregen?, dacht ik. Ik begon me er meer in te verdiepen, en ontdekte dat wanneer een farmaceutisch bedrijf in de VS verwacht dat de overheid de toestemming voor een medicijn intrekt, dat ze het van de Amerikaanse markt halen en op de markt brengen in andere delen van de wereld. Een anticonceptiemiddel dat in de VS werd verboden werd als ontwikkelingshulp geleverd aan alle delen van de wereld.’

Gupta heeft dan ook niet veel vertrouwen in de VS – ook niet als klimaatleider van de wereld onder president Joe Biden. ‘De VS hebben niet deelgenomen aan de meeste milieuverdragen: niet aan het verdrag voor biodiversiteit, de wet van de zee, de VS verlieten de klimaatverdragen van Kyoto en Parijs. We weten niet wat er met verdragen gebeurt als er een Republikeinse regering komt. Het is dus een problematisch land.’

China zou volgens Gupta wél een klimaatleider van de wereld kunnen zijn: ‘China was zojuist gastheer op een mondiale top over biodiversiteit, en daarin doet China het niet zo goed. Maar klimaatverandering is anders: de Chinese regering lijkt daar zeer bezorgd over te zijn, met name door de mogelijke gevolgen voor hun water. Het is een gecentraliseerd en dictatoriaal land. Er wordt sterk de nadruk op gelegd dat klimaatverandering een ernstig probleem is op het niveau van de centrale overheid. De motivatie is er. Maar je ziet de dubbelheid. Aan de ene kant is China wereldleider in windenergie en zonne-energie, maar het gaat tegelijkertijd de wereld over om te investeren in fossiele brandstoffen. De grote vraag is welke afslag China neemt.

Maar mijn gevoel is dat áls China op klimaatgebied echt het voortouw wil nemen, het dat misschien kan. Ik zeg niet dat dat een wenselijke optie is, maar zijn institutionele structuur maakt het mogelijk. China heeft volgens mij de ambities en de financiële middelen om het te doen, en het heeft ontdekt dat je er ook rijk mee kunt worden. Als de Chinese regering besluit om vol in te zetten op klimaatleider worden van de wereld moeten we er serieus rekening mee houden dat dat lukt.’

Het zou beter zijn als de internationale gemeenschap niet een leider volgt, maar het collectief doet. Gupta’s ideale oplossing zou een mondiale grondwet zijn, waar landen zich aan committeren en waar natuur, biodiversiteit en mensenrechten een plek in krijgen. ‘Het VN-Handvest is daarvoor een prima uitgangspunt, maar dat zou naar een hoger inhoudelijk en wettelijk niveau moeten worden gebracht. Op dit moment is internationaal privaat-recht (dat wat betrekking heeft op bedrijven – rvdh) heel erg sterk afdwingbaar, en inter-nationaal publiekrecht niet. Als een bedrijf fossiele brandstof verkoopt en niemand koopt dat meer, dan gaat het failliet. Maar als de overheid het bedrijf wil sluiten, dan moet het bedrijf worden gecompenseerd. Dus voor deze bedrijven is het veel aantrekkelijker als de overheid ze sluit dan als we hun producten niet meer kopen. Dus daar wacht een bedrijf graag op, en de vervuiling gaat ondertussen door. In zo’n geval zouden publieke belangen boven privé moeten gaan.’

Ook op de helling, als het aan Gupta ligt: de inrichting van de internationale economie naar het doel van groei van het bruto nationaal product (bnp) van landen. ‘Bnp is niet een meetinstrument, maar een schadelijk concept waarnaar samenlevingen en het internationale systeem worden ingericht’, zegt ze. ‘Ontwikkelende landen hebben decennialang te horen gekregen dat hun bnp moet groeien, ze worden ingedeeld gebaseerd op bbp, de Wereldbank houdt de classificatie intact, en als zij geld willen voor hun eigen doelstellingen hebben ze eerst behoefte aan meer bnp. Ontwikkelingslanden zitten opgesloten in die dynamiek. Maar bnp is een vertaling van het voortdurend omzetten van natuur in handelswaar.

De Britse regering vroeg hier een rapport over, dat afgelopen zomer werd gepubliceerd. Lord Dasgupta concludeerde daarin dat de waarde van natuur mee moet worden gewogen in de economie. Het milieuprogramma van de VN concludeerde dat ook, en verwees naar “inclusieve rijkdom” als een andere manier om nationale rijkdom te berekenen, waarin het welzijn van mensen en duurzaamheid is verwerkt. Maar daar moet heel veel voor op z’n kop worden gezet. Als het nationaal inkomen van een land anders wordt berekend, betekent dat dat jouw salaris en mijn salaris veranderen, dat pensioenpremies zouden veranderen, dat samenlevingen zouden veranderen. Aan die transitie wordt nog niet gewerkt.’