De flexmens De FNV wil geen wegwerpwerknemers

De opmars van de flexcontracten

Het ontslagrecht staat opnieuw op de politieke agenda, nu het kabinet miljarden extra moet bezuinigen. Werkgevers hebben slimme manieren gevonden om het probleem te omzeilen.

VRAAG AAN de manager Sociale Zaken van de verenigde werkgevers, Ton Schoenmaeckers, of het een mythe is dat het ontslagrecht de arbeidsmarkt in de weg zit en zijn antwoord is: ‘Nee, dat is geen mythe. Het maakt ontslag omslachtig en duur. Het is dé reden waarom werkgevers, vooral de kleineren onder hen, huiverig zijn mensen in vaste dienst te nemen. Daarmee werkt het belemmerend op de banengroei.’ Maar Schoenmaeckers wil dat antwoord ook meteen nuanceren. Want hij wil namens VNO-NCW en MKB Nederland ook gezegd hebben dat de werkgevers niet vinden dat de ontslagbescherming geheel moet worden opgeheven. 'We willen geen hire-and-fire-model’, verwijst hij naar de Amerikaanse arbeidsmarkt.
Zijn tegenspeler bij de FNV, Catelene Passchier, geeft als antwoord dat het juist wel een mythe is dat door het ontslagrecht werknemers in vaste dienst moeilijk zijn te ontslaan. 'Dat is niet moeilijk in Nederland en ook niet per se duur. In Nederland wordt in negentig procent van de ontslagaanvragen dat ontslag ook verleend. Opzegtermijnen zijn hier niet extreem lang en een ontslagvergoeding krijgt een werknemer alleen als de werkgever via de kantonrechter snel van hem af wil, of bij een collectief ontslag als er een sociaal plan is.’
Hoewel Schoenmaeckers het op die twee punten niet met haar eens is, zal hij later in het gesprek wel zeggen: 'Als een werkgever iemand wil ontslaan, doet hij dat gewoon. Dat iemand een vaste baan zou hebben, is dus een mythe.’
De afgelopen jaren drongen de werkgevers stevig aan op versoepeling van het ontslagrecht, de werknemers waren daar tegen en de politiek kwam er ook niet uit. In het vorige kabinet van CDA, PVDA en ChristenUnie probeerde toenmalig CDA-minister Piet Hein Donner om tot een versoepeling te komen, maar vond hij zijn coalitiepartners op zijn weg.
Hoewel de huidige coalitiepartijen, VVD en CDA, eigenlijk voor versoepeling zijn, is met gedoogpartner PVV afgesproken dat er deze kabinetsperiode niet aan het ontslagrecht zou worden getornd. Dat het nu toch weer op de politieke agenda staat, komt doordat er miljarden aan extra bezuinigingen nodig zijn om de gevolgen van de crisis op te vangen. Vice-premier Maxime Verhagen (CDA) heeft de zaak op scherp gezet toen hij onlangs in een interview met De Telegraaf liet weten dat hij over deze hervorming wil praten als kabinet en gedoogpartner dit voorjaar over die extra bezuinigingen knopen moeten doorhakken.
Hoewel Schoenmaeckers op de rechtstreekse vraag dus zegt dat het ontslagrecht een sta-in-de-weg is, viel het op dat het vanuit dit 'kamp’ relatief stil was rondom dit onderwerp. Dat was niet alleen omdat de werkgevers zich hadden neergelegd bij de gegeven situatie dat de politiek er niet aan wilde, en het in de polder mede door de interne strubbelingen bij de FNV ook geen geschikt moment is om erover te praten. De werkgevers dringen waarschijnlijk ook minder opzichtig aan omdat de arbeidsmarkt inmiddels allerlei soorten contracten kent waarop het ontslagrecht niet van toepassing is: oproepcontracten, uitzendcontracten, nul-urencontracten, min-maxcontracten, tijdelijke contracten, freelance constructies, payrollers. Anders gezegd: de werkgevers hebben wegen gevonden om het probleem te omzeilen. En dat heeft ingrijpende gevolgen.
Dat het omzeilen een gevoelig onderwerp is, blijkt uit het gesteggel over de vraag hoe groot de flexibele schil werknemers met dit soort contracten inmiddels is. Zo wil PVDA-Kamerlid Mariëtte Hamer graag dat daar een fundamenteel onderzoek naar komt, omdat ze het er niet over eens is met VVD-minister Henk Kamp van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Als het klopt dat de werkgevers een omweg hebben gevonden, moet die flexibele schil relatief groot zijn. Wie zich zorgen maakt over de rechten van die schil werknemers zonder vaste baan hanteert bij voorkeur het cijfer van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV). Dat ligt hoger dan het cijfer waar het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) op uitkomt. De eerste zegt dat die schil in 2009 34 procent van de beroepsbevolking bedroeg, het CBS kwam in dat jaar uit op de helft.
In een gezamenlijke studie van medewerkers van zowel UWV als CBS, aan de hand van die cijfers over 2009, leggen zij zelf uit hoe die verschillen ontstaan. Kort gezegd komt het hierop neer: ze gebruiken niet dezelfde definities. Het UWV rekent bijvoorbeeld alle werknemers met banen voor minder dan twaalf uur wel mee, het CBS niet. De auteurs concluderen zelf dat het een politieke keuze is van welke definitie en dus van welk cijfer je uitgaat. Een argument om de banen van minder dan twaalf uur niet mee te rekenen, is dat het hier vooral om studenten zou gaan. Minister Kamp hanteert dat argument ook. Maar klopt die aanname nog wel of zitten daar inmiddels ook mensen bij die van dat aantal uren werk echt rond moeten komen?

DOOR de vele andere soorten contracten is volgens FNV-federatiebestuurder Passchier het allergrootste probleem op de arbeidsmarkt dan ook niet het ontslagrecht. Dat is volgens haar 'dat de werkgevers bezig zijn de banen met een contract voor onbepaalde tijd te lozen, waardoor structurele werkgelegenheid wordt omgezet in onzekere banen en nauwelijks nog mensen doorstromen naar vaste banen’.
Volgens Passchier zeggen werkgevers regelmatig tegen werknemers die ze op een tijdelijk contract voor zich hebben werken: ik zou je best in vaste dienst willen nemen, maar dat mag niet van de wet. 'Maar dat klopt niet, alleen een nieuw tijdelijk contract mag niet, een vast contract mag altijd, alleen dat willen de werkgevers niet. Zo'n werknemer sturen ze dan een paar maanden op gemeenschapskosten naar huis om hem een tijdje later weer op tijdelijke basis in dienst te nemen.’ De prijs die daarvoor wordt betaald, is volgens Passchier oneerlijk verdeeld. 'De werkgevers wentelen die prijs te makkelijk af op de werknemers in al die nieuwe soorten contracten en op de sociale zekerheid.’ Ze constateert dan ook dat niet de gewone banen te duur zijn, zoals de werkgevers beweren, maar de banen met onzekere contracten te goedkoop.
Werkenden zonder vaste baan, dus met een contract voor bepaalde tijd of andersoortige flexcontracten, lopen tegen tal van problemen aan. Ze hebben soms geen ziektekostenverzekering, bouwen vaak ook geen recht op WW op, hebben geen of onvoldoende pensioenopbouw, draaien gebroken diensten, weten soms niet op welk inkomen ze die week kunnen rekenen, zijn regelmatig voor een tijd werkloos en hebben problemen met het krijgen van een hypotheek. Onzekerheid is troef in hun leven. In het jargon worden dit de outsiders genoemd, werknemers met minder rechten op de arbeidsmarkt dan de insiders, zij die door een vaste baan niet tegen deze onzekerheden aanlopen.
De hamvraag van deze tijd is daardoor: wil je als samenleving gelijkheid tussen die twee groepen en zo ja, waarvoor kies je dan? Onzekerheid voor iedereen of meer zekerheid voor degenen die dat nu niet hebben? Oftewel: moet vast losser worden, of los vaster? Nog weer anders gezegd: moeten de werknemers met een vaste baan minder rechten krijgen, of die met flexcontracten meer? Zie het als de arbeidersstrijd van de 21ste eeuw. Ook al voelen veel werknemers zich niet senang bij dat woord arbeider. Schoenmaeckers vindt dat de discussie te veel over rechtsbescherming gaat en te weinig over het scheppen van banen. 'In de meeste landen zie je óf een streng ontslagrecht, óf een goede sociale zekerheid; in ons land hebben we allebei. Als de vakbonden meer sociale zekerheid voor flexcontracten willen, raakt ons systeem in onbalans.’
Schoenmaeckers vindt ook dat er vaak te zielig wordt gedaan over flexibele contracten. 'Er zijn veel hoogopgeleiden die er zelf voor kiezen zzp'er (zelfstandige zonder personeel - avr) te zijn. Daarnaast bieden die contracten juist kansen aan mensen die weinig te bieden hebben op de arbeidsmarkt. Als zij niet in flexibele contracten zouden kunnen werken, zouden ze helemaal aan de kant staan. Als de vakbonden een rem willen zetten op flexibele contracten, spelen ze met vuur. Een flexheffing, waar de FNV laatst mee kwam, zet echt een rem op de werkgelegenheid.’
Passchier brengt daartegenin dat die flexheffing is bedoeld om de op de gemeenschap afgewentelde prijs van flexcontracten neer te leggen bij de werkgevers die die kosten veroorzaken, onder het adagium 'de vervuiler betaalt’. Daarnaast kan het volgens haar in een beschaafd land toch niet denkbaar zijn dat er voor werknemers geen rechtsbescherming zou zijn. 'Het kan toch niet zo zijn dat werkgevers willekeurig werknemers mogen ontslaan. Of dat werknemers hun mond niet meer open durven te doen. Laten we dat eerst eens samen vaststellen. Vervolgens is het een politieke keuze of je dat ontslag makkelijk of moeilijk maakt. Maar het mag duidelijk zijn dat wij als FNV geen wegwerpwerknemers willen.’
Ook wijst ze erop dat landen met een nog flexibeler arbeidsmarkt niet per se beter presteren. 'In landen als Nederland, Zweden en Duitsland is de werkloosheid niet groter, al duurt deze wel wat langer. De arbeidsproductiviteit ligt in deze landen echter wél hoger.’
Schoenmaeckers zegt dat de werkloosheid in Nederland nu juist zo laag is vanwege de ontstane flexibele schil. 'De schok van de crisis uit 2008 is door die schil goed opgevangen. De FNV zegt dan: de werknemers in die schil zijn als eerste het slachtoffer. Wij brengen daartegenin: die werknemers worden ook als eerste weer binnengehaald. Langdurige werkloosheid is iets waar je als gevolg van die flexibele schil niet meer over hoort, terwijl dat vroeger juist zo'n groot probleem was. Als je vroeger eenmaal naast de arbeidsmarkt stond, stond je er lang naast.’
Passchier waarschuwt echter voor een nog grotere tweedeling op de arbeidsmarkt, ook als in de nabije toekomst het aanbod van werknemers gaat krimpen. Ze vreest dat in de kenniseconomie die Nederland wil zijn de hoogopgeleiden dan goede banen hebben voor goede salarissen en de lageropgeleiden het moeten doen met slechte contracten en slechte lonen.
Schoenmaeckers ziet een zelfde soort ontwikkeling ontstaan, alleen is de uitkomst volgens hem minder negatief dan de FNV voorspiegelt. 'Ik denk niet dat een bedrijf zijn core business met flexibele krachten zal gaan uitvoeren. De mensen die in het hart van het bedrijf werken, zullen werkgevers zo lang mogelijk binnen proberen te houden. Maar de vraag is of het goed is voor werknemers om heel lang bij hetzelfde bedrijf te werken. Daarom denken we dat het verschil tussen flex en vast gaat vervagen.’
Passchier vindt flexcontracten in een kenniseconomie niet wenselijk. Ter ondersteuning van haar standpunt geeft ze een artikel mee dat hoogleraar economie Alfred Kleinknecht van de TU Delft schreef met twee docenten van diezelfde universiteit. Zij vinden dat flexibilisering slecht is voor innovatie. Het leidt volgens hen tot minder loyaliteit, meer opportunisme en mogelijk zelfs diefstal van bedrijfsgeheimen, wat tot gevolg heeft dat minder geïnvesteerd zal worden in onderzoek en de behoefte aan controle groter wordt. Daarnaast neemt volgens hen het collectieve geheugen van een onderneming af en zal er minder in bedrijfsspecifieke scholing worden geïnvesteerd. Ook denken ze dat werknemers minder kritisch zullen zijn uit angst de laan uit te vliegen, waardoor verkeerde managementpraktijken blijven voortduren.

DOORDAT de FNV na de interne ruzie rondom de verhoging van de pensioenleeftijd met zichzelf bezig is, voorzien de werkgevers dat er in het overleg met de werknemers voorlopig niks te regelen valt rondom het ontslagrecht. Hun hoop is daarom gevestigd op de politiek. CDA-minister en vice-premier Verhagen wil gehoor geven aan hun wensen nu het kabinet extra moet bezuinigen. Volgens CDA-Kamerlid Eddy van Hijum moet dan niet de fout van een paar jaar geleden worden gemaakt, toen zijn partij met PVDA en ChristenUnie regeerde. 'Het ontslagrecht in het voorstel van minister Donner was te veel doel op zich. We zouden nu zonder taboes vooraf moeten durven praten over hoe we de scheefgegroeide situatie weer in balans kunnen brengen. Dat onderwerp is breder dan alleen het ontslagrecht. De vraag moet zijn hoe we in deze nieuwe arbeidsmarkt de sociale zekerheid kunnen organiseren en vergroten.’
Hoewel Van Hijum het te simpel vindt om te zeggen dat de arbeidsmarkt beter functioneert als het ontslagrecht maar versoepeld is, heeft hij er wel begrip voor dat werkgevers vanwege de aan een vaste baan gekoppelde hogere kosten voorzichtig zijn met het aannemen van werknemers. 'Dan gaat het niet alleen om kosten bij ontslag, maar ook bij ziekte. Om een MKB-ondernemer die een zieke werknemer in vaste dienst twee jaar loon moet doorbetalen. Dat hangt als een molensteen om zijn nek. Daarmee zeg ik niet dat ik van die verplichting af wil, maar ik constateer wel dat werkgevers die proberen te omzeilen. Daarom moeten we zoeken naar manieren die het aantrekkelijk maken om mensen in vaste dienst te nemen. Het vaste contract is niet weg.’
Van Hijum wil naar een arbeidsmarkt waarin het niet draait om de zekerheid dat je je baan behoudt, maar waarin je zeker weet dat je werk zult hebben. 'Eigenlijk zou een arbeidsovereenkomst een ontwikkelovereenkomst moeten zijn, waarin met elke werknemer afspraken worden gemaakt over scholing. Niet alleen werkgevers, ook de werknemers moeten zich ervan bewust worden dat dat belangrijk is.’
PVDA-Kamerlid Mariëtte Hamer, een van de coalitiegenoten die in het vorige kabinet de versoepeling van het ontslagrecht torpedeerde, vindt dat de discussie over het ontslagrecht zichzelf heeft overleefd door al die nieuwe soorten contracten die er zijn. 'De wereld zal niet veranderen als we het ontslagrecht nu zouden versoepelen. Vraag is wel of we iets aan de huidige ontslagvergoeding moeten doen. Maar waar het nu veel meer om draait is: zijn we in staat nieuwe rechtszekerheden in te bouwen voor al diegenen in de thuiszorg, bij de post, maar ook onder de zzp'ers, die in een hoge mate van onzekerheid leven?’ Daarin lijkt ze op het eerste oog op eenzelfde lijn te zitten als Van Hijum. Hamer vraagt zich echter af of zich, naast die van het ontslagrecht, inmiddels niet een nieuwe mythe aan het vormen is. 'Hoe krijgen we het gereguleerd dat mensen van werk naar werk gaan? Ik vraag me af of we dat wel voor elkaar krijgen. Een van onze voorstellen is dat werkgevers het eerste jaar dat iemand werkloos is verantwoordelijk zijn voor diens WW-uitkering. Dat moet druk zetten op herplaatsing. Maar zie je dat gebeuren bij een bedrijf als NedCar, waar nu zo veel mensen uitmoeten?’
Samen met de SP is Hamer aan het bestuderen of er voor werknemers uit de flexibele schil niet meer zekerheden zijn in te bouwen, bijvoorbeeld door ze een pensioen te laten opbouwen. 'Maar dan zullen die werknemers een loon moeten verdienen waarvan de verzekering voor een pensioen betaald kan worden.’ De vraag daarbij is: willen werkgevers dat hogere loon gaan betalen? 'Als je dat niet reguleert, zullen er werknemers blijven die zeggen: dat pensioen of die ziektekosten, dat zal me een rotzorg zijn. Maar ooit wordt dat voor hen wel een probleem. Goedkoop nu, wordt later duurkoop.’