De oppergoden van het literaire walhalla

In dit nerveuze tijdsgewricht, waarin de ene bestseller over de andere heen tuimelt en de media-aandacht voor het nieuwste meesterwerk van Arnon of Arthur nauwelijks is verstomd als alle camera’s zich al weer richten op het aangrijpende relaas van een leuk uitziend meisje dat haar jeugd in een fundamentalistisch-christelijk milieu of al dan niet verzonnen ervaringen met een zogenaamde ‘loverboy’ beschrijft, kunnen we ons nauwelijks voorstellen welke impact Die Leiden des jungen Werther had. Dit in 1774 verschenen boek maakte de toen 23-jarige Johann Wolfgang von Goethe op slag beroemd in heel Europa en ontketende de zogenaamde 'Werther-koorts’, waardoor veel jongeren gingen zwelgen in hun eigen emoties en het onbegrip van hun omgeving, die onontvankelijk scheen voor hun zielenpijn. De vereenzelviging met de tragische hoofdfiguur leidde niet alleen tot een heuse Werther-mode - in geletterde kringen hulden veel jongemannen zich evenals hun held in geel vest, blauwe jas en bruine kaplaarzen - maar naar verluidt zelfs tot een golf van zelfmoorden, die nog tot ver in de negentiende eeuw zou voortduren.
Dat een dun boek, dat de auteur naar eigen zeggen in vier weken had geschreven, zo'n schokgolf veroorzaakte, was alleen mogelijk omdat het blijkbaar perfect aansloot bij de Zeitgeist en deze als het ware van binnenuit becommentarieerde. Er hing een revolutionaire onrust in de lucht. In Noord-Amerika groeide het verzet tegen het Britse bestuur, het zou niet lang meer duren eer in Nederland de 'patriotten’ in opstand zouden komen tegen het erfelijk stadhouderschap van de Oranje-Nassaus, en in Frankrijk liep het regime van de Bourbons op zijn laatste benen. Zelfs in het in talloze vorstendommen en -dommetjes versnipperde Duitsland, dat in economisch, wetenschappelijk en technologisch opzicht ver achterliep bij andere West-Europese landen, broeide het.
De agrarische, feodale Duitse maatschappij was hopeloos ouderwets, aangezien hier nauwelijks sprake was van een economisch vooruitstrevende, zelfbewuste burgerklasse. Wie een behoorlijke opleiding had genoten maar niet van adel was, kon vrijwel alleen als ambtenaar van de plaatselijke machthebber aan de slag. Hoewel veel van deze vorsten zich er door hun ambtenaren van lieten overtuigen dat hun vorstendom het best bestuurd kon worden op basis van de rationalistische denkbeelden van de Verlichting, en er dus een zekere modernisering plaatsvond, noopten de feodale verhoudingen, die onder meer inhielden dat de landsheer bepaalde welke religie er in zijn territorium werd aangehangen, tot conformisme en sociale horigheid. Terwijl de nieuwe, kritische denkbeelden gretig werden opgezogen, ontbrak het aan de ruimte en vrijheid om te experimenteren, om ze werkelijk toe te passen op de praktijk. Dit gevoel van verstikking leidde ertoe dat het verhaal van de jonge Werther, die kapotging aan zijn onmogelijke liefde, insloeg als een bom.
Met de ontvangst van Goethe’s jeugdwerk begint de Amerikaanse filosoof en germanist Terry Pinkard zijn Duitse filosofie 1760-1860, waarin hij de opkomst en teloorgang van het Duitse idealisme beschrijft. Werther was de ultieme vertolking van de cultus van het gevoel, die reeds eerder was beïnvloed door het werk van Rousseau. Dit sentimentalisme leek de ontwikkelde Duitsers de kracht te geven om een eigen ruimte te veroveren, waarbinnen niet de maatschappelijke conventies heersten maar waarin iedereen een directe relatie met zichzelf en anderen kon aangaan. Dit leek de mogelijkheid te bieden om ook de wereld te veranderen, waarmee men inging tegen de dominante filosofie van die tijd, het wolfianisme, dat een sterk geformaliseerde uitwerking was van Leibniz’ idee dat de huidige ordening niet alleen zo was omdat de machthebbers het hadden bevolen, maar omdat de wereld eenvoudig zo moest zijn.
Toch veroorzaakte Goethe’s boek in de Duitse landen nog geen geestelijke revolutie. Die begon volgens Pinkard pas zeven jaar later, met de publicatie van de eerste versie van Kants Kritik der reinen Vernunft. Aan het vocabulaire waarmee Duitsers en andere Europeanen over hun leven praatten voegde Kant een nieuw idee toe: zelfbeschikking. Omdat hij tegelijkertijd streefde naar een rationele moraal genereerde Kants filosofie zoveel spanningen en paradoxen dat een eindeloze reeks van grote en minder grote denkers de Duitse boekenmarkt overspoelde met wijsgerige verhandelingen en pamfletten. Kant beschouwde zijn kritische filosofie als een synthese van het rationalisme en het empirisme en in de ogen van veel van zijn aanhangers bood hij een uitweg uit het als ondermijnend ervaren scepticisme van David Hume. In de ogen van Friedrich Heinrich Jacobi - die volgens Pinkard sinds Heinrich Heine’s vernietigende portret in diens Geschichte der Religion und Philosophie in Deutschland ten onrechte de reputatie van een duister en oprecht denker heeft - leidde echter elke vorm van rationalisme uiteindelijk tot atheïsme, de ontkenning van de menselijke vrijheid en de ondermijning van het besef van goed en kwaad. Kortom, tot een ellendige geesteshouding waarvoor hij de term 'nihilisme’ muntte.
Pinkard, die eerder een gedegen biografie van Hegel schreef, brengt deze filosofische debatten nauwgezet en helder in kaart, al doet hij dat niet op de meest meeslepende wijze. Twee andere beperkingen van dit boek zijn, zoals Arnold Heumakers reeds opmerkte in NRC Handelsblad (23 april), de geringe aandacht die Pinkard besteedt aan de sterk filosofisch georiënteerde literatuur van die dagen, en aan de wijdere Europese context. Wie een redelijk beknopt overzicht van de wijsbegeerte van Kant, de vele vormen van kantianisme en de opkomst van Hegel wil lezen, kan bij Pinkard prima terecht. Een veel levendiger beeld van de eerste helft van de door Pinkard beschreven periode biedt echter Goethe en Schiller van Rüdiger Safranski.
Na zijn biografie van Schiller (2004) en Romantik: Eine deutsche Affäre (2007) heeft Safranski nu een studie naar de vriendschap tussen de twee grootste literaire helden uit het Duitsland van rond 1800 geschreven. Hoewel Pinkard meermalen schrijft dat de Duitse culturele identiteit, bij gebrek aan een politieke identiteit, in deze periode bijzonder belangrijk was, moet je Safranski lezen om te begrijpen wat dat nu precies wilde zeggen. Goethe (1749-1832) én Schiller (1759-1805) waren culturele supersterren, die voortdurend werden belaagd door lieden die in hun nabijheid wilden verkeren en nieuwsgierig waren naar hun oordeel over zo ongeveer alles. Toen Schiller in april 1804 bij de poort van Potsdam aankwam werd hij door de dienstdoende wachtofficier herkend. Safranski beschrijft hoe de militair onmiddellijk een gesprek aanknoopte met de beroemde auteur en een aantal van diens gedichten begon te declameren: 'Het was na middernacht en ze moesten wachten tot de man klaar was met zijn voordracht, voordat ze verstijfd van de kou verder mochten rijden.’
Overigens kende de door Safranski beschreven vriendschap tussen Goethe en Schiller een uiterst moeizaam begin. Goethe had weinig waardering voor de vroege toneelstukken van Schiller, terwijl deze diep teleurgesteld was nadat hij de beroemde literator en natuurvorser voor het eerst had ontmoet. Goethe was volgens hem 'een zeldzaam soort egoïst’, die andere mensen weliswaar wist te boeien, maar zich 'als persoon (…) altijd op de vlakte’ hield. De uiterst beheerste en nuchtere Goethe en de licht ontvlambare, speculatieve Schiller waren sterk verschillende persoonlijkheden, die elkaar pas na enkele jaren leerden waarderen. Toen brak een periode van intensieve gedachtewisseling en samenwerking aan, waarin zij zich actief met elkanders werk bemoeiden. Nadat de tien jaar jongere Schiller reeds op 46-jarige leeftijd was overleden, bekende Goethe dat hij niet alleen een vriend maar ook de 'helft’ van zichzelf had verloren.
In de negentiende eeuw groeiden beide auteurs, wier vriendschap werd vereeuwigd in het beroemde standbeeld in Weimar, uit tot de oppergoden van het literaire walhalla, waarvoor de geletterde Duitsers in diep ontzag op de knieën gingen. Vergeleken hiermee taande de roem van de Duitse filosofen van rond de eeuwwisseling vrij snel. Als het ging om de wijze waarop goed opgeleide burgers vat probeerden te krijgen op de wereld moesten het hooggestemde idealisme en de steeds abstractere filosofie het halverwege de negentiende eeuw in toenemende mate afleggen tegen de natuurwetenschappen. De enorme vooruitgang die in de chemie, natuurkunde en biologie werd geboekt, plus de zich in hoog tempo voltrekkende industriële revolutie, betekenden een nieuwe impuls voor het materialisme. In Die Räuber had Schiller dit wereldbeeld reeds samengevat: 'De mens ontstaat uit slijk en waadt een tijdje door het slijk, maakt slijk en rot weer weg in slijk, tot hij uiteindelijk als viezigheid aan de schoenzolen van zijn achterkleinkind kleeft.’ Het was dus niet verwonderlijk dat in de loop van de eeuw, toen velen de leegte en afzichtelijkheid van deze visie beseften, ook hiertegen verzet rees en weer werd teruggegrepen op de erfenis van het filosofische idealisme van rond 1800. Omdat de wereld inmiddels rigoureus veranderd was, zou van een simpele reprise echter geen sprake kunnen zijn.

Rüdiger Safranski
Goethe en Schiller: Het verhaal van een vriendschap
Vertaald door Mark Wildschut
Atlas, 352 blz.,
€ 34,90

Terry Pinkard
Duitse filosofie 1760-1860: De erfenis van het idealisme
Vertaald door Susanne Castermans-Nelleke
Atlas, 448 blz., € 49,90

Rüdiger Safranski,Goethe und Schiller. Geschichte Einer Freundschaft <> . € 26,25
Rüdiger Safranski, Goethe en Schiller. Vertaald door Mark Wildschut, € 34,90
Rüdiger Safranski, Romantiek. Een Duitse affaire. Vertaald door Mark Wildschut, € 34,90
Rüdiger Safranski, Romantik. Deutsche Affäre. € 30,40