Politiek sonnet

De oppositie

Ik kijk, ik luister, ik wacht, ik merk niets.

Bos — graatloos — murmelt iets over «sociaal».

Jan komt weer met een ouderwets verhaal.

En Femke trapt zwaar op een damesfiets.

Ze richten een geweer met luchtbelkogels.

Een spervuur speldenprikken in het zwerk.

Geveinsde kwaadheid zonder winstoogmerk.

Hun zware woorden vliegen weg als vogels.

Maxime plakt pleisters op hun open monden.

En lacht ze uit, schijnheilig maar ook leep.

Want Boris — het verraderlijk stuk zeep —

heult nu schaamteloos met de christenhonden.

De rode kaarten van ons staatsbestel:

de oppositie — staat ver buitenspel.