Dwalende rechters

De opstand der burgertoga’s

Wantrouwen in de rechterlijke macht leidt tot fanatieke burgerparticipatie. In de zaak-Lucia de B. ontrafelen burgers het strafdossier en discussiëren wetenschappers over de bewijslast. Her en der heerst verdeeldheid.

DE HAAGSE VERPLEEGKUNDIGE Lucia de B., die levenslang kreeg voor de moord op zeven patiënten en drie pogingen to t moord, is sinds april 2008 op vrije voeten dankzij burgeractivisme. De zaak kwam in aanmerking voor herziening en werd voor nieuw onderzoek verwezen naar het gerechtshof in Arnhem. Daar valt straks – wanneer is nog niet bekend – definitief het oordeel: onschuldig of Engel des Doods.
De bemoeienis van leken bij strafzaken doet zich de laatste jaren steeds vaker voor bij omstreden vonnissen. Bij de Deventer moordzaak ontpopte Maurice de Hond zich tot een ‘Robin Hood’ die schaamteloos gebruik maakte van de media om de publieke opinie te manipuleren. Over De Honds hysterische eigenrichting publiceerde Bas Haan het boek De Deventer moordzaak: Het complot ontrafeld. Het is onthutsend om te lezen hoe een – op zichzelf terecht – wantrouwen in de rechterlijke macht kan ontaarden in een volksgericht.
Bij Lucia de B. zijn degenen die de zaak aanhangig maakten niet van dit type. Arts Metta de Noo en haar broers Ton en Bram Derksen lijken integere intellectuelen. Wetenschapsfilosoof Ton Derksen publiceerde in 2006 het boek Lucia de B. Reconstructie van een gerechtelijke dwaling. Dit was onder meer de basis voor het verzoek bij de commissie-Buruma of de zaak in aanmerking kon komen bij de Commissie Evaluatie Afgesloten Strafzaken. Maar de wijze waarop de zaak-Lucia de B. de afgelopen jaren de gemoederen heeft beroerd, kent in de Nederlandse rechtspraak nauwelijks haar gelijke. De weerslag daarvan is te zien op de website Luciadeb.nl. Behalve de geschiedenis van het complexe strafdossier en het markante doopceel van Lucia de Berk, is hier de discussie vastgelegd tussen deskundigen en burgers en – ook internationaal – tussen juristen, statistici en toxicologen onderling. Verpleegkundigen roeren zich vanuit de angst dat hun hetzelfde kan overkomen als de Haagse verpleegkundige, die frappant vaak aanwezig was bij onverklaarbare overlijdensgevallen en onverwachte reanimaties.
Opvallend is dat bij de aanhangers van Lucia geen ruimte is voor nuance. Ook sommige publieksmedia kozen voor pro-Lucia campaigning. De polemieken op de site variëren van rationele redelijkheid tot irrationele obsceniteit. Veel betogen tonen een diepe afkeer van de gevestigde orde van de toga’s en hun ‘samenzwering’ met de medische stand. Het beeld ontstaat van een arme vrouw die aan de schandpaal is genageld door nitwits bij de rechtbank. Ook Metta de Noo ontkomt niet aan emotionele betrokkenheid. Ze raakte bevriend met Lucia en spreekt over ‘de heks die nog net voor de vlammen oplaaien van de brandstapel gehaald wordt’. Door haar aanhangers welteverstaan.
Hoe fanatiek die aanhangers zijn, tonen tv-opnamen van een fakkeltocht, januari 2008, bij de gevangenis in Utrecht. Haar steungroep zingt onder het raam van Lucia’s cel op de melodie van Vader Jacob de tekst ‘Dwaze rechter, slaapt gij nog’ en ‘Dwaze dokter, slaapt gij nog’. In een megafoon roepen ze ter afscheid sentimenteel ‘Dag Lucia, dág’, terwijl Lucia voor het raam van haar cel met een zaklantaarn terugseint.
Eerder, op 2 november 2007, werd in NRC Handelsblad een paginagrote advertentie gepubliceerd van de petitie ‘De zaak Lucia de B. moet zo spoedig mogelijk worden heropend’. Die was ondertekend door ruim 1300 ongeruste burgers en (internationale) wetenschappers, onder wie de Nederlandse natuurkundige en Nobelprijswinnaar Gerard ’t Hooft. In de tekst van de petitie staat onder meer: ‘Er is geen getuige, geen bewijs, geen bekentenis, wel beeldvorming door angst en achterklap.’ Schrijver Maarten ’t Hart, die al in opiniestukken in de bres sprong voor Lucia, had de advertentie betaald.

DE ZAAK-LUCIA DE B. heeft net als de naoorlogse Weinreb-affaire verdeeldheid gezaaid onder intellectuelen én wetenschappers. Waarom raken sommigen er zó bij betrokken dat het soms op het dweperige af is? Dat gebeurde net zo bij de aanhangers van de joodse schrijver en econoom Friedrich Weinreb, die na de oorlog werd berecht voor zijn collaboratie in een verwrongen poging joden te redden van de nazi’s. Wat is de achtergrond van hun tomeloze inzet?
Een van hen is de Engels-Nederlandse wiskundige Richard Gill, hoogleraar aan de Universiteit van Leiden. Hij nam in 2007 het initiatief tot de petitie. Richard Gill: ‘Toen ik het arrest in het boek van Ton Derksen las, voelde ik me boos en opgelicht. En heel schuldig. Mijn vrouw had al in 2001, toen Lucia opgevoerd werd als een mogelijke seriemoordenares, gezegd dat het leek op een heksenjacht. Een jaar later ging de zaak ook over statistieken. Mijn vrouw zei: “Bemoei je ermee, doe iets nuttigs voor de samenleving.” Ik ben het dossier gaan uitpluizen en wond me steeds meer op. Ik ging discussiëren met juristen en hielp Metta de Noo met de website. Om me heen hoorde ik echter steeds dat ze schuldig was. Men vond haar een raar mens. Ondertussen verliep het hernieuwde onderzoek traag en leek het of het plaatsvond in kleine kamertjes.’
Zomer 2007 besloot Gill ‘de impasse’ te doorbreken. ‘Ik verveelde me achter mijn computer, iedereen op de faculteit ging met vakantie en ik dacht: laat ik eens een petitie opzetten. Zoiets kan iedereen via het internet. Door de Engelstalige Wikipedia-pagina die we hadden gemaakt, ondertekenden ook buitenlandse wetenschappers. Ik ging ook op bezoek bij mensen, zoals bij Gerard ’t Hooft, die na lang beraad met zijn gezin zijn handtekening plaatste.’
Gill peinst: ‘Het verschijnsel is best begrijpelijk: Lucia is geen grijze muis, is anders dan de gemiddelde verpleegkundige en was altijd al onderwerp van geroddel. Dat ze steeds bij onverwacht overleden patiënten aanwezig was, kón geen toeval zijn. Er is hier sprake geweest van dorpsgekte: een bedreigende situatie, de sfeer was aangetast, dat vroeg om een zondebok. Dat het onderzoek nu wordt herhaald is eigenlijk moreel én juridisch gezien fout. Je begint bij af, terwijl het al lang duidelijk is.’
Volgens Gill betekent de herziening vooral winst, ook voor hem persoonlijk: ‘Aanvankelijk spraken juristen niet met ons, want we waren een soort terroristen.’ Samen met De Noo en Derksen heeft hij naar eigen zeggen een belangrijke rol gespeeld in de doorbraak tot herziening. Als voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Statistiek en als lid van de Academie van Wetenschappen heeft hij ‘een zeker aanzien en toegang tot de juiste mensen’. Maar hij geeft toe dat hij te ver is gegaan: ‘Ik was er fulltime mee bezig. Het werd een obsessie en toen ik ermee stopte, kreeg ik een enorme inzinking. Dan merk je pas hoe uitgeput en doorgedraaid je bent. Ik heb Lucia twee keer in de gevangenis bezocht en dat was aangrijpend. Ik werd bevestigd in het beeld dat ik van haar had: iemand met een sterke innerlijke kracht, een bijzondere vrouw, wijs en fatsoenlijk. Een geestverwant.’

OOK HANS CROMBAG, emeritus hoogleraar in de sociaal-wetenschappelijke bestudering van het recht aan de Universiteit van Maastricht, was een van de ondertekenaars van de petitie. In zijn nawoord in het boek van Derksen stelt hij niet dat Lucia onschuldig is, maar wel dat het bewijs van haar schuld er niet is. Zelf deed hij een poging om de Enschedese zedenzaak heropend te krijgen. Meer algemeen vindt Crombag ‘het fout dat rechters van mening zijn dat zij de eigenaren van het recht zijn en dat wij burgers dat uitgedeeld kunnen krijgen. Het is goed dat burgers zich ermee bemoeien. Het is zelfs de bedoeling: de openbaarheid van het strafrecht is grondwettelijk vastgelegd. Tot begin jaren negentig waren rechters heilig en omgekeerd was het publiek gezagsgetrouw. Dat is veranderd. De Schiedammer parkmoord is hierin een waterscheiding geweest: het vermoeden dat er iets niet klopte, werd pijnlijk bewaarheid. Onder juristen werd gezegd dat het na die zaak nooit meer zou zijn als het was geweest.’
De zaak-Lucia is volgens Crombag uniek: ‘Er waren veel getuigen-deskundigen die zichzelf aanboden, allemaal afkomstig uit kringen rond de Leidse universiteit, maar ze spraken elkaar allemaal tegen. Dat heb ik nooit eerder gezien. Hoewel een vergelijking op veel punten mank gaat, zie ik inderdaad parallellen met de Weinreb-affaire: mensen gaan zich fanatiek bemoeien met de rechtspraak en er ontstaat emotionele verdeeldheid. Het is nu nodig dat de criteria voor herziening ruimer worden gedefinieerd. En de beslissing voor herziening moet bij de Hoge Raad worden weggehaald, dat is zoiets als het keuren van het eigen vlees. Bij gerede professionele twijfel moet je mensen met een andere denktrant toelaten. Maar ook zag ik dat bij het Lucia-comité sommigen doorsloegen. Richard Gill is bijvoorbeeld iemand met, laat ik zeggen, een overmaat aan energie. Dat draagt niet bij tot helderheid over dit soort complexe zaken. En op het internet vindt iedereen er wel iets van. Dat is eng.’
Twee juristen die het waagden enige kanttekeningen te plaatsen, kregen inderdaad de wind van voren. Paul Mevis, hoogleraar strafrecht aan de Rotterdamse Erasmus Universiteit, betoogde vorig jaar in de Volkskrant dat het instellen van een Revisieraad als aanpassing van het rechtssysteem een verkeerd signaal zou zijn. Het zou zoiets zijn als ‘het paard achter de wagen spannen’. Daarop volgden felle reacties, terwijl Mevis helemaal niet ontkent dat er veel is misgegaan in de zaak-Lucia.
Paul Mevis: ‘Rechters worden benoemd voor het leven, daar moet iets tegenover staan: verantwoording, openbaarheid van de rechtspraak en motivering van het vonnis. Rechters moeten beter motiveren waarom ze menen dat iemand schuldig is. Inbreng van het publiek is goed, mits gebaseerd op adequate kennis. De schifting van wat er wel en niet welkom is, is nu gaande. Dat wordt zeker niet, zoals sommigen beweren, genegeerd door de rechterlijke macht: er is versterking van opsporing en de herzieningsregeling zelf is nu ook in onderhandeling. Dat ligt bij de Raad van State. Er is beweging aan de kant van het publiek, de rechterlijke macht en de wetgever, het OM. Ik ben geneigd nu eerst te wachten op de effecten daarvan.’
Gerrit van Maanen, hoogleraar privaatrecht aan de Universiteit van Maastricht, noemde de petitie voor Lucia de B. in het Nederlands Juristenblad vorig jaar ‘een academisch volksgericht’. Dat leverde woede op. Hij was ‘bang voor gezichtsverlies’ en zou ‘zijn academische plicht tot waarheidsvinding’ niet nakomen. Van Maanen zegt laconiek: ‘Het was een spontane ergernis. Ik zoek de nuance, en daarvoor is geen plaats. We hebben nog altijd een goed rechterlijk apparaat met checks and balances. We hebben integere juristen en de mogelijkheid tot hoger beroep. Laten we niet doen alsof we in Zimbabwe leven. Dat vind ik een zorgelijk beeld. Het is een groot goed dat mensen naar de rechter kunnen, en in beginsel moeten we accepteren dat er zorgvuldig recht wordt gesproken. Wat niet uitsluit dat er ook iets mis kan gaan. Maar het is onmogelijk om met deze activisten te discussiëren. Kritiek op hun standpunt maakt je per definitie verdacht. In het algemeen zie ik dat mensen op weblogs alle remmen loslaten.’
In zijn ogen is de bemoeienis met rechtszaken een proces van geobsedeerd raken en meegezogen worden. Van Maanen: ‘Wat begint vanuit goede intenties zie je ontaarden. De regels van hoffelijkheid en redelijkheid worden verlaten. Er is sprake van een omgekeerde tunnelvisie. Het heeft iets van godsdienstwaanzin. Zij voelen zich uitverkoren en hebben ook een heilsboodschap: de rechtsstaat redden. Ik heb associaties met andere historische zaken, zoals de Dreyfuss-affaire, het Amerikaanse echtpaar Rosenberg of de Weinreb-zaak. Het draait bij deze personen altijd om grote waarden van goed en kwaad.’

HANS BOUTELLIER, directeur van het Verwey-Jonker Instituut en bijzonder hoogleraar veiligheid en burgerschap aan de VU in Amsterdam, plaatst burgerparticipatie in het licht van de groeiende kloof tussen burger en overheidsinstanties. Die kloof noemt hij ‘een gebrek aan een gemeenschappelijk verhaal’. Volgens hem duidt de vertrouwenscrisis in de rechtsorde op een onzekere samenleving. Hij spreekt over een zoektocht naar nieuw civiel burgerschap.
Hans Boutellier: ‘In perioden van maatschappelijke rust gaat civiel burgerschap vanzelf. Lang kon de overheid dat gerust overlaten aan de disciplinerende werken van dominees, pastoors en politieke leiders. Vanaf de jaren zeventig is dat met het omverwerpen van de zuilen vrijgegeven aan de maatschappelijke krachten. Het gezag werd vakkundig gesloopt, ook de rechterlijke macht. De professional raakte onzeker en de overheid ging op zoek naar haar legitieme maatschappelijke opdracht. Daaruit vloeide voort dat de overheid burgers ging aanspreken op hun maatschappelijke verantwoordelijkheid. Maar burgers bieden zichzelf óók aan. De aanleiding is meestal een acuut probleem, zoals een omstreden strafzaak. Dit ervaren ze als een gemeenschappelijke urgentie en het doel is helder. Wat daarnaast speelt is de gedachte van potentieel slachtofferschap. Burgers gaan onderhandelen met gezagsdragers.’
Boutellier stelt dat naarmate je als samenleving meer gaat leunen op het strafrecht het wantrouwen groeit: ‘In het algemeen is het strafrecht de codificatie van de moraal, maar het lijkt zich nu binnenstebuiten te keren: het is niet meer de uitdrukking ervan maar de bron van de publieke moraal. We steunen meer op het strafrecht, omdat solide morele structuren ontbreken. Als het rechtssysteem dan ook nog eens niet klopt, is dat fataal. Het systeem zelf is vervolgens ondoordringbaar voor burgers, want er zit een gat tussen het rechtsgevoel van de burger en de opvattingen van het OM om “het gesprek” op serieuze wijze aan te gaan. Onder juristen heerst angst om te veel naar het pijpen van de burger te dansen. Dat is logisch: recht dient objectief te zijn. Maar de tijd ligt achter ons dat recht een rustig bezit is. Het recht moet zich actief met de burger bezighouden, anders doet de burger het wel zelf.’
Dat vind Boutellier overigens wel bloedlink, want het ontbreekt aan ‘een beschavingsbuffer’, omdat vanzelfsprekende sociale verhoudingen zijn geërodeerd: ‘En er zitten totalitaire trekken in. De staat pompt zich op als morele handhaver en daar staat “de opstand der burgers” tegenover. Dat ontwikkelt zich tot een obsessie, zoals De Hond laat zien of de wijze waarop via het internet jacht wordt gemaakt op pedofielen. Ik noem dat digitale eigenrichting: ongestraft kan iedereen elkaar beschuldigen en kapotmaken. Eigenrichting mag niet, dat staat in het wetboek.’
Het wegvallen van de disciplinerende structuren heeft ook geleid tot andere problemen. Boutellier: ‘Het geweld is toegenomen, zowel in volume als in uitingsvormen. Een voorbeeld zijn de aanvallen op hulpverleners. Dat is zó krankzinnig. Als je het analyseert is het een afkeer van overheidsinstanties. Het zijn uitingen van het ontbreken van een gemeenschappelijk verhaal.’ De relatie met de burger moet volgens Boutellier opnieuw worden uitgevonden: ‘Je moet de burger respecteren als gesprekspartner en dat goed organiseren. Ik doel dan ook op warm contact, microcontact. Voor de rechtspraak geloof ik niet in lekenrechtspraak, maar denk ik eerder aan panels die meedenken over strafvordering. Uit onderzoek blijkt dat iedereen een objectieve, onafhankelijke rechtspraak wil. Het is zoals een goede vader: hij luistert, heeft oor en oog voor wat er speelt, reageert niet krampachtig op kritiek en hij heeft tevens het gezag om beslissingen te nemen. Er is een verstoorde relatie ontstaan met Vrouwe Justitia. Je verwacht zo veel van haar, maar ze stelt je te vaak teleur. Dat móet veranderen.’