Republikeinen contra Bush

De opstand der harden

Republikeinse senatoren willen de macht van het Congres herstellen. Om moreel gezag te behouden heeft de Senaat martelpraktijken binnen of buiten Amerika nu verboden. Senator McCain: «Het belangrijkste was: wij wisten dat we beter waren dan zij.»

WASHINGTON – «Historici zullen in deze dag later een keerpunt zien», zegt senator Chuck Hagel op dinsdagmiddag 15 november, kort nadat hij voor verschillende moties heeft gestemd op Capitol Hill. Hagel is een invloedrijke Republikein met presidentiële ambities. Hoewel historici doorgaans niet naar politici luisteren, heeft hij feitelijk gelijk. Voor het eerst sinds de invasie van Irak heeft de Senaat een rol opgeëist in het verloop van de oorlog. Een eerste, door de Democraat Carl Levin ingediende motie die vroeg om terugtrekking van troepen binnen een afzienbare termijn, haalde het niet. Maar een tweede, ingediend door de Republikein John Warner, kreeg de steun van bijna de volledige Senaat. In de motie worden concrete stappen van de regering gevraagd om in het komende jaar de troepen in Irak te reduceren. Ook moet het Witte Huis de Senaat iedere drie maanden informeren over het oorlogsbeleid. Chuck Hagel: «Je kunt zeggen: wat doet dat er nu toe, af en toe een rapportje? Maar zo is het niet. Eindelijk neemt het Congres zijn grondwettelijke verantwoordelijkheid in oorlogszaken. We gaan meedoen. Bovendien, eindelijk erkennen we dat het onverstandig was een president carte blanche te geven.»

Over de Amerikaanse aanwezigheid in Irak zegt Hagel: «We zijn er nu bijna drie jaar. Ik zie niet in hoe wij, door te blijven, de Irakezen helpen hun land zelf te gaan regeren en zelf de veiligheid van hun burgers te garanderen. In theorie is het wellicht mogelijk om het land volledig onder controle te krijgen, om meer te doen dan een stad in gaan, opstandelingen doodschieten en weer verder te trekken, maar dat is theorie: We hebben er gewoonweg niet de mankracht voor.»

Waarschijnlijk zullen historici de Senaatsopstand ook voorspelbaar noemen. Binnen een jaar zijn er Congresverkiezingen en opiniepeilingen wijzen uit dat inmiddels een meerderheid van de bevolking geen heil meer ziet in de oorlog. Toch is Hagels krachtige speech opvallend, vooral de opmerking daarin dat het «vaderlandslievend is om kritiek te uiten op het Witte Huis». Juist door te zwijgen, zegt de Vietnamveteraan Hagel, hebben senatoren destijds het leger in Vietnam laten zitten, niet door hun kritiek.

Op een persconferentie in Japan reageert Bush ongewoon persoonlijk op juist deze opmerking. Met de nadruk op ieder woord: «Luister, het is verdraaid vaderlandslievend om het oneens te zijn met de president. Dat kan me niet schelen. Wel kan het me schelen als mensen onverantwoordelijk met hun positie omgaan en politieke spelletjes spelen.»

Voor Democraten reserveert hij meer algemene beschimpingen die rechtstreeks uit het draaiboek van de verkiezingscampagne voor het presidentschap van vorig jaar lijken te komen. Vooral zij die de aanloop naar de oorlog in herinnering brengen, krijgen er stevig van langs. Immers, «zij baseerden hun oordeel over de oorlog op dezelfde inlichtingen als ik». Bush herhaalt dat argument nu dagelijks.

Op woensdagavond wordt de president in venijn nog eens overtroffen door zijn vervanger. Vice-president Dick Cheney opent een gala van partijgenoten met de opmerking dat Democratische critici van het beleid de vijand moed inspreken, «terwijl soldaten sterven in Irak». Sterker, «het idee, uitgesproken door enkele senatoren, dat de president van de Ver enigde Staten, of enig ander lid van deze regering, het Amerikaanse volk met opzet zou hebben misleid, is een van de meest bedrieglijke en walgelijke beschuldigingen die ooit in deze stad zijn geuit», aldus Cheney.

Het regeringsgezinde Fox, de meest bekeken tv-nieuwszender in Amerika, neemt deze lijn en toon van redeneren direct over. In alle programma’s van die woensdagavond wordt ruimte ingelast voor het citaat van Cheney. Om de hypocrisie van de Democraten te bewijzen worden er ook citaten naar boven gehaald van het echtpaar Clinton en Al Gore uit de jaren negentig, waarin zij – ook zij! – beweren dat Saddam Hoessein, als hij de kans daartoe zal krijgen, opnieuw massavernietigingswapens zal maken. Een gast die bij Fox voorzichtig oppert dat het niet deze Democraten waren die het leger naar Bagdad stuurden, wordt met veel verontwaardiging en hoon kortgehouden.

Maar hoe fel de retoriek ook is, het mag niet baten: een dag later blijkt zelfs het doorgaans oorlogszuchtige Democratische Congreslid John P. Murtha overstag te zijn gegaan. Deze ex-marinier en veelvuldig gedecoreerde oorlogsveteraan die voor de invasie stemde, gaat door als een belangenbehartiger van het leger. «Onze soldaten hebben alles gedaan wat van hen werd gevraagd. Het is tijd ze naar huis te halen», zegt hij in een verklaring. Murtha’s belangrijkste twee redenen: de aanwezigheid van de Amerikanen staat de ontwikkeling van Irak en vrede in de weg en, minstens zo belangrijk voor de ex-marinier, het leger loopt op zijn laatste benen. Als hij een illustratie daarvan geeft, slikt de bullebak ternauwernood enkele tranen weg. Volgens hem moeten de 153.000 troepen binnen zes maanden terug zijn.

Enkele uren later beschuldigt de officiële woordvoerder van Bush, Scott McClellan, Murtha ervan «zich over te geven aan de terroristen» en een politiek te omarmen «van Michael Moore en de extreme vleugel van de Democratische Partij».

Ook individuele Republikeinse afgevaardigden organiseren een persconferentie om Murtha onder uit de zak te geven. Een van hen, Geoff Davis uit Kentucky, beschuldigt hem «en politici van zijn slag» zelfs van «verraad» met zijn «schandelijke uitspraken». «Terroristen hebben het slagveld naar de zalen van het Congres gehaald», zegt Davis: «Laten we nu maar zeggen zoals het is: het Democratische leiderschap heeft samengewerkt met onze vijanden, die het bovendien aanmoedigt.»

Democraten op hun beurt reageren furieus. Verontwaardiging alom. Toch durft bijna geen partijgenoot Murtha’s voorstel openlijk te steunen, zoals blijkt bij een door de Republikeinen haastig in stemming gebrachte resolutie die de ogenblikkelijke terugtrekking van de troepen eist. Een politieke stunt met effect: slechts drie Democraten stemmen voor.

Het is kortetermijnpolitiek, van beide kanten, bedoeld voor krantenkoppen en televisie-items. Dat kan niet worden gezegd van de strijd tegen het martelen, van de Republikeinse senator John McCain. Ondanks fel verzet van het Witte Huis, de machtsbasis van zijn partij, heeft hij een wetsbepaling door de Senaat geloodst (negentig voor en negen tegen) over een onderwerp dat niet veel kiezers bezighoudt, maar dat in zijn ogen zowel cruciaal is voor het aanzien van Amerika in de wereld als voor een morele rechtvaardiging van het Amerikaanse buitenlandse beleid. Bovendien, als slachtoffer van martelen in Vietnam weet McCain dat folteren niet werkt. Het produceert slechte inlichtingen. «Een gemartelde, zo is mijn ervaring, zal alles zeggen waarvan hij denkt dat het zijn lijden zal verlichten. Hij probeert te zeggen wat zijn folteraars willen horen. Ik werd ooit zelf fysiek gedwongen om de namen van mijn luchtmachteskader te ge ven, informatie die weinig tot geen waarde had voor mijn vijanden. Ik weigerde niet en gaf ze de namen van de aanvalslinie van de Green Bay Packers (Amerikaans voetbalteam – pvo), om dat ik wist dat valse informatie genoeg was om de mishandeling ten minste even te stoppen.»

Inderdaad. Vanuit een Egyptische martel kamer leverde Shaykh al-Libi, topman van al-Qaeda, het «bewijs» voor de link tussen al-Qaeda en Irak. Powell noemde deze bekentenis zelfs in zijn inmiddels beruchte speech voor de VN in februari 2003. Later heeft al-Libi zijn «bewering» ingetrokken, waarvan al was gebleken dat die nergens op was gebaseerd – behalve op het voorkomen van meer pijn.

Behalve slechte inlichtingen geeft McCain nog enkele argumenten tegen martelen. Hij zette ze afgelopen week op een rij in een overtuigend essay. Hij maakt daarin nog eens duidelijk dat hij niet twijfelt aan de intenties van het Witte Huis. Maar tegelijk stelt hij zonder omwegen dat «het misbruik van gevangenen de oorlog tegen het terrorisme niet helpt, maar schaadt». Want deze oorlog, aldus McCain, wordt «niet alleen op het slagveld beslist». «Dit is een oorlog van ideeën. (…) In die oorlog eist misbruik van gevangenen een enorme tol. Martelen bedreigt ons morele gezag, het stelt ons bloot aan de valse maar wijd verspreide beschuldiging dat democratieën niet inherent moreler en idealistischer zijn dan andere regimes.» Met andere woorden: om de oorlog te winnen moet Amerika geen spiegel tonen, maar een moreel alternatief bieden. Dat is ook belangrijk voor het moreel van de soldaten, voegt McCain eraan toe. Als krijgsgevangenen putten hij en zijn medegevangenen («everyone of us – every single one of us») een «enorme kracht uit de overtuiging dat wij anders waren dan onze vijand, dat wij beter waren dan zij, dat wij, als de rollen omgedraaid waren, onszelf niet zouden verlagen tot het plegen of goedkeuren van dergelijke mishandeling».

Ook brengt martelen – McCains derde argument – de eigen troepen in gevaar. «Onze toewijding aan basale humanitaire waarden bepaalt deels de bereidheid van andere landen hetzelfde te doen.» Natuurlijk, schrijft McCain, zullen de terroristen het principe van weder kerigheid niet huldigen, maar toch moet de perverterende werking van eigen handelen niet worden onderschat voor toekomstige meer conventionele oorlogen en conflicten.

McCain heeft zelf aan den lijve ondervonden dat de behandeling van gevangenen in Noord-Vietnam verbeterde nadat de praktijken vanaf 1970 alom bekend werden. Hierin volgt McCain Amnesty International, die van gevangenen hoort over het waarneembaar matigende effect van de acties van de organisatie op het gedrag van folteraars.

McCain gaat ook in op het tikkende-tijdbomscenario, opgebracht door voorstanders. Het is een onwaarschijnlijk scenario, benadrukt McCain, wellicht zelfs een louter theoretisch. De ondervrager moet immers al over de kennis beschikken dat er een bom ligt te tikken en dat de gevangene weet waar. De ondervrager hoeft er alleen nog maar achter te komen. Iedere serieuze terreurgroep of verzetsorganisatie zal kennis zo onder haar leden verspreiden dat niemand ooit alles weet. Ook de datum en plaats van de aanslag zullen ogenblikkelijk worden gewijzigd bij gevangenneming van een van de groepsleden. Het is onverstandig, zegt McCain, om voor dit uiterst onwaarschijnlijke scenario een uitzondering op een basaal mensenrecht in de wet te schrijven. Dat «zet de deur wijd open voor misbruik as a matter of course». Als dat al niet aan de top gebeurt, dan toch zeker op de grond, door eenvoudige soldaten die niet begrijpen wat er nu precies van hen wordt verlangd. De regel moet simpel blijven: martelen mag niet.

De wetsbepaling van McCain verbiedt daarom iedere «wrede en vernederende behandeling van gevangenen» door Amerikanen, waar ook ter wereld. Dat laatste is niet onbelangrijk, omdat de CIA ook gevangenen laat martelen in andere landen, soms door buitenlanders, zo bevestigde Dick Cheney afgelopen week nog eens in een vertrouwelijk maar uitgelekt ge sprek met top-Republikeinen. McCain meent dat de Army’s Field Manual, die momenteel wordt bijgewerkt, genoeg armslag geeft om gevangenen stevig onder druk te zetten. Cheney wil een uitzondering houden voor de CIA. Door de strijd van McCain werd Cheney gedwongen voor het eerst publiekelijk te erkennen dat martelen officieel beleid is. «McCain heeft hem de vice-president van het martelen gemaakt», aldus een Republikeinse fractiemedewerker.

Alsof dit niet genoeg is verloor het Witte Huis afgelopen week ook nog een ander gevecht met de door Republikeinen gecontroleerde Senaat. Met 84 stemmen voor en 14 tegen werd een regeling aangenomen die het terreurverdachten (alsnog) mogelijk maakt bij de burgerrechter in beroep te gaan tegen de uitspraak van een militair tribunaal.

Hagel, op die woensdagmiddag: «Laten we onszelf niet langer voor de gek houden. Niet het leger, zoals neo-conservatieven denken, maar gematigde moslims moeten uiteindelijk het terrorisme verslaan. (…) Daarnaast hebben ook de omringende landen geen baat bij een gedesintegreerd Irak, dat zal functioneren als een uitvalsbasis voor terreurzaaiende extremisten. Dus is het belangrijk dat we een acceptabele partner zijn voor die landen. Ik waarschuw iedereen die inzet op regime-verandering in Syrië. We weten niet wie of wat het Assad-regime zal vervangen. En zij die denken dat het niet erger kan dan nu, moeten de geschiedenisboeken weer in: het kan erger, zeker in dat deel van de wereld. We moeten de huidige buurlanden van Irak ertoe krijgen zich in te zetten voor een stabiel Irak. Met de huidige koers van het Witte Huis lukt dat natuurlijk niet. Want behendigheid is vereist.»

«Is er kans dat het Witte Huis gaat luisteren?» vraagt een lid van de Council on Foreign Relations. Hagel: «Dat zal nog wel even duren, er zitten hardleerse elementen daar. Recente uitlatingen van Rice stemmen hoopvol, hoewel veel daarvan Colin Powells ideeën waren. Wel, ik ben blij te zien dat Colin Powell in veel opzichten nu toch eindelijk zijn zin krijgt, in absentia weliswaar, maar toch».

De oorlogsveteraan Hagel voegt er nog aan toe: «Het was duidelijk dat Powell, een generaal, de enige in de regering was die verstandig genoeg was om te zien dat het leger niet de oplossing voor alles is.»