De opstand tegen de elite

GEERT WILDERS laat geen gelegenheid onbenut om uit te halen naar de zelfgenoegzame grachtengordel, de Haagse kliek onder de kaasstolp, wereldvreemde politici, vooringenomen rechters, multiculturele bestuurders in hun ivoren torentje - kortom naar de linkse elite met de symbolische designbril op de neus. Wilders mag dan zelf als een van de langst zittende parlementariërs onderdeel zijn van de politieke elite, zijn anti-establishmentretoriek valt, blijkens de peilingen voor de Provinciale-Statenverkiezingen, op vruchtbare bodem. Bovendien is hij een symptoom van een al langer gistend onbehagen in ‘de gelukkigste natie ter wereld’, zoals het Sociaal en Cultureel Planbureau Nederland ooit noemde.
Elitekritiek is niet nieuw. Vooral leden van de elite hebben er patent op (zie Dichters & Denkers van dit nummer). De vraag is waarom de aanval op de elite juist nu zo hevig is, niet alleen in Nederland, maar ook in de Verenigde Staten en Italië. Is het zomaar een van de attributen uit de trukendoos van populistische politici en media die de onderbuik bespelen? Of gaat er de nodige waarheid schuil achter het verwijt dat een hoogopgeleide, kosmopolitische bovenklasse het vooral voor zichzelf goed geregeld heeft? Wie of wat is 'de elite’ trouwens? En bestaat de elite überhaupt nog, nu Nederland een grotere bovenlaag kent dan ooit?
In deze special reflecteert De Groene Amsterdammer op de huidige elitekritiek. Daarbij mag duidelijk zijn dat de elite inderdaad niet bestaat - eerder zijn er politieke, bestuurlijke, financiële en culturele elites, is er een media-elite en een kakelverse elite van BN'ers, die elkaar soms in besturen of de wandelgangen van, zeg, het Concertgebouw treffen, maar die grotendeels in gescheiden werelden opereren. De kritiek op die elites kan variëren van zelfverrijking middels bonussen tot cultureel snobisme, van wereldvreemdheid tot hypocrisie.
Maar het is zonneklaar dat Nederland sinds de komeetachtige opkomst van Pim Fortuyn in verwarring verkeert en de elites zich daar weinig raad mee weten. Dat onvermogen is tegelijk ook het probleem, zoals Michaël Zeeman al in 2002 in zijn dankrede bij het ontvangen van de Gouden Ganzenveer zei: 'Het gebrek aan innerlijke overtuiging bij de culturele, de politieke en journalistieke elites creëert inmiddels een beklemmend vacuüm. Het is dat vacuüm waarin de populisten springen, of dat nu de politieke of culturele populisten zijn. Hoe graag de democratiseringsgolf zichzelf ook als synoniem zag aan een egaliseringsproces, de werkelijkheid is een stuk weerbarstiger. Geen samenleving zal het ooit zonder elites kunnen stellen en wie dat uit schaamte of twijfel probeert te verheimelijken, richt een enorme ravage aan.’
Zeeman gaf impliciet aan dat er geen sprake meer is van een elite zoals vroeger, namelijk: een homogene klasse die grotendeels samenvalt met de hogere standen. Vanaf eind jaren zestig in de vorige eeuw werd niet meer afkomst maar een diploma een ticket tot de macht. En aan de poten van de macht van deze meritocratische diploma-elite wordt nu gezaagd, zoals de generatie van '68 de bijl zette in de regenteske gevestigde orde. De tweede ronde van een klassenstrijd is in volle gang, deze keer aangevoerd door rechtse populisten. En dat doet pijn.
Hoe pijnlijk dit is, komt telkens weer naar voren uit onderzoek. Zo bleek uit een enquête van TNS NIPO onder vierhonderd invloedrijke Nederlanders, onder wie CEO’s, wetenschappers, topambtenaren, bankiers, (oud-)politici en cultuurpausen - ongeveer de groep waarvan Wilders stelt dat zij het land zou hebben laten afglijden - dat zij de opkomst van het populisme en de toegenomen invloed van Geert Wilders een groot probleem vinden, maar een antwoord schuldig moeten blijven. Ruim de helft van de bestuurlijke top heeft er geen vertrouwen in dat de elite een krachtig alternatief kan bieden voor de boodschap van populistische partijen. Die onmacht is des te zorgelijker omdat uit dezelfde enquête blijkt dat tweederde het goed vindt dat een politicus als Wilders een stem biedt aan de maatschappelijke onvrede.
Een oproep aan de elite om in opstand te komen, zoals Guusje ter Horst vorige zomer deed, is dan ook al te simpel. Voor een opstand zijn sterke, zelfbewuste elites nodig, terwijl veel van de beschouwers en geïnterviewden in dit nummer het erover eens lijken te zijn dat de elites van nu weifelend en zelfontkennend zijn, zo niet navelstarend. Maar juist deze kritiek, per slot van rekening vaak afkomstig van mensen die zelf deel uitmaken van de maatschappelijke of culturele voorhoede, is hoopgevend. Verongelijktheid is wel de slechtste reactie op de aanval op de elite.
Op verschillende plaatsen wordt het noblesse oblige van de oude aristocratische elite in herinnering geroepen. Als je tot de bovenlaag behoort, schept dat ook verplichtingen. Wie tot de elite behoort, behoort bij te dragen aan de publieke zaak. Misschien is die verheerlijking van de publieke moraal van de bovenklasse van weleer niet helemaal realistisch, maar het inzicht dat gezag verdiend moet worden en dat je dat doet door bij te dragen aan het algemeen belang, dat is de eerste stap.