Hoofdcommentaar

De optimist

Reageer online

Na 1968 is alles slechter geworden. Amerikaanse presidenten bleken leugenaars en schoften. Popmuziek werd commerciële troep. Wielrenners bleken doping te slikken. Arbeiders werden lid van de Tros en wilden een eigen huis, op een woonerf, niet in een commune. De Bijlmer verpauperde, Joop den Uyl stierf. En niemand geloofde meer in iets.

Dat kon ook niet, natuurlijk. Zelfs de allergrootste enthousiasteling met het allerminimaalste verstand begreep dat het onmogelijk was geworden jezelf nog maoïst te noemen. Dat kon in de Parijse euforie, misschien, maar daarna niet meer. Bij bosjes hebben de communisten en andere idealisten zich later verontschuldigd voor hun grote mond. Zij waren tot inkeer gekomen. Niet zij waren fout, natuurlijk – ze waren misleid, door de foute ideologie, de foute ideologen en door hun jeugdig enthousiasme.

Wat restte was de grote matheid van het midden, of de radicale franje van het extreme. Wat er aan geloof had bestaan, verwelkte tot een schim. De opportunist Hans Wiegel zag in dat hij in 1980 de inhuldiging van Beatrix goed kon gebruiken om de laatste restjes revolutionair elan te breken.

De optimist staat sindsdien met lege handen, als Voltaire na de aardbeving van Lissabon in 1755. Daar vielen honderdduizend doden en de stad werd bijna geheel vernietigd; wat de ontzetting nog vergrootte was het besef dat de ramp zich op een belangrijke katholieke feestdag had voltrokken, en dat bijna alle kerken van de stad mede waren verwoest. Voltaire zou door de ramp in één klap genezen zijn van het Optimisme van Leibniz, dat postuleerde dat zulke evenementen onder de regering van de Goede God eenvoudig niet plaats konden grijpen: alles op aarde was welgedaan, de wereld was immers de beste van alle denkbare werelden. In Candide (1759) zou Voltaire nog eens hard met dat optimisme afrekenen. Il faut cultiver son jardin, zegt Candide: blijf thuis, dan richt u het minste schade aan.

Wie noemt zich, na 1968, nog optimist? Wie spreekt John Gray tegen, die ons hoofdschuddend voorhoudt dat wij niet wezenlijk anders zijn dan de dieren, en dat wij ons irrationele geloof in God alleen maar hebben ingeruild voor een even irrationeel geloof in de mens? Humanisme, zegt Gray, is ook een utopisch geloof, en dus even gevaarlijk als het christendom. Wie nu nog beweert dat hij het volk wil leiden naar een betere toekomst is per definitie een totalitaire utopist, een gevaarlijke gek – en driemaal zo gevaarlijk als het een intellectueel betreft, een filosoof-koning. Hang niet de democratische missionaris uit – en zeker niet gewapenderhand. Neem slechts kleine stappen. De nalatenschap van 1968 is dat de optimisten gedoemd zijn tot realisme, of beter nog: pessimisme. Tegenover hen staat de geschiedenis, de pijnlijke geschiedenis van de twintigste eeuw, van Bergen-Belsen en de Goelag, de Culturele Revolutie en Pol Pot.

Dat is veel te kort door de bocht. Het idealisme van 1968 had een enorme invloed op de motivatie van de anti-totalitairen in Praag, op de positie van de vrouw, op het vergroten van de toegang tot oude gesloten bolwerken als de universiteit, de politiek, het onderwijs.

De thuisblijver heeft ongelijk. De wereld staat niet stil. Buiten uw jardin sterven jaarlijks tien miljoen mensen de hongerdood. Daar bent u mede verantwoordelijk voor, en John Gray ook, of hij wil of niet. U gaat uw optimisme en uw idealisme hard nodig hebben, al was het alleen al omdat onze Grote Huisbazin, Moeder Natuur, ons binnenkort van de planeet af gooit en wij iets moeten gaan bedenken om haar te kalmeren.

Door 1968 weten wij nog maar eens dat de weg naar de hel geplaveid is met goede bedoelingen. Maar onder dat plaveisel: de hoop. Loop uw tuin uit. Il faut cultiver son chemin.

Met dank aan Casper Thomas en Koen Haegens
…………………………………………………………………………………………………..
reactie vrijdag 2 mei 2008:
Het stoort mij dat de non-rationaliteit van geloof, humanisme en ideologieen, die i.h.a. beweren dat op aarde een toestand van volkomenheid bereikt kan worden onder dezelfde noemer van irrationaliteit wordt gebracht. Wat vindt u van het geloof in de wetenschap, technologie of economie? Zou een meer filosofische benadering, die rekening houdt met een wijsheid van voorbij de zichtbare dingen geen duidelijker kader hebben om deze vormen van non-rationaliteit te onderscheiden en te waarderen? Moderne intellectuelen doen alsof het Christendom niet heeft bestaan of een betreurtenswaardig intermezzo was tussen de sofisten en de verlichting. Realiseert u zich a.u.b. dat vergeleken met de massamoorden van de moderne tijd de vermaledijde inquisitie kleuterspel was.
Ab de Vos