Raoul Bauer, Raoul Bauer, Karsten Alaes

De optimistische Middeleeuwen

In het beeld dat wij hebben van het Europa van de veertiende en vijftiende eeuw overheersen duisternis en ellende. Ten onrechte.

Raoul Bauer

Tussen rampspoed en vernieuwing: Een Europese cultuurgeschiedenis van de veertiende en vijftiende eeuw

Pelckmans / Klement, 374 blz., € 27,95

Richard Rubenstein

Kinderen van Aristoteles: Hoe christenen, moslims en joden verlichting brachten in de donkere Middeleeuwen

Anthos / Manteau, 341 blz., € 24,95

Karsten Alnæs

De geschiedenis van Europa. Deel 1: Ontwaken, 1300-1600

Anthos / Standaard Uitgeverij, 725 blz., € 39,95

In de existentiefilosofie van Karl Jaspers wordt een centrale plaats ingenomen door het begrip «grenssituatie». Het menselijk bestaan is opgebouwd uit een hele reeks situaties, en Jaspers definieert een situatie als «een werkelijkheid die niet alleen naar de natuurwetten bestaat, maar waaraan ook zin wordt gegeven die noch psychisch noch fysiek is, maar beide tegelijk, als de concrete werkelijkheid die voordeel of nadeel, mogelijkheid of beperking van mijn bestaan inhoudt».

De mens bevindt zich onophoudelijk in situaties waarin hij moet handelen. Die situaties zijn niet onveranderlijk, maar bestaan juist doordat zij veranderen. De mens kan zich aan situaties onttrekken, maar hij kan ze ook veroorzaken. Er zijn echter ook situaties die niet te veranderen zijn, zoals het gegeven dat de mens moet vechten voor zijn bestaan, dat het leven deels bestaat uit lijden, dat de mens sterfelijk is. Dat zijn wat Jaspers noemt de grenssituaties. We kunnen ze niet ontwijken, ze zijn definitief. Karl Jaspers: «Ze zijn niet overzienbaar, daarachter zien wij in ons bestaan niets anders meer. Ze zijn als een muur waar we tegenaan lopen, waar we op stuk lopen. Ze zijn door ons niet te veranderen, maar alleen tot klaarheid te brengen.» Wanneer de mens zich echter bewust wordt van deze grenssituatie, opent zich de mogelijkheid tot hernieuwde vitaliteit, tot het inslaan van nieuwe wegen.

Jaspers’ concept van de grenssituatie heeft betrekking op het individuele bestaan, maar is het begrip ook te gebruiken voor de menselijke gemeenschap als geheel? Zijn er situaties waarin men collectief tegen de muur aanloopt en waarin nieuwe krachten naar boven komen? Zijn dergelijke grens situaties in de geschiedenis aan te wijzen?

Wie over pakweg een eeuw of twee Nederlandse kranten, tv-programma’s en egodocumenten uit het eerste halve decennium van de 21ste eeuw bestudeert, zal misschien in de verleiding komen deze periode te beschrijven als een grenssituatie, als een tijd waarin de Nederlander het gevoel had dat hij het allemaal niet meer overzag, dat er geen uitweg meer leek te zijn. Terrorisme, politieke moorden, het voortdurende luiden van de noodklok omdat de barbaarse horden zouden opmarcheren, een identiteitscrisis en het wanhopig zoeken naar gemeenschappelijke waarden, een uitzichtloze oorlog in Irak en tal van andere onbeheersbare conflicten, de angst voor een klimatologische ramp – dat alles lijkt een muur van ellende te vormen waarachter een ongewisse toekomst schuil gaat. Als bewijs van de enorme shock waarin men verkeert zal de toekomstige historicus wellicht wijzen op de reacties die de tsunami in Azië losmaakte. In tegenstelling tot de veel grotere aantallen slachtoffers die in Afrika vallen als gevolg van oorlog en hongersnood, was de ramp in Azië een blinde natuurkracht waar de mens geen enkele invloed op had, en die hem met de neus op de eigen kwetsbaarheid drukte. Het is de vraag of een dergelijke ramp in een andere situatie evenveel reacties had losgemaakt.

Of het terecht is om het huidige tijdsgewricht aan te duiden als grenssituatie, zal nog moeten blijken. Of er sprake is van een hernieuwde kracht, van het inslaan van nieuwe wegen, valt nog te bezien. De Belgische historicus Raoul Bauer gebruikt het begrip wel om het Europa van de veertiende en vijftiende eeuw te duiden. Dat wil uiteraard niet zeggen dat hij teruggrijpt naar het allang achterhaalde beeld van de Renaissance als abrupte breuk, als de plotselinge overgang van de duistere, aftandse en versteende Middeleeuwen naar de moderne tijd. Hij beschrijft de veertiende en vijftiende eeuw als een historia calamitatum, een begrip dat hij heeft ontleend aan de titel van de autobiografie van Abélard. En inderdaad lijken deze twee eeuwen een periode van onafgebroken rampspoed. De pestepidemie die in 1348 uitbarstte vaagde ruim een derde van de bevolking van Europa weg, in Frankrijk woedde de Honderdjarige Oorlog, terwijl er in de meeste andere landen evenmin van vrede kon worden gesproken, en tegelijkertijd brokkelde de macht van zowel de paus als de keizer steeds verder af.

Europa was in crisis, de situatie was uitzichtloos, velen verwachtten dat God eindelijk zou ingrijpen, dat het einde der tijden nabij was. Toch was er geen sprake van wijd verbreid fatalisme, en was er niet alleen verval maar ook een nieuw elan, waren er nieuwe ontwikkelingen, was er volop levenskracht. Volgens Bauer wordt de cultuur van de veertiende en vijftiende eeuw gekenmerkt door een groeiende individualisering, die zich zowel op het niveau van de gemeenschap als op het niveau van de enkeling manifesteert. Dit is zichtbaar in de verwijdering tussen filosofie en theologie, in de privatisering van het godsdienstige leven, de veranderingen in de architectuur, de literatuur en de beeldende kunst.

Deze individualisering ontstond niet pas in de veertiende eeuw. Volgens Bauer moet de oorsprong van de vernieuwing van de Europese cultuur worden gezocht in de zogenoemde «renaissance van de twaalfde eeuw». In die periode openbaarde zich immers een revolutionair nieuwe visie op de natuur, maakten de magische interpretaties van de fysieke werkelijkheid plaats voor het blootleggen van een, uiteraard door God gecreëerde, natuurlijke orde die rationeel te doorgronden was. Ook ontstond er grote belangstelling voor de geestelijke erfenis van de Oudheid, en werden ijverig allerlei teksten verzameld en gekopieerd. Tot de Latijnse bronnen had men uiteraard rechtstreeks toegang, maar via vertalingen uit het Arabisch sijpelde ook de Griekse wijsheid langzaam binnen, waarbij vooral het denken van Aristoteles van cruciaal belang bleek.

Deze renaissance van de twaalfde eeuw had zijn zwaartepunt in Frankrijk, en bereikte zijn hoogtepunt in de dertiende-eeuwse scholastiek en de gotische kathedralen. Tegelijkertijd was er sprake van een toenemende formalisering, die uitmondde in verstarring en zelfgenoegzaamheid. Het was de historia calamitatum van de veertiende en vijftiende eeuw die als katalysator diende en een snelle en grondige vernieuwing mogelijk maakte.

Hoewel het begrip crisis bij Bauer centraal staat, is hij bepaald niet blind voor de continuïteit in de Europese cultuur. Van een scherpe breuk tussen Middeleeuwen en Renaissance, en van begrippen als «herfsttij der Middel eeuwen», wil hij dan ook niets weten. De hernieuwde belangstelling voor het denken van de klassieke Oudheid begon reeds ver voor Petrarca. Bovendien putte de geestelijke vernieuwing uit meer dan één bron, en vloeide de toenemende individualisering niet alleen voort uit de bestudering van Grieken en Romeinen maar ook uit de veranderde geloofsbeleving binnen de christelijke kerk.

Ook Richard Rubenstein keert zich tegen het clichébeeld van de Middeleeuwen. In Kinderen van Aristoteles laat hij zien dat het Griekse denken nooit helemaal weg is geweest en dat er tijdens de Middeleeuwen een levendige uitwisseling plaatsvond tussen allerlei christelijke, joodse en islamitische geleerden, waardoor de filosofie van Aristoteles reeds in de twaalfde eeuw zo’n enorme invloed kon uitoefenen. In het werk van Abélard keerde de rede terug, en in weerwil van de moderne mythe – waarin het optreden tegen Galilei in de zeventiende eeuw wordt teruggeprojecteerd op de Middel eeuwen – verzette de kerk zich hier niet tegen. In plaats daarvan probeerden kerkelijke autoriteiten en geleerden de kerk juist te moderniseren door geloof en rede met elkaar te verzoenen. Pas met het optreden van William van Ockham, in het tweede kwart van de veertiende eeuw, ontstond er een conflict tussen geloof en rede, en begonnen de natuurwetenschappen, de politieke theorie en andere onderdelen van de filosofie zich los te zingen van het christelijke geloof. Rubenstein sluit zich wat dit betreft aan bij auteurs die de laatste tijd het filosofische debat uit de veertiende eeuw steeds meer gaan beschouwen als een van de belangrijkste oorzaken van wat doorgaans de Renaissance wordt genoemd.

Het boeiende en vlot geschreven boek van Rubenstein beperkt zich tot de filosofische ontwikkelingen. Bauer daarentegen richt zich op de gehele Europese cultuur in de door hem uitgekozen periode. Zijn boek is echter niet erg soepel geschreven en in zijn opsomming van oorlogen, rampen en politieke verwikkelingen is het zelfs vrij monotoon. Hij schrijft duidelijk veel minder goed dan de Noorse romancier Karsten Alnæs, die zich gewaagd heeft aan een vijfdelige Geschiedenis van Europa. In het laatste deel zal hij de tweede helft van de twintigste eeuw behandelen, maar in het eerste deel beschrijft hij een periode die zes maal zo lang duurde, de jaren tussen 1300 en 1600.

Anders dan Bauer excelleert hij in de schildering van het dagelijkse leven, de rauwe realiteit van de oorlog, de gruwelen van de vele epidemieën die Europa overspoelden, en schetst hij indringende portretten van allerlei belangrijke en interessante personen. Het is een meeslepend leesboek, waarin de lezer steeds wordt verrast met interessante wetenswaardigheden en curieuze verhalen.

Niettemin zijn er nogal wat bezwaren tegen het boek aan te voeren. Om te beginnen is de ondertitel van dit eerste deel dubieus. «Ontwaken» suggereert immers dat men voor die tijd sliep, wat weer eens het beeld bevestigt van de duffe en duistere Middeleeuwen. Waarschijnlijk verwijst zij naar Alnæs’ opvatting dat het idee van Europa pas na 1300 ontstond, maar juist deze stelling werkt hij niet uit, laat staan dat hij haar onderbouwt. Het boek biedt een schier onuitputtelijke reeks feiten en weetjes, maar een eventuele visie op de ontwikkelingen blijft vaag. Uiteindelijk wordt de indruk gewekt dat er sprake was van een geleidelijke opmars in de richting van de moderniteit. Hoewel Alnæs een indringend beeld schetst van dezelfde rampen als die door Bauer veel afstandelijker worden beschreven, wordt veel minder duidelijk welke gevolgen deze crises hadden voor de ontwikkeling van de Europese cultuur.

Ook zijn beschrijving van die cultuur is vrij gebrekkig, en bestaat voor een groot deel uit clichés en achterhaalde opvattingen. In zijn behandeling van de middeleeuwse filosofie ontbreekt een sleutelfiguur als Ockham, die bij Bauer en Rubenstein terecht zo veel aandacht krijgt. Waar Alnæs de ontwikkeling in de wetenschap beschrijft, ontstaat het beeld dat hier sprake was van een gestage klim omhoog, een geleidelijk voortschrijdend inzicht dat uiteindelijk heeft geresulteerd in de moderne wetenschap. Zo vermeldt hij wel dat Marsilio Ficino in opdracht van Cosimo de’ Medici het verzameld werk van Plato vertaalt, maar rept hij met geen woord over het feit dat dit werk even aan de kant werd gelegd omdat Ficino eerst het Corpus Hermeticum moest vertalen. De hermetische filosofie – een allegaartje van neoplatonisme, joods-christelijke mythes, kabbala en Egyptische mysteriegodsdiensten – had een enorme invloed op veel natuurwetenschappers, onder wie Copernicus en Kepler, en op zelfbenoemde zieners als Giordano Bruno en Thomas Campanella. Sinds Frances Yates’ in 1964 verschenen Giordano Bruno and the Hermetic Tradition kan men niet meer over renaissancistische wetenschap schrijven zonder rekening te houden met allerlei occulte en esoterische tradities en in onze ogen krankjoreme disciplines als de astrologie en alchemie. Ook wanneer Alnæs het doet voorkomen alsof Copernicus’ voornaamste verdienste bestond uit het overbodig maken van de ontelbare epicykels of bijcirkels die nodig waren om de kosmologie van Ptolemaeus in overeenstemming met de astronomische observaties te brengen, rakelt hij een reeds lang ontmaskerde mythe op.

Uiteraard is dit detailkritiek, en dient men een auteur die het aandurft om zeven eeuwen Europese geschiedenis te beschrijven in de eerste plaats te prijzen. Voor wie graag een boek over de Europese geschiedenis wil lezen en vooral is geïnteresseerd in de wederwaardigheden van hele reeksen figuren uit het verleden, is dit een prima boek. Een dergelijke lezer zal zich waarschijnlijk ook niet storen aan het feit dat het middendeel van het boek, dat negen biografische schetsen behelst, voor een groot deel bestaat uit samenvattingen van bekende boeken als die van Le Roy Ladurie over Montaillou en over de familie Platter, Ginzburgs De kaas en de wormen, Zemon Davies’ De terugkeer van Martin Guerre en Iris Origo’s De koopman van Prato. Wie echter een visie verwacht op een uiterst roerige en doorslaggevende periode uit de Europese geschiedenis zal dit fraai uitgegeven boek, na al die bladzijden vol levendige taferelen en meeslepende verhalen, toch dichtslaan met een zeker gevoel van teleurstelling. Anders dan in het boek van Bauer wordt de spanning nergens voelbaar, dringt de vergelijking met andere crisis- of grenssituaties zich nergens op.