De opvangchaos

EEN KWARTIER nadat de Boeing van El Al is neergestort, gooit Bijlmerbewoonster Karin Moor de deuren open van de collectieve ruimten op de begane grond van de flat Grubbehoeve, tegenover de getroffen flat Groeneveen, en ontsteekt alle lichten. In een mum van tijd stroomt ontmoetingsruimte de Blauwe Zaal vol met ontredderde mensen. Ook vrijwilligers geven acte de présence; buren komen dekens brengen, anderen komen binnen met verdwaasde bewoners van de getroffen flats. Er wordt thee en koffie gezet, Karin Moor plundert de sigarettenkluis van flatcafé de Nachtegaal en zet de rokertjes in whiskyglazen.

De groep groeit aan tot ongeveer tachtig personen. Moor, destijds kinderwerker bij de welzijnsorganisatie BZO, legt een lijst aan met de belangrijkste gegevens van de overlevenden: naam, huisnummer in Klein-Kruitberg of Groeneveen, aantal huisgenoten en degenen die worden gemist. Als vanzelf geeft het spontaan gevormde vrijwilligersteam haar de verantwoordelijkheid. ‘Maar ik had geen rampenplan’, zegt de gedoodverfde coördinator. Gelukkig melden zich af en toe vermiste personen. Moor: ‘De een was gelukkig, de ander verdrietig; de emoties waren zeer sterk.’

In paniek komt een hoogzwangere vrouw binnen die haar kindje niet langer voelt bewegen. De ambulances blijken in de file te staan bij de afrit van de Groesbeekdreef, wachtend op de gewonden die niet komen. Het duurt zó lang dat twee vrijwilligers aanstalten maken om de vrouw zelf naar het AMC te brengen. Dan arriveren er plotseling drie ziekenauto’s. In het nabijgelegen kerkgebouw in Ganzenhoef blijken ook mensen te worden opgevangen. Karin Moor verneemt van een medewerker dat het stadsdeel in het Bijlmer Sportcentrum, anderhalve kilometer verderop, opvang biedt aan mensen die hun huis zijn kwijtgeraakt. Op de Bijlmerdreef staat een bus die de slachtoffers naar de sporthal zal vervoeren. In groepjes worden zij door vrijwilligers naar de bus gebracht. De niet direct getroffenen blijven achter in de Blauwe Zaal. Het wordt een lange nacht.

Inmiddels heeft Karin Moor aan de hand van een genummerd gevelraster van Groeneveen en Klein-Kruitberg globaal berekend welke woningen zijn verdwenen. Vlak voor twee uur komt een jonge man de Blauwe Zaal in, totaal overstuur. Hij meent zeker te weten dat zijn moeder, zusje en broertje door de Boeing zijn gedood. Moor vergezelt hem naar de brandende flat; een agent staat toe dat ze achter het inmiddels aangebrachte plastic lint gaan kijken. Het uur der waarheid breekt aan voor de jongen: zijn verwanten zijn dood. Het valt Moor op dat de brandweerlieden en politieagenten die de bewoners naar buiten begeleiden, zelf behoorlijk over hun toeren zijn. Ze schreeuwen haar toe dat ze moet ‘oprotten’. Er zijn al snel na de inslag geruchten over plunderaars gaan circuleren. Buurtbewoners mogen niet meehelpen. Zij gaan dan maar naar de Blauwe Zaal, waar de vrijwilligers steeds meer ‘soorten’ mensen verwelkomen. ‘Iedereen troostte elkaar’, vertelt Moor, ‘ook slachtoffers. De taalbarrière telde niet.’ Pas later, in het Bijlmer Sportcentrum, zullen de culturele verschillen een rol gaan spelen.

DE VOLGENDE MORGEN gaat Karin Moor naar het Bijlmer Sportcentrum om te kijken of zich al bekenden hebben gemeld. Er liggen mensen op veldbedden met militaire dekens. Het Leger des Heils deelt koffie, thee en broodjes rond. Deelraadsleden lopen door elkaar. Stadsdeelwethouder Helen Burleson vraagt Moor om haar namenlijst, want het coördinatieteam is nog niet aan registratie toegekomen. Wel zijn in de sporthal vellen papier opgehangen waarop mensen boodschappen over vermiste personen kunnen schrijven. De volgende morgen vraagt Burleson haar andermaal om de lijst, want het aan het stadsdeel overhandigde exemplaar is zoekgeraakt. Van overal zijn familieleden toegestroomd.

Maandagmiddag gaat Moor naar de persconferentie op het stadsdeelkantoor. Minister Maij-Weggen kijkt bedrukt. Burgemeester Van Thijn zegt dat er vermoedelijk enkele honderden personen zijn omgekomen. Moor, boos: ‘Je moet niet willen schatten op zo'n moment. Je weet immers alleen welke huisnummers zijn getroffen, maar niet wie er thuis of op bezoek waren.’ Volgens Moor heeft die lichtvaardige schatting veel onrust veroorzaakt bij de nabestaanden en buurtbewoners.

De daaropvolgende week gaat Karin Moor dagelijks om negen uur naar het Bijlmersportcentrum om te helpen. ‘s Middags om vier uur gooit ze kinderhuiskamer de Roze Panter in Grubbehoeve open, en daarna, voor de volwassenen, de Blauwe Zaal, tot drie uur ’s nachts. Die week blijft ze haar eigen registratielijst bijhouden. In de sporthal werken raadslieden en wethouders keihard. Vooral de inzet van deelraadsvoorzitter Ronald Janssen, Helen Burleson en, in het bijzonder, de jeugdige wethouder Erik van de Burg (VVD) vallen Moor op: 'Hij troostte mensen met heel zijn hart en regelde tegelijk heel efficiënt allerlei zaken.’ Wie ze die week niet ziet, zijn deelraadslid Yvonne Paulis-Olf (inmiddels Wolthuis-Olf), die in het verhoor door de parlementaire commissie meedeelde dat ook zij zich slachtoffer voelt. Ook Groeneveenbewoner en beroepsslachtoffer André Bos, die in het verhoor zijn complottheorieën presenteerde, ontbreekt.

DE WOENSDAG na de ramp verandert de sfeer. Karin Moor: ‘Er barstte een strijd om de slachtoffers los.’ Het stadsdeel maakt bekend dat organisaties een vergoeding kunnen krijgen voor de gemaakte kosten bij het opvangen van slachtoffers. Onmiddellijk werpt de Afro-Surinaamse organisatie Kwakoe zich op namens de creolen en Ghanezen. In het Bijlmer Sportcentrum worden informatietafels ingericht door woningcorporatie Nieuw Amsterdam, de Sociale Dienst, verzekeringmaatschappijen en een aantal etnische zelforganisaties.

Groeneveenbewoner Mohammed, die tegenover de parlementaire enquêtecommissie verklaarde dat Nederlanders als eersten werden geholpen en dat allochtonen achterbleven, heeft volgens Karin Moor gelijk: ‘Maar als Egyptenaar stond hij hoe dan ook alleen. Er woonde ook een Duitser in de getroffen flat, maar die losse individuen vielen allemaal buiten de boot omdat er geen organisatie voor hen was. Wat meneer Mohammed niet begrijpt, is dat Nederlanders, omdat ze hier geboren zijn, een breder netwerk hebben, dat ook terstond in actie komt. Nederlanders weten de weg, die hoeven niet te worden gepamperd.’

Niettemin houdt Moor stadsdeel Zuidoost verantwoordelijk voor de klacht van de Egyptenaar: ‘Het stadsdeel had de opvang nooit langs etnische scheidslijnen mogen organiseren. Dat en de “pamper-cultuur” maakte dat allochtonen juist van de wal in de sloot werden geholpen. Etnische zelforganisaties werden een overbodige tussenlaag. Ze kochten direct laptops, faxen en draagbare telefoons en declareerden die bij het stadsdeel; ze verrijkten zichzelf aan de ellende van anderen.’ Tot Moors diepe teleurstelling greep niemand van het coördinatieteam in: ‘Het is een schadelijk misverstand dat opvang van rampslachtoffers het beste kan gebeuren door zaakwaarnemers met dezelfde cultuur. Het heeft slechts geleid tot cliëntelisme.’

Kwakoe neemt de creolen en Ghanezen al snel mee naar het eigen gebouw bij de flat Frissenstein. Echter, als blijkt dat de organisaties hun hoge declaraties bij lange na niet vergoed krijgen, gooit Kwakoe het bijltje er bij neer en stuurt de slachtoffers zonder pardon terug naar het Bijlmer Sportcentrum. Karin Moor vindt dat het stadsdeel een stokje had moeten steken voor dit gesol met mensen: ‘De opvang van mensen na een ramp is een publieke taak. De neiging in etnische hokjes te denken is een ernstige weeffout in Zuidoost.’ Ze hoopt dat de parlementaire enquêtecommissie oud-deelraadsvoorzitter Ronald Janssen (PvdA) hierover stevig aan de tand zal voelen.

Daarnaast verwijt ze Janssen dat hij de bevolking jarenlang heeft wijsgemaakt dat er niets aan de hand was met de lading en het verarmd uranium: ‘Hij hing het regeringsstandpunt aan, dat nu onder vuur ligt. Van een lokaal bestuurder mag je verwachten dat hij kritischer is.’ Op de dag dat Van Thijn de namen van de overledenen zal bekendmaken, worden er extra bedden en dranghekken geplaatst in de sporthal. Daardoor wordt de spanning volgens Moor tot ontoelaatbare hoogten opgevoerd. De aankondiging wordt telkens uitgesteld. Om half zes is het eindelijk zo ver. ‘Inmiddels was iedereen over de rooie’, vertelt Moor. Na de bekendmaking ontvangen allen een nauwelijks leesbare kopie van de dodenlijst.

IN FLAT GERENSTEIN is de onder de BZO ressorterende EG-buurtvereniging gehuisvest. De coördinatrice, haar verloofde, een vriendin en een banenpooler van het buurthuis doen aldaar een poging om slachtoffers zonder verblijfsvergunning op te vangen. Ze vermoeden met recht dat niet alle illegalen het aandurven om zich open en bloot bij het Bijlmer Sportcentrum te vervoegen. Moor treft in Gerenstein ruim dertig personen aan, die dag en nacht opeengepakt zitten in een veel te kleine ruimte. Er is geen wasgelegenheid; de illegalen slapen op geleende matrassen. Het Leger des Heils brengt maaltijden.

Medische zorg voor gewonden en geestelijk getraumatiseerden wordt geboden door de betrokkenen te begeleiden naar de Witte Jas, een eerste-hulppost voor onverzekerde stadsbewoners in het centrum van Amsterdam - op flinke afstand van de Bijlmer. ‘Die vier mensen van de buurtvereniging waren zó doorgedraaid dat ze op de stoel van het maatschappelijk werk, de psycholoog én de advocaat gingen zitten’, vertelt Moor. ‘Pure zelfoverschatting.’ Het viertal in Gerenstein houdt dossiers bij van de aanwezige illegalen. Moor: ‘Ze beloofden hun dat zij een verblijfsvergunning voor hen zouden regelen. Daarmee gingen ze volstrekt buiten hun boekje. Bovendien maakten ze die mensen afhankelijk van hun hulp.’

Moor constateert dat de vriendin van de coördinator de leiding ter plaatse naar zich toe heeft getrokken. In de vierde week wordt de situatie onhoudbaar. Karin Moor spreekt haar collega aan op haar verantwoordelijkheid: ‘Laat dit over aan degenen die hiervoor zijn opgeleid, de mensen hier moeten dringend naar een betere plek. Dit is onmenselijk.’ Niet haar collega maar de ‘leidinggevende’ vrijwilligster geeft woedend antwoord en slaat Karin Moor over een bureau. Op dat ogenblik komt een Ghanese man het kantoor binnen die zijn dossier opeist; hij wil naar een echte advocaat. De man probeert het dossier uit de handen van de vrijwilligster te trekken, wordt van achteren vastgehouden door de banenpooler, rukt zich los, de zeer omvangrijke vrijwilligster bespringt hem en gaat boven op hem zitten. Karin Moor rapporteert de geschiedenis aan het sectorhoofd van de BZO, maar die geeft te kennen dat hij ‘er niets mee kan’. Intussen is in Gerenstein schurft uitgebroken.

De GG&GD doekt de illegalenopvang op. Moor: ‘Ik verwijt mijn werkgever, en uiteindelijk het stadsdeelbestuur, dat BZO-personeel geen enkele nazorg heeft gekregen. De BZO zat niet in het officiële hulpcircuit, maar medewerkers hebben wel degelijk een rol gespeeld in de opvang.’ OOK OUD-burgemeester Van Thijn is volgens Karin Moor buiten zijn boekje gegaan toen hij de illegalen uit de rampflats een generaal pardon beloofde: ‘Ondoordacht en onverantwoordelijk. Die maandagmorgen stonden er achthonderd mensen in de rij voor het Bevolkingsregister. De opvang na de ramp, met inbegrip van de bejegening van illegalen, moet indringend aan de orde komen in het verhoor door de parlementaire enquêtecommissie.’