Idfa: ‘The Eyes of Orson Welles’

De opwaartse blik

The Eyes of Orson Welles, regie Mark Cousins © Idfa

De Britse filmcriticus Mark Cousins, ook wel bekend vanwege zijn zware Ierse accent en melodieuze vertelstem, en van zijn mooie documentaireserie The Story of Film (2011), stort zich in The Eyes of Orson Welles op het leven en werk van een van de grootste regisseurs ooit. Het resultaat is verrassend. Cousins focust op de vele schetsen en schilderijen die Welles gedurende zijn leven maakte. Hierin zoekt hij het geheim van Welles’ specifieke manier van kijken, de basis van al zijn films, van Citizen Kane (1941) tot The Other Side of the Wind, de film die Welles in de jaren zeventig een paar jaar voor zijn dood maakte en die binnenkort alsnog een release krijgt via Netflix.

Welles was een dwangmatige tekenaar. Waar hij ook kwam, hij maakte van alles en iedereen schetsen. In Chicago, waar hij aan de kunstacademie studeerde, raakte hij in de ban van lijnen en van de ‘opwaartse blik’. Cousins toont aan hoe beide terugkeren in zijn beroemde visuele stijl. Met speciale lenzen fotografeerde Welles scènes vanaf een laag perspectief, waarbij voor- en achtergrond scherpgesteld zijn. Zo beeldde hij macht uit, bijvoorbeeld de opkomst van mediamagnaat Charles Foster Kane, maar ook de perversiteit van macht, zoals in zijn Kafka-verfilming The Trial (1962). Dat is belangrijk, zegt Cousins. Welles had specifieke ideeën over egalitarisme en burgerschap die hij aangedragen kreeg door zijn moeder Beatrice en die zijn kunstenaarschap bepaalden. Hij trok vervolgens de wijde wereld in waar hij in Ierland, Marokko en Spanje in contact kwam met ‘gewone mensen’.

De film wordt verteld in de vorm van een brief die Cousins aan Welles voorleest. Dit is charmant én inhoudelijk sterk. Aan het begin vertelt de criticus aan Orson hoe de wereld sinds zijn dood is veranderd: ‘Mensen hebben nu telefoons waarop ze films kijken. O Orson, wat jij wel niet met het internet zou hebben gedaan – het is net zwarte magie!’ Deze fijne, persoonlijke toon keert terug in Cousins’ lezing van Welles’ werk, niet alleen de films, maar alles, van de schetsen tot (gelukkig) ook het radio- en theaterwerk. Neem Welles’ beruchte voodoo-Macbeth. Wat een event! Stel je voor: in het New Yorkse Harlem zagen tienduizend mensen, de meesten zwart, Welles’ favoriete Shakespeare-stuk met een volledig zwarte cast, gesitueerd op een eiland in de Cariben. Dat was in 1938.

De kernvraag luidt: wat verstaan we onder ‘wellesiaans’? Cousins, fluisterend: ‘Hoe grafisch zijn je films wel niet, Orson.’ Vol verontrustende lijnen, vreemde hoeken en scherpe punten, zoals in Macbeth (1948) en Othello (1951). Of de ‘totalitaire lichtbundels’ in The Trial, afgekeken van de schijnwerpers gebruikt tijdens een nazi-partijvergadering. Macht fascineerde hem, maar zijn leven lang hunkerde hij, net als de megalomane Kane, naar een idyllische plek waar hij liefde kon vinden. Dat vond hij nooit, maar Cousins’ liefdesverklaring aan Welles maakt duidelijk dat we hem veel verschuldigd zijn: nog altijd kijken we door zijn ogen naar de wereld.


Mark Cousins, The Eyes Of Orson Welles