De orde van Baudet

Op de dag dat generaal Onno Eichelsheim van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst in detail de spionageactiviteiten van de Russen in Den Haag uit de doeken deed, twitterde Thierry Baudet, fractievoorzitter van Forum voor Democratie, over hoe China een kleine chip gebruikte om binnen te dringen bij Amerikaanse bedrijven. Geen woord over de Russische poging om te infiltreren bij de OPCW, de internationale Organisatie voor het Verbod op Chemische Wapens. Ook niet toen het VVD-Kamerlid Sven Koopmans hem daar, eveneens via Twitter, expliciet om vroeg.

Het was de tweede keer in drie dagen tijd dat de buitenwereld een kijkje kreeg in wat Baudet vindt van autoritaire regimes die ongeoorloofde middelen gebruiken om zich in eigen land te handhaven dan wel in het buitenland dood en verderf te zaaien of daar de binnenlandse politiek te beïnvloeden, zoals de Russen deden tijdens de presidentsverkiezingen in de Verenigde Staten. Eerder vorige week, tijdens het Kamerdebat over de Nederlandse steun aan de gewapende oppositie in Syrië, had Baudet keer op keer aan collega’s van andere fracties een keuze voorgelegd. Via de Kamervoorzitter vroeg hij hen wat ze liever hebben, ‘een Syrië geregeerd door Assad of een Syrië geregeerd door al-Qaeda of aan al-Qaeda gerelateerde groepen?’.

Waar hij zich over de Russische spionageactie in Den Haag niet uitliet, gaf Baudet op zijn eigen vraag, Assad of al-Qaeda, wel antwoord. Hij noemde Assad ‘de enige optie voor een enigszins geordend regime in Syrië’. Niet alleen zou Assad dat nu zijn, Baudet zei ook dat Assad dat ‘was’, waarmee hij nadrukkelijk verwees naar het verleden. Oftewel naar de jaren voordat het Westen zich in de burgeroorlog in Syrië mengde.

In het antwoord op zijn eigen vraag schuilt de reden voor Baudets stilzwijgen over de Russische poging het OPCW te hacken. Rusland steunt al jarenlang het regime van de Syrische president Bashar al-Assad. Volgens de Nederlandse MIVD probeerden de vier Russische spionnen vanuit hun gehuurde auto vorige week de OPCW onder meer te hacken omdat deze onderzoek doet naar de gifgasaanval van het Syrische leger op de Syrische stad Douma. Daarbij vielen afgelopen voorjaar tientallen doden.

Baudet zegt met zijn kritische opstelling te willen bereiken dat Nederland, en de internationale gemeenschap, nadenkt over de gevolgen van ingrijpen in conflicten in andere landen, rechtstreeks of via steun aan lokale groeperingen. Gezien de recente geschiedenis in onder meer Afghanistan, Irak, Libië, Egypte en Syrië is dat terecht. In de Tweede Kamer wordt over het verlenen van dat soort steun ook verschillend gedacht. Maar Baudet verbindt aan zijn vraag direct de keuze voor de orde van Assad, waarmee hij voorbij gaat aan de gruwelijke daden van diens regime tegenover de eigen bevolking. Sterker, als Baudet wordt geconfronteerd met het aantal doden als gevolg van de daden van Assad zegt hij dat je over die cijfers verschillend kunt denken. Het is het moderne verweer van iemand die wordt geconfronteerd met hem onwelgevallige feiten: je doet deze tegenwoordig af als ook maar een mening.

Baudet ‘flirt’ al langer met Rusland, zoals CDA-fractievoorzitter Sybrand van Haersma Buma dat een keer noemde. In 2017 werd hij door The New York Times ervan beschuldigd een doorgeefluik te zijn van Russische propaganda. Zijn reactie daarop was toen dat hij in het debat over het Associatieverdrag tussen de Europese Unie en Oekraïne alleen balans in de discussie had willen brengen. Die balans moest wat hem betrof niet overhellen naar de EU, maar blijkbaar naar Rusland. Niet geheel toevallig was Baudet dan ook een van de motoren achter het Oekraïne-referendum.

Een paar maanden geleden stelde de fractievoorzitter van Forum voor Democratie, opnieuw niet geheel verrassend, dat de door Rusland geannexeerde Krim nooit meer naar Oekraïne zou gaan. Wat Baudet betreft moet ‘het Rusland van nu een bondgenoot zijn’. Tweede-Kamerleden die vaker met Baudet debatteren verbazen zich al niet meer over deze voorliefde voor autoritaire regimes en het gedweep met Rusland. Maar voor wie Baudet vooral associeert met het referendum komt die voorliefde mogelijk vreemd over. Baudets Oekraïne-referendum lijkt echter meer een middel geweest dat geheiligd werd door het doel – het dwarsbomen van de Europese Unie – dan een oprechte liefde voor de stem van het volk.

Bij de Algemene Politieke Beschouwingen van vorige maand stak Baudet zijn dedain voor de Tweede Kamer en het debat in het parlement niet onder stoelen of banken. Hij had het over een schijndebat, de schijn van representatie, de schijn van democratie. ‘Het is zo nep! Het is zo onecht!’ Hij zei het vaak beneden zijn waardigheid te vinden daaraan mee te moeten doen.

Zo komt er meer en meer zicht op de orde van Baudet. In die orde mag de sterke man hard ingrijpen tegenover zijn eigen volk, desnoods met geweld. Het buitenland mag zich dan geen zorgen maken over het schenden van de mensenrechten en de doden, gewonden en ontheemden die dat mogelijk tot gevolg heeft. Het referendum is in zijn orde het middel om het wegen van verschillende belangen uit de weg te gaan en de macht te geven aan een meerderheid. En als dat zo uitkomt bedient de sterke man zich in de orde van Baudet van nepnieuws, ontkent hij feiten en beïnvloedt hij verkiezingen in het buitenland. Zelf vindt hij dat zijn partij er klaar voor is om de macht over te nemen.