De oriënt bestaat niet

In zijn hoofdwerk ‘Oriëntalisme’ uit 1978 wijst de Amerikaans-Palestijnse intellectueel Edward Said op de clichébeelden over het Oosten in de westerse literatuur en wetenschap. Clichébeelden die hij ook terugvindt in de debatten over de Palestijnse kwestie. Een beschouwing over Saids grondgedachten.

IN EEN WERELD die steeds complexer wordt, trekken academici zich massaal terug in de ivoren torens van het specialisme. Een literatuurwetenschapper besteedt al zijn tijd aan een grondige tekstanalyse van de romans van Joseph Conrad, een arabist bestudeert de Arabische grammatica, een politicoloog analyseert conflicten in het Midden-Oosten en een musicoloog schrijft een biografie van Glenn Gould. De afgelopen vijfendertig jaar heeft de Amerikaans-Palestijnse intellectueel Edward Said faam gemaakt door zich niets aan te trekken van deze specialisatiedrift. Hoewel aangesteld als literatuurwetenschapper aan de Columbia Universiteit in de Verenigde Staten, overschreed Said roekeloos de disciplinaire grenzen die hij daar en elders aantrof. Said is, zoals hij zelf vele malen benadrukte, een ‘amateur’ die, zonder zichzelf te verontschuldigen, schrijft en spreekt over zulke uiteenlopende onderwerpen als muziek, literatuur, politiek, cultuur, sport, geschiedenis en geografie. Alleen de amateur, zegt Said, kan zich onttrekken aan de 'opgewonden monologen in nauwe wandelgangen’. Toch ontleent Said zijn faam vooral aan zijn meest gespecialiseerde monografie Orientalism, uit 1978. Het boek wekte een storm van reacties op die Said noch zijn uitgever had verwacht. Said had aanvankelijk zelfs moeite om een uitgever warm te krijgen voor het publiceren van het manuscript, waaraan hij enkele jaren had gewerkt. Orientalism was een uitvloeisel van Saids studie van de werken van Joseph Conrad, de negentiende-eeuwse Pools-Engelse schrijver die vooral beroemd werd door zijn werk Heart of Darkness (1902). Al in 1966 schreef Said over Conrads opmerkelijke bewustzijn van het imperialistische proces dat langzaam maar zeker de wereld tussen de grote mogendheden opdeelde. 'Het veroveren van de aarde, wat meestal betekent dat ze wordt afgepakt van mensen met een andere huidskleur of met iets plattere neuzen dan wij, is geen fraaie aangelegenheid wanneer je het van al te dichtbij bekijkt’, schreef Conrad. 'Wat het rechtvaardigt, is enkel en alleen het imperialisme als idee.’ De vraag hoe dit idee tot stand kwam en zo evident leek dat zelfs Conrad naliet de noodzakelijkheid van het imperialisme te verwerpen, bracht Said tot een uitgebreide studie van het oriëntalisme, de Europese visie op het Oosten waarmee de Europese kolonisatie van de islamitische wereld werd gelegitimeerd.
NA EEN UITVOERIGE en vaak kleurrijke behandeling van westerse voorstellingen van de Oriënt zoals die te vinden zijn in Europese romans, reisverhalen, politieke traktaten en studies, formuleert Said enkele gemeenschappelijke kenmerken in die Europese voorstellingen van de Oriënt. Volgens Said benadrukte het oriëntalisme dat de Oriënt fundamenteel anders is dan het Westen door zijn 'excentrieke kenmerken, zijn achterlijkheid, zijn zwijgzame onverschilligheid, zijn vrouwelijke ondoordringbaarheid, en zijn lethargische plooibaarheid’. Dit paradigma bracht talrijke clichés voort, die volgens Said zelfs vandaag de dag nog een glansrijke carrière doormaken. Said noemt bijvoorbeeld de neiging van oriëntalisten om ieder hedendaags verschijnsel in de Oriënt te verklaren aan de hand van de 'primitieve’ en eeuwenoude islamitische teksten. 'Hierdoor’, vervolgt Said, 'zag vrijwel iedere negentiende-eeuwse auteur, of het nu een politiek schrijver was zoals Marx of een romanschrijver als Flaubert, “de Oriënt” als een plaats die westerse aandacht, herstructurering en zelfs verlossing vereiste.’ Het hele proces van het kennen of het voorstellen van de Oriënt speelde zich bovendien af zonder dat het Oriëntaalse studie-object hier enige inspraak in had. Said citeert hier uit Marx’ beroemde Der achtzehnte Brumaire des Louis Bonaparte (1869): 'Zij kunnen zichzelf niet vertegenwoordigen, zij dienen vertegenwoordigd te worden.’
De relaties tussen kennis en macht die door het oriëntalisme werden vastgelegd, reiken met andere woorden verder dan het in een verkeerd daglicht stellen van de Oriënt. 'Een denksysteem dat als onderwezen kennis (aan universiteiten, hogescholen en beleidsinstituten, in boeken en op congressen) tot op heden vrijwel onveranderd is gebleven sinds de Franse oriëntalist Renan (1823-1892), moet meer behelzen dan slechts een verzameling leugens.’ Said beschouwt de westerse academici die zich aan het einde van de negentiende eeuw en in de twintigste eeuw met de Oriënt bezighielden, onder wie ook de befaamde Nederlandse islamoloog C. Snouck Hurgronje (1857-1936), als directe erfgenamen van de 'algemene waarheden’ en onderzoeksmethoden die het vroegere oriëntalisme speciaal voor de Oriënt had geformuleerd. Een belangrijk verschil was echter dat het idee van de Oriënt nu niet langer een bepaalde regio en cultuur in den vreemde betrof die voornamelijk filologische interesse opwekte. Van de moderne oriëntalist werd nu verlangd dat hij de Oriënt afschilderde als een 'koloniale ruimte’ die door westers beleid naar believen kon worden ingenomen om 'onze’ waarden en beschaving te doen gelden.
Vooral tijdens het interbellum, toen de strijd tussen de koloniale mogendheden over het opdelen van het oriëntaalse grondgebied oplaaide en in de Oriënt de roep om zelfbeschikking luider klonk, werden de relaties tussen de oriëntalist en de instituties van het imperialisme steeds hechter. Said ziet deze verstrengeling als een van de redenen waarom het oriëntalisme als academische discipline nooit zijn eigen premissen en obscure onderzoeksmethoden aan zelfkritiek heeft onderworpen. Hierdoor, zo stelt Said provocerend, hanteert een hedendaagse Britse oriëntalist als Bernard Lewis nog steeds hetzelfde begrippenkader als in de negentiende eeuw opgang maakte.
Dit begrippenkader hangt samen met de bovengenoemde Europese voorstellingen van de Oriënt en wordt volgens Said gekenmerkt door vier dogma’s: de gedachte van een fundamenteel verschil tussen het 'rationele’ en superieure Westen en een 'achterlijke Oriënt’; de opvatting dat alles wat zich binnen de 'islamitische’ wereld afspeelt verklaarbaar is aan de hand van de islamitische godsdienst, waarvan de onveranderlijke essentie vrijwel zonder uitzondering door middel van haar klassieke teksten wordt voorgesteld; de systematische afspiegeling van de Oriënt als een homogene entiteit die niet in staat is zichzelf te ontwikkelen en om die reden per definitie van buitenaf moet worden veranderd; en uiteindelijk het dogma dat de Oriënt gevreesd dient te worden en door middel van onderzoek, pacificatie of zelfs bezetting onder controle moet worden gehouden. Dat zulke harde conclusies niet alleen relevant zijn voor het oriëntalisme zelf, maar ook bijdragen aan een bredere cultuurkritiek, blijkt uit Saids sneer naar de westerse zelfingenomenheid: 'Dit alles vindt plaats in een vermeende liberale cultuur die prat gaat op haar normen afkomstig uit het christendom, haar pluralisme en haar ruimdenkendheid.’
Terwijl Said in Orientalism voornamelijk inging op de negentiende-eeuwse wortels van het oriëntalisme, breidde hij drie jaar later zijn argumenten uit met een analyse en kritiek van meer hedendaagse opvattingen over de islam, zoals die verspreid worden door 'experts’. In Covering Islam (1981) zet Said uiteen hoe na de oliecrisis van 1973, de 'islamitische’ revolutie in Iran in 1979 en de opkomst van islamitische bewegingen voornamelijk in het Midden-Oosten, het monolithische begrip 'islam’ in de Amerikaanse media een bliksemcarrière doormaakte. In een geëmotioneerd pleidooi beschrijft Said hoe de berichtgeving over alles wat met de islam heeft te maken iedere vorm van objectiviteit ontbeert. Stereotypen, generaliseringen en verzinsels vormen in de beeldvorming door de media en de 'experts’ de regel. Maar de media veroorloven zich niet alleen onjuistheden zodra de islam wordt beschreven; journalisten en 'experts’ blijken veelal niet terug te deinzen voor 'ongebreideld etnocentrisme, culturele haat en racisme’.
Said geeft in Orientalism toe dat beeldvorming van een andere cultuur onontkoombaar is zodra wetenschappers, journalisten en romanschrijvers zich buiten de grenzen van hun eigen cultuur begeven. De waarheid ligt dan ook niet simpelweg voor het oprapen en het kan zelfs betwijfeld worden of de werkelijkheid van een cultuur, waaronder die van de Oriënt, sowieso kan worden getraceerd. Said zet echter wel vraagtekens bij de methoden en de exclusiviteit waarmee zo'n beeldvorming tot stand komt en verspreid wordt. In Covering Islam geeft Said enkele suggesties om de methoden van beeldvorming te verbeteren door bijvoorbeeld te erkennen dat er verschillende islams bestaan, die met elkaar in tegenspraak zijn. Ze worden door moslims op verscheidene plaatsen en in veranderende historische omstandigheden anders geformuleerd en beleefd. Veelzeggend is dat zo'n invalshoek voor de bestudering van de eigen Europese cultuur natuurlijk allang is geaccepteerd.
DE EXCLUSIVITEIT van de beeldvorming, in die zin dat de expert, of meer algemeen de dominante zienswijze, het alleenrecht opeist om een cultuur weer te geven, baart Said echter nog meer zorgen. Het is in deze context dat Saids The Question of Palestine (1979) kan worden begrepen. Zich doelbewust richtend op een breed publiek, stelt Said in de inleiding van dit boek dat hij een 'min of meer representatieve beschrijving’ wil geven van de Palestijnse positie, 'iets dat niet erg gangbaar is en zeker niet bijzonder wordt gewaardeerd, zelfs nu er zoveel te doen is over de Palestijnen en het Palestijnse probleem’. Wat Said in feite doet is het uitoefenen van wat hij later in The Politics of Dispossession (1994) 'het recht op een eigen verhaal’ noemt. Het boek kan dan ook gelezen worden als een Palestijnse visie op het Palestijns-Israelische conflict, de Palestijnse nationale identiteit en de Palestijnse geschiedenis. Said verweeft zijn benadering van het oriëntalisme met een analyse van de manier waarop in het Westen de Palestijnen eenzijdig worden geportretteerd als vluchtelingen, extremisten of als terroristen. Said verklaart het succes van het zionisme - en de rampspoed voor de Palestijnen - grotendeels aan de hand van de manier waarop de zionisten zich het oriëntalistische gedachtegoed eigen maakten. Ze gebruikten het om zich van de steun van het Westen te verzekeren en om de juistheid van hun weergave van de Palestijnse opstelling te claimen.
Door een stroom van artikelen in de media over de Palestijnse kwestie, door talrijke televisieoptredens, waaronder de BBC-documentaire In Search of Palestine (1998), werd Said in het Westen bij een breder publiek bekend als een van de meest prominente voorstanders van de Palestijnse zaak. Tussen 1977 en 1991 zetelde Said zelfs in de Palestijnse Nationale Raad, het Palestijnse equivalent van een nationaal parlement, terwijl hij in 1988 een rol speelde in de indirecte onderhandelingen tussen de PLO en de toenmalige Amerikaanse minister voor Buitenlandse Zaken George Schultz. Said zag overigens wel degelijk de ironie in van zijn positie als universalistische intellectueel en criticus van nationalistische ijver die zelf actief betrokken raakt bij een nationalistische strijd. Om kritische afstand te bewaren heeft Said zich dan ook nooit aangesloten bij een Palestijnse factie of partij. Tegelijkertijd onderstreepte hij dat het Palestijnse lot voortgebracht is door een negentiende-eeuwse nationale ideologie en de obsessie voor het systeem van soevereine staten in de twintigste eeuw. Door deze opstelling benadrukte Said de koloniale essentie van het conflict tussen Israel en de Palestijnen. Het is voor hem noodzakelijk dat dit conflict opgelost wordt door middel van vreedzame onderhandelingen, maar alleen op basis van een wederzijdse erkenning van elkaars identiteit en geschiedenis.
Met dit uitgangspunt werd Said aan het eind van de jaren zeventig en in de jaren tachtig een van de eerste intellectuelen die een tweestatenoplossing voorstelde. Maar toen de PLO in 1993 met Israel een politiek akkoord tekende, had Said al gebroken met het Palestijnse leiderschap, waarin hij 'corrupte praktijken’ en 'opportunistische handelwijzen’ onderkende. Hij werd een fervent criticus van de Oslo-akkoorden ('het Palestijnse Versailles’) en hun ondertekenaars ('Palestijns Vichy’). In twee bundels artikelen, The Politics of Dispossession (1994) en vooral Peace and Its Discontents (1995), zette Said uiteen dat Oslo niet alleen het Palestijnse lijden en de bezetting heeft bevestigd maar ook tot de 'Bantustanisering’ (regionale opsplitsing) van het Palestijnse gebied en volk heeft geleid. Een tweestaten-oplossing is in zulke drastisch veranderde omstandigheden geen optie meer. Said ontwikkelde zich derhalve tot voorstander van één multiculturele staat, seculier en democratisch, gebaseerd op gelijkheid van burgers, precies op het moment dat zijn voormalige critici zich in de tegenovergestelde richting (twee staten) bewogen.
SAID KAN ZONDER twijfel worden beschouwd als een van de meest besproken - en controversiële - denkers van het einde van de twintigste eeuw. De invloed van zijn omvangrijke œuvre en publieke optredens op zowel verschillende academische disciplines als de internationale media is vrijwel ongeëvenaard. Voor velen in de 'derde wereld’ werd vooral Orientalism een belangrijk houvast in een veelal ongestructureerd debat over de nalatenschap van het imperialisme. Partha Chatterjee, een vooraanstaand sociaal-wetenschapper uit Calcutta, verwoordde wat hij en andere intellectuelen in de 'derde wereld’ voelden toen Orientalism verscheen: 'Voor mij, als kind van een succesvolle antikoloniale strijd, was dit een boek dat over zaken sprak die ik al langer wist maar waarvoor ik niet de woorden vond om ze zo duidelijk over te brengen.’
Maar er waren er ook die Orientalism, Covering Islam en zijn pleidooi voor Palestina volstrekt onverteerbaar vonden. Deels kan dit verklaard worden doordat zowel academici als journalisten, uit het Westen en de Arabische wereld, Saids werk lazen als in wezen antiwesters en als een onvoorwaardelijke en apologetische steun voor 'de islam’ of 'de Arabieren’. Said zou zich, met andere woorden, opstellen als een 'occidentalist’. Door deze misinterpretatie kreeg Said zelfs onverwachte medestanders. Zo citeerde Samuel Huntington hem in zijn geruchtmakende essay The Clash of Civilizations? (1993) om zijn argument over de wederzijdse exclusiviteit van culturen te ondersteunen. Said gaf in zijn nawoord van de heruitgave in 1995 van Orientalism te kennen dat hij zich in een dergelijke lezing van zijn werk niet kan vinden. Het was nooit zijn bedoeling om het oriëntalisme gelijk te stellen met de gehele westerse cultuur. Hij wilde juist aantonen dat er niet zoiets is als 'het wezen van de islam’ of van 'het Westen’ en dat zijn kritiek voornamelijk is gericht tegen het maken van dergelijke veronderstellingen.
Ook wijst Said het verwijt van de hand dat hij de excessen van het islamitisch fundamentalisme, of islamisme, goedpraat. Zijn grootste kritiek op het islamisme is immers dat hij het terugbrengen van de islam tot een pure of fundamentele vorm, zoals die eeuwen geleden oorspronkelijk zou zijn beleden, een anachronistische voorstelling vindt van een religie waaraan iedere dag opnieuw actief en op verschillende wijzen betekenis wordt gegeven door miljoenen gelovigen.
Saids weigering om zich eenzijdig op te stellen als apologeet van welke cultuur ook, heeft ook zijn positie binnen de islamitische en Arabische wereld bemoeilijkt. Zo heeft The Question of Palestine nog steeds geen Arabische uitgever gevonden die bereid is om de bijtende passages over autoritaire Arabische regimes te handhaven. Saids kritiek op de excessen van Yasser Arafat en het Palestijns Gezag leidde bovendien in augustus 1996 tot een verbod op twee van zijn meer recente boeken over Palestina door de Palestinian National Authority in de Gazastrook. Maar wat Said zich meer heeft aangetrokken, is dat naar zijn mening Orientalism en zijn andere werken tot weinig debat of zelfreflectie hebben geleid in Arabische academische instituten. De Arabische intelligentsia zou slechts volharden in een eenzijdig defensieve opstelling ten aanzien van het Westen. Zijn teleurstelling hierover uitte Said onder andere in een artikel in Vrij Nederland (1 oktober 1994), waarin hij schreef het te betreuren dat 'de Arabische receptie van Orientalism (…) nog altijd dat facet van mijn boek weet te negeren waarin ik de nationalistische ijver nuanceer’.
TEN SLOTTE HEBBEN sommigen Saids onverholen betrokkenheid bij het lot der Palestijnen opgevat als een vrijbrief om zijn integriteit in twijfel te trekken en zijn persoon te verketteren. Zo schrijft hij in het voorwoord van The Politics of Dispossession dat 'mijn familie en ikzelf onder doodsbedreigingen leefden; mijn kantoor werd vernield en geplunderd; ik moest beledigingen ondergaan aan het adres van mijn volk en aangaande mijn beweegredenen - ik was niet alleen “een professor van de terreur”, maar ook een antisemiet, medeplichtig aan moord, een leugenaar, een verwarde demagoog, enzovoorts’. Ook sommige vooraanstaande oriëntalisten hadden het op Saids persoon voorzien. Hun aanval was weliswaar louter verbaal, maar daarom niet minder agressief, en was bedoeld om Said als wetenschapper te excommuniceren. De Franse oriëntalist Maxime Rodinson, wiens werk Said in Orientalism nota bene prijst, was van mening dat Said 'geen pure Arabier’ is en dat zijn werk enkel en alleen is ontsproten uit een schuldgevoel over de vermeende desinteresse van Said in de Palestijnse zaak vóór 1967. De Britse oriëntalist Bernard Lewis, die er in Saids werk flink van langs krijgt, reageerde vijftien jaar na dato op Orientalism in een boek met de veelzeggend dualistische titel Islam and the West (1993). Said zou met ideologische prietpraat het keurig wetenschappelijke oriëntalisme 'bevuilen’ en 'vergiftigen’.
In Nederland vond Lewis een volgeling in Frits Bolkestein. De toenmalige liberale leider veegde in NRC Handelsblad (26 november 1994) zonder noemswaardige argumentatie de vloer aan met Saids gehele 'onwetenschappelijke’ oeuvre. Ook meende Bolkestein meer te weten over Saids gemoedstoestand: Said zou 'materieel in de Verenigde Staten leven’ en 'emotioneel in het Midden-Oosten’, en 'voornamelijk verward’ zijn. Men kan Said overigens verwijten door de nadruk op zijn betrokkenheid zelf dergelijke kritiek te hebben uitgelokt. Het debat concentreerde zich daardoor op zijn persoon in plaats van op zijn werk. Maar dit pleit zijn meest fervente tegenstanders uiteraard niet vrij van het voeren van een agressieve haatcampagne, die zelfs leidde tot het geheel nietig verklaren van Saids persoon en identiteit.
Afgelopen augustus publiceerde Justus Weiner, een Israelische auteur, een artikel in het Amerikaanse tijdschrift Commentary, waar ook Lewis regelmatig voor schrijft. Daarin beschuldigt hij Said ervan over zijn jeugd gelogen te hebben. Volgens Weiner zou Said bijvoorbeeld helemaal niet in Jeruzalem zijn geboren, maar in Caïro en zou hij nooit in 1947 Palestina hebben verlaten vanwege het geweld dat voorafging aan de stichting van de staat Israel, beschuldigingen die Said vervolgens resoluut van de hand wees in het Arabische dagblad Al-Hayat en het Britse weekblad The Observer. Het is overigens geen toeval dat zulke argumenten bijzonder veel lijken op Israels officiële geschiedschrijving, waarin het bestaan van een Palestijns volk systematisch wordt ontkend.