Media

De oude Heraclites

Afgelopen week werd in Leuven opnieuw ‘Het etmaal van de communicatiewetenschap’ gehouden. Een paar honderd, veelal jonge, wetenschappers kwamen bijeen in 36 ‘parallelsessies’, bijeenkomsten waarin drie tot vijf personen de resultaten van hun onderzoek presenteerden. Al met al dus zo'n 150 papers c.q. presentaties over diverse onderwerpen.

‘Praten over alcoholconsumptie’ luidde de titel van de eerste presentatie. Ondertitel: 'Gezondheidsboodschappen, gesprekstoon en alcohol consumptie intenties’. De titel van de laatste presentatie luidde: 'Lijdt onderzoek naar internetrisico’s bij 9-16 jarigen aan over- of onderrapportering’. Op één punt zijn deze twee uitzonderlijk: de meesten gebruiken Engelse titels voor hun verhaal. Verder zijn onderwerpkeuze en toon wel ongeveer kenmerkend. 'Mood as a mode of news framing effects’. 'Media Multitasking across age groups. A diary study’. 'Going online with poli-tics. Does it have an effect?’
Eerlijk gezegd waan ik me op zo'n congres als een kip in een onweersstorm. Ik pik hier en daar een graantje mee maar kijk toch vooral geamuseerd en verward naar het sociale en intellectuele spel. Ondertussen doe ik wanhopige pogingen in de veelheid lijnen te ontdekken. Dat is niet eenvoudig en misschien ook wel onmogelijk - communicatie beslaat immers alles wat er is en in alles zit geen lijn. Toch vallen een paar zaken op. Twee noemde ik er al: de eerste is dat de gemiddelde leeftijd van de congresgangers laag is. Net boven de dertig, schat ik. Vermoedelijk zegt dat minder dan het lijkt, want het is niet zo dat (communicatie)wetenschap vooral door jongeren beoefend wordt. Wel zou je kunnen vermoeden dat veel onderzoek door jongeren uitgevoerd wordt. Dit verklaart ook het derde (het tweede is de Engelse voertaal) dat opvalt: dat de papers zelden door één persoon ondertekend zijn.
In bijna alle gevallen wordt het onderzoek verricht met één of twee leeftijdgenoten/promovendi en begeleid door een wetenschappelijk medewerker of hoogleraar. Aldus de academische praktijk. Hoewel ik niet zou weten wat daarop tegen is (behalve dan dat de intelligentie van individuen binnen een groep wellicht afneemt, zie de uitkomst van een recent onderzoek van de Universiteit van Virginia: http://goo.gl/8O3i8), heeft het vermoedelijk toch nadelen. Laat ik er twee noemen. Het ene is dat de onderzoeken veelal eenzelfde patroon volgen. De wetenschapper begint met een constatering, suggestie of benoeming. Bijvoorbeeld dat er wellicht een (geliefd woord) 'correlatie’ bestaat tussen de berichtgeving over of vertoning van geweld in de media en daadwerkelijk geweld. Vervolgens wordt vermeld wat hierover (onvermijdelijke frase) 'in de literatuur’ te vinden is. Dan wordt er (noodzakelijke stap) een hypothese opgesteld die natuurlijk wordt getoetst, van een conclusie voorzien en zonder uitzondering aanleiding blijkt te zijn voor verder onderzoek. Wetenschappelijk onderzoek als invuloefening & perpetuum mobile, zou je met enige kwade wil kunnen zeggen.
Dan het tweede wat opvalt: die toetsing. In de meerderheid van de onderzoeken gebeurt dat door te tellen. Weten is meten. Maar aangezien tellen over het algemeen buitengewoon moeilijk is, kun je haast niet anders dan een representatieve steekproef houden. Helaas is zo'n steekproef meestal te duur en dus wordt er gebruik gemaakt van een proefopstelling. Omdat zo'n opstelling ook veel geld kost, neemt men zijn toevlucht tot degenen die het meest nabij en goedkoopst zijn: studenten. Hun reacties, vertaald in cijfers, zouden betrouwbare informatie verschaffen over het onderzochte onderwerp. Hoewel ik niet beweer dat dit onjuist is, valt een gevoel van ongemak niet te onderdrukken. Dit om te beginnen omdat cijfers slechts cijfers zijn, een van de vele manieren om de werkelijkheid in kaart te brengen. En verder omdat studenten uiteindelijk studenten zijn. Tegenwoordig zijn ze wellicht kenmerkender voor de totale populatie dan vroeger, maar representatief? Ik betwijfel het.
Het zal niet verbazen dat opmerkelijk veel onderzoek in de huidige communicatiewetenschap over de effecten van internet, sociale media en andere vernieuwingen gaat. Daarbij bestaat de neiging vooral dat laatste te beklemtonen: de vernieuwing. Het is een bekend fenomeen. In de tijd van de beginnende boekdrukkunst was alom te horen hoe de wereld hierdoor zou veranderen, hetzelfde gebeurde met de eerste kranten, bij de fotografie, radio, tv. Toch blijkt die vernieuwing bij nader inzien betrekkelijk. Het is niet zozeer dat het oude verdwijnt als wel dat het nieuwe erbij komt en de werkelijkheid, in dit geval die van de communicatie, complexer, sneller, rijker en grootser maakt.
Dat is echter niet wat de tijdgenoot ervaart. Hij ervaart de omkeer. Vervolgens constateert de historicus keer op keer dat het zo'n vaart niet gelopen is. Kortom, de oude Heraclites had gelijk en ongelijk. Alles stroomt inderdaad, maar alles blijft ook. In de (communicatie)wetenschap zou dit laatste wat mij betreft wel wat minder mogen.