De oude mens

Nee, aan het echte bedelen was hij nog niet toe. Dan moest je ongeschoren op straat tegen een muur gaan zitten met een bordje: ‘Honger!’ tegen je knieen, liefst nog een zielige hond naast je. Waar haalde hij zo gauw een hond vandaan? - Een kerstverhaal
(ANDANTE) Een week ligt tussen Kerstmis en nieuwjaar. Toen Provenier uit de nachtmis in de San Michele kwam, was het al maandag, feestdag of niet de wreedste ochtend van de week. Wanneer de week opnieuw begon, zou ook het jaar in tijd verspringen.

Hij had gedacht: ben ik de donkere dagen voor Kerstmis eenmaal door, dan gaat het verder wel. De maan zal wassen om de duisternis een waas van zilver terug te geven over het land: velden, heuvels, met hier en daar een rij cypressen voor een villa. Hij moest opnieuw contact krijgen met de natuur en niet meer bang zijn voor het langzame proces van achteruitgang en verval. Dit was een tijd van hoop: vanaf de kaarsen in de kerk die nu was leeggestroomd, de belichting van de torens en de muren van de stad, tot aan de opgetuigde bomen voor de huizen verderop - de boodschap was bekend.
Maar goede wil alleen was niet genoeg, daaraan had het hem toch nooit ontbroken. Hij was niet meer van goede wil, en kwade kon hij ook niet opbrengen: zijn wilskracht was gebroken. Heel goed herinnerde hij zich het motto van Poe dat slechts het falen van de wil de mensen zich doet overgeven aan de dood. Edgar Allan had er niet bij gezegd dat het nog wel even kon duren, omdat het leven niet vanzelf week. Het lichaam bood verzet. Blootgesteld aan de elementen werd je hard en tanig: met onverschilligheid voor wat het lot zou brengen kwam je nog ver.
Een week, nog zeven dagen om te gaan: de tijd om goede voornemens te maken, meer dan genoeg om de rekening op te maken en een eenvoudige balans te sluiten. Nog vijftigduizend lire.
Zo kwam hij toch nog rond: oud ideaal om op zijn sterfbed het laatste centje uit te geven. Of zelfs dat niet, want een muntje moest je nog bewaren, onder de tong, voor de overtocht. De waarheid was dat Provenier, die geen andere idealen meer bezat, doodsbang was al eerder aan de bedelstaf te raken.
Er werd volop gebedeld in de kleine stad, en niet alleen door zigeuners. In de kersttijd kwam de Napolitaan naar het noorden, zijn kleine handorgel voortduwend door de straten, een doodziek aapje op zijn schouder, maar bedelen was dat niet echt. Evenmin kon je dat zeggen van de vu compra-negers die allerlei waardeloze zaken voorzichtig op de straat uitstalden, om dan een eindje verderop achteloos tegen een muur te gaan hangen, alsof ze er eigenlijk niet bij hoorden. Die mensen hadden hun waardigheid behouden; in Somalie en de Ivoorkust, of waar ze nog meer geleefd hadden voor ze zich aan de indolentie van het zwarte continent wisten te onttrekken, hadden ze allemaal gestudeerd en ze waren op zijn minst van adel. Provenier had er wel eens eentje geholpen op het kantoor van de vreemdelingenpolitie, want de Italianen spraken geen woord dat niet tot hun zangerige taal behoorde. Aristocratisch Frans, monsieur, kwam vloeiend uit hun ondoorgrondelijke koppen! Dat zou hem weer te wachten staan, als hij de moed kon opbrengen om andermaal een nieuw jaar aan te gaan, in afwachting of zijn geluk zou keren. Geleende tijd, uitstel van executie. Ook hij had elk jaar zijn verblijfsvergunning moeten verlengen, Europeaan of niet, waarbij de grootste moeilijkheid altijd was geweest dat hij niet kon aantonen over een vaste bron van inkomsten te beschikken.
Provenier had zich in het probleem van de extra-communitari verdiept sinds hij bevriend was geraakt met de ambulante textielverkoper die betrapt was bij een inbraakpoging in de villa - iets wat hij zelf allang gedaan zou hebben als hij niet geweten had dat daar niets te halen was. Ook Si Mohammed, zoals de Marokkaan zich noemde, moest zijn poging zuiver pour le sport gedaan hebben, want Provenier was erachter gekomen dat zijn vriend met de huis-aan-huismethode gemakkelijk vier miljoen per maand kon halen, nog vele kledingstukken en andere geschenken cadeau kreeg, en altijd aan de tafel van zijn weldoeners kon aanschuiven. Die jongen leefde als een vorst in een enorme pastorie, met fresco’s aan de muren en het plafond, waar hij over alle gemakken kon beschikken die de clerus vergund waren: telefoon, televisie en in dit seizoen wildgebraad en taarten toe.
Om al deze voorzieningen had Provenier hem wel eens benijd: zulke dingen waren voor hem niet weggelegd. Zijn probleem was eerder dat hij bevriend was met de aartsrijke bezitters van de villa’s en dus zijn stand had op te houden. Het was ondenkbaar dat hij van het ene moment op het andere aanspraak zou kunnen maken op de charitas van zijn kennissen en soortgenoten. Noodgedwongen had hij zijn status altijd overdreven en een beeld van zichzelf opgehouden als schrijver van succes en faam - dat was de enige manier waarop hij door die mensen werd geaccepteerd, verdacht als ze het bleven vinden dat hij daar zo in zijn eentje bivakkeerde. Wat deed hij toch in die bouwval, waaraan niets werd opgeknapt? Dat je hard zou moeten werken om aan de kost te komen, konden ze zich helemaal niet voorstellen. En als ze dat wel konden, wilden ze met zo iemand niets te maken hebben.
Vanaf het moment dat hij het punt bereikt had dat hij de huur niet meer kon opbrengen en hij zijn oude auto in de aanbieding moest doen, was hij genegeerd. Pech, wisselingen van het lot en nette armoede waren besmettelijk, bepaald niet comme il faut. Aangezien Provenier er al te goed van doordrongen was hoe het hoorde, was het volstrekt ondenkbaar dat hij bij iemand van die lui zou aankloppen voor een lening. Hoezo, wilde hij een zwembad aanleggen?
Twee miljoen had zijn auto opgebracht, en dan waren ze nog schappelijk geweest, in de hoop dat hij spoedig een andere occasion zou kopen. Van dat geld had hij drie maanden weten rond te komen, door stil te blijven waar hij zat, en voor zijn boodschappen te voet naar de stad te gaan, een uur gaans. Maar langzamerhand was het kouder geworden, en het restant had hij moeten uitgeven aan brandhout. Met zuinig stoken en veel in bed liggen was zijn voorraadje toereikend tot het nieuwe jaar.
Andere zaken om te verkopen had hij niet; de muziekinstrumenten waren al lang de deur uit, bedacht hij nu met spijt, anders had hij naar een andere stad kunnen liften, Florence bijvoorbeeld, en daar op straat wat kunnen blazen, de geopende kist aan zijn voeten. Van zijn boeken had hij nog geen afstand gedaan; die zouden sowieso weinig opbrengen, en de tools of trade hield hij liever tot het einde bij de hand.
Nee, echt bedelen was nog iets anders: dan moest je ongeschoren op straat tegen een muur gaan zitten met een bordje: ‘Ho fame!’ tegen je knieen, liefst nog een zielige hond naast je. Waar haalde hij zo gauw een hond vandaan? Zijn trots zou hem nooit toestaan zichzelf zo te kijk te zetten in de stad. Tot zijn laatste dag zou hij zich blijven scheren, en ook in zijn overige verschijning probeerde hij een heer, geen filosoof, te zijn. Een baard gunde hij zichzelf pas aan gene zijde, als hij het licht had gezien. Laatst had hij nog een paar knopen aangezet en zijn schoenen gepoetst. Dat de dunne leren zolen daarvan door waren, merkte hij alleen zelf: de vochtige kou van de armoede trok via je enkels omhoog, om zich vervolgens door je hele lijf te verplaatsen.
Diezelfde trots had hem ook verboden zichzelf als tuinman of zwembadbewaker aan te bieden. En het gilde van de autoruitenwassers, dat in Kroatische handen lag, was te hecht georganiseerd om er binnen te dringen. Tot op het laatst had hij altijd duizend lire ter beschikking gehouden, op voorwaarde dat ze dan ook van zijn ruit en auto afbleven. Door zelf aan liefdadigheid te doen, hoe mondjesmaat ook, hield je het probleem enigszins op afstand en bevestigde je je eigen positie.
Langzaam was het plein voor de kerk leeggevallen. De mensen, vrouwen in bont, heren met hoed en slaperige kinderen, hadden zich na een laatste 'auguri!’ teruggetrokken achter de gesloten luiken. De stad werd weer aan zichzelf teruggegeven en leek zo meer dan ooit op een verlaten operadecor. Provenier hield ervan tussen deze coulissen te dralen in de nacht, alleen op het geluid van zijn eenzame voetstappen.
Waar bleven de bedelaars ’s nachts? Hij was als de dood om over de streep te gaan, maar tegelijk was hij hevig gefascineerd door het zwerversbestaan. Kranten in de veterloze schoenen, drie oude jassen over elkaar, een fles in een papieren zak, slapen onder een brug. Helaas had deze stad geen bruggen; de rivier liep buitenom. Maar als het dan moest gebeuren, liefst in een sprong. Niet dat langzame afglijden en geleidelijk afzakken, door alle rangen en standen heen naar beneden. Van dure whisky overstappen op goedkope, totdat je elk bocht dronk waar maar alcohol in zat; van een huis naar een flatje, en van huurkamer naar een opvangcentrum voor daklozen. Elk beetje van jezelf dat je op die manier moest prijsgeven, deed even pijn; die opgetelde pijnen wogen veel zwaarder dan de sprong waardoor je in een keer door de bodem viel. Trouwens, hij vond al lang dat hij op zijn bestaansminimum verkeerde. En daarbij was hij toch voor het geluk geboren? Wat hem kwelde was dat hij zich nog aan deze rand wilde vastklampen. Bij zijn verlies wist hij zich geenszins neer te leggen.
Ja, niets meer te willen, je laten gaan, niet meer te moeten of te hoeven - wanneer je eenmaal alle begeerten en eigendunk had afgelegd, dan kon je misschien vrede vinden, hier op aarde, onder de armen. Maar hij gaf zich nog niet over en nu verlangde hij naar zijn eenzame bed, en sloeg de weg in naar zijn huis in de heuvels.
(LENTO) De tussenliggende dagen, tot oudjaar, bleef Provenier zo veel mogelijk in bed. Dat spaarde brandstof, en ook het lichaam had minder voedsel nodig wanneer de verbranding op een laag pitje werd gehouden.
Hij kon echter niet slapen. De etmalen trokken aan hem voorbij zoals in de presepio van de San Paolino - een kerststalletje in een landschap waarover het, door middel van een vernuftige kunstlichtinstallatie, van donker licht werd en van licht weer donker. Een toestand van verveling en vervreemding hield hem aan dat bed gekluisterd, en vooral ook angst dat hij de greep op de dingen waaraan hij zich zo lang mogelijk had vastgeklampt, zou verliezen. Misschien werd hij wel ziek en zou hem het zaakje uit handen worden genomen, zonder dat hij zelf tot zo'n betreurenswaardige stap hoefde te komen.
Vroeg in de morgen was hij helder; de uren voor de avond vielen hem zwaar. In ieder geval had zijn metafysische onmin zich omgezet in een drukkende lichamelijke pijn, die van lieverlede onverdraaglijk geworden was en niet verdoofd kon worden door de laatste flessen wijn. Eenmaal ontnuchterd daalde het in extra dichte vlokken op hem neer: witte angst, onrust en lusteloosheid ineen, ijzige paniek. Kou had hem altijd bang gemaakt.
Omdat het voedsel hem niet smaakte, had hij geen honger meer. Net zoals zijn libido gestorven was, was elke andere trek verdwenen. Het ging nu tussen hem en hemzelf. Macabere gedachten over verschillende manieren waarop hij een einde zou kunnen, vinden spookten door zijn hoofd, en wisten soms een schijn van rust en troost te geven - een voorschot op de grote kalmte. Aan zichzelf had hij geen houvast meer, onbetrouwbaar en waardeloos als hij zichzelf nu voorkwam: zijn zelf worstelde juist om van hem los te komen. Hij was zichzelf aan het verliezen, en als zijn superego van een afstand naar hem keek, alsof hij aan het repeteren was voor de grote show, dan leek de datum van de premiere steeds sneller dichterbij te komen. Wat hem nog restte, glipte akelig snel door zijn vingers. De hopeloosheid van zijn situatie verpletterde zijn ziel.
Met een gevoel alsof hij uit de coulissen moest treden, had hij zich nog een keertje feestelijk aangekleed, zijn werktafel netjes achterlatend met het afgebroken dagboek in het midden, de lichten en de kachel uit gedaan, de deur evenwel achter zich opengelaten.
(PRESTO) Het biljet van vijftigduizend lire was nog steeds intact. Voor zijn galgenmaaltje rekende hij op het cenone van San Silvestro, een schranspartij met dansen na op oudejaarsavond. Die wilde hij in Migliarino vieren, waar hij wel vaker had gezwommen. Daar liep een lange weg door een pijnbomenbos dood op het strand. Er was een houten barak waarin ze in het seizoen frisdranken en broodjes verkochten.
Nadat Provenier liftend zonder bagage bij de kustweg was gekomen, moest hij lopend door het donkere woud naar het westen - want hier reden geen auto’s meer. Tussen de bomen zag hij op verschillende plekken kleine vuurtjes waaraan zich de prostituees en travestieten kwamen warmen die langs de grote weg hun zaken deden. Vanavond lag de handel nagenoeg stil. Hij stapte kilometers lang straf door.
De open plek voor het strand lichtte reeds van verre op door de fosforescerende zee. Daar stonden langs de bosrand grauwe legerauto’s geparkeerd. De barak zelf leek uit elkaar te spatten van geluid, licht en vrolijkheid. Tientallen militairen, hun uniform reeds in wanordelijke toestand, zaten binnen feest te vieren aan lange houten tafels.
Was de zaak gereserveerd? Nee, hij mocht binnenkomen of buiten blijven, als hij de deur maar dichtdeed. Een meisje bediende en Provenier voelde zich in zijn burgerkloffie net zo kwetsbaar of even sterk: alle ogen volgden hem voortdurend. Tegen betaling van zijn laatste vijftigduizend lire mocht hij aanschuiven.
Het ene gerecht na het andere werd geserveerd; de flessen wijn trokken in nog sneller tempo voorbij. De officieren hadden hun koppels en kepi’s afgelegd en verhieven hun stem; de manschappen stonden zwijgend aan de kant bij de fruit- en flippermachines. Provenier zag er een, met vervaarlijke mitrailleur over de schouder, die verwoed, in grote ernst, een debiel schietspelletje met de automaat aan het spelen was. De ene munt na de andere werd in de gleuf geworpen.
Telkens als de serveerster achter Provenier langskwam, raakte ze hem even met haar heup; kruiste zijn blik de hare, dan kreeg hij een lieve, dodelijk vermoeide glimlach terug. Kon hij daarin een sprankje hoop zien lichten? Hij was een goede kok. Heel zijn leven had Provenier het metafysisch bewustzijn gekoesterd dat de mogelijkheid van een definitieve keuze tot de menselijke conditie behoorde. Met die gedachte had hij zich getroost. Zodra hij het gewaar werd dat hij van zijn eigen wereld geen deel meer uitmaakte, verlangde hij de banden door te snijden die hem verbonden met deze wereld, waarin hij niet meer paste. Vaak genoeg had hij de mogelijkheden van een ander bestaan de revue laten passeren: een leven als eenvoudig werkman, naar zee, het klooster in. Even zovele onmogelijkheden, want het was geen nederigheid maar trots waardoor zijn verbeelding bij elke onderneming werd gestuurd. Waaraan hij niet voorbij kon, wat hem op elke reis, bij elke handeling zou vergezellen was zijn wanhoop, keerzijde van gekrenkte trots. Niet hij, de hele wereld moest boeten voor wat hem niet gelukt was. Of hij nu bleef in ballingschap, zou terugkeren of opnieuw zou vluchten, hij wist altijd door welke gemoedsgesteldheid hij vergezeld zou worden en dat zijn eigen spiegelbeeld naar hem zou terugstaren: verbaasd, verwijtend, onverzoenlijk.
Reeds lang geleden had hij zich de dwangredenering van Kirillov eigengemaakt: aangezien er geen god bestond, kwam het op de mens neer om zijn eigen wil uit te voeren. De mensen waren ongelukkig omdat ze bang waren hun eigen wil door te zetten, ze durfden niet. Alles wat hij kon doen om zijn vrije wil te bewijzen, was het heft in eigen hand nemen; beginnen, er een eind aan maken, de deur intrappen van die angst. 'Sta je ervoor, dan moet je erdoor.’ Het was een verschrikkelijke gedachte dat hij zichzelf uit de weg moest ruimen om van zijn onafhankelijkheid en zijn angstaanjagende vrijheid bezit te nemen.
Provenier was al aan de spumante toen het tot hem doordrong dat hij helemaal geen vrije keus meer had - hij werd gedwongen om die stap te zetten, niet alleen door het simpele gegeven dat hij zojuist zijn laatste geld had opgesoupeerd, maar ook omdat de redenering sluitend was. Het mocht misschien een feit zijn dat de werkelijke reden waarom mensen zelfmoord pleegden meestal simpel geldgebrek was (of liever: faillissement, de bodem onder de welstand vandaan), zo'n triviale aanleiding beroofde het grote gebaar van al zijn grandeur! Als de zaken er zo voor stonden, dan was zijn suicide helemaal geen antwoord op de fundamentele vraag van de filosofie: of het leven de moeite waard was geleefd te worden of niet.
Hij verslikte zich vreugdeloos in een amandelkoekje en hield zijn glas op om bijgeschonken te worden. De tijd was inmiddels niet stil blijven staan, en Provenier schrok minstens zo van zijn conclusie als van het feit dat er nog enkele momenten restten voor de klok zou slaan. Hij haastte zich de kou in voor het pandemonium zou losbarsten, en liep, het glas nog in de hand, over het winterstrand naar zee. Andere jaren was hij hier weemoedig komen kijken hoe de laatste zon van het jaar met vuurwerk onderging in zee. Dit jaar was hij bepaald te laat gekomen.
Terwijl achter hem de knallen en het gejuich losbarstten en de hemel aan flarden werd gescheurd door kunstvuurwerk, trok hij zijn kleren uit. De kou sneed door hem heen, hij voelde niets. De oude mens, die was verdorven door de begeerlijkheden van de verleiding, moest worden afgelegd. Goede voornemens, daar moest je lak aan hebben. Kaarsrecht en zonder vrees liep hij het water in: hij moest erdoor!