De oude Mul

De later als een van onze meest fijnzinnige schrijvers geroemde A. Alberts kwam eind jaren 1940 in De Groene consequent op voor de onafhankelijkheid van Indonesië. Het verhaal ging dat hij daarmee negenhonderd abonnees per week wegjoeg. In Leven op de rand relativeert Alberts-biograaf Graa Boomsma dit aantal (het blad zou het niet overleefd hebben), maar feit is dat vooral zijn verdediging van Soekarno De Groene ‘veel abonnees’ heeft gekost. ‘De betrokken, historisch bewuste journalist die Alberts tussen 1947 en 1965 is geweest, is tot nu toe onderbelicht gebleven’, schrijft Boomsma.

Inderdaad, wie had daar nog weet van? Ik niet, ik kende de latere P.C. Hooftprijswinnaar vooral als de meesterlijke schrijver van literair werk als De eilanden en De vergaderzaal. Toen hij zijn artikelen over Indonesië schreef, moest ik nog geboren worden. Pas na 1965 ontwaakte mijn interesse voor de verhouding tussen de Gordel van Smaragd en de Roofstaat tussen Oost-Friesland en de Schelde dankzij de boekenkast van mijn in Nederlands-Indië geboren en getogen vader. Behalve een eerste druk van Max Havelaar uit 1860 trof ik er de Verzamelde werken van Multatuli aan en een handzaam boekje met registers op de Ideën.

Vanaf dat moment nam de oude Mul mijn opvoeding over. Alle discussies, of ze nu gingen over Indonesië, Vietnam, Provo of het feminisme, won ik dankzij Multatuli van mijn Telegraaf lezende vader. Zelf had hij de Verzamelde werken nooit een blik waardig gekeurd. Ze hoorden bij de erfenis van mijn in 1932 overleden grootvader, planter en suikerfabrikant op Oost-Java en in mijn ogen dus een verwerpelijke koloniaal die ongetwijfeld de Javaan had mishandeld. Hij bleek een onversneden multatuliaan te zijn geweest. In zijn nalatenschap vond ik de opzet voor een lezing die hij als dertiger hield onder de titel ‘Proeve van een Gids voor een eerste kennismaking met Multatuli’. Het motto erboven was ontleend aan Idee 112: ‘Zelden schryf ik wat ik wil, en nooit wat een ander wil.’

Dat gold ook voor de voormalige koloniale ambtenaar A. Alberts, die als voorstander van de onafhankelijkheid van Indonesië weigerde te schrijven wat de meeste Nederlanders – zelfs progressieve Groene-lezers – wilden horen. Hij identificeerde zich in zijn boek Het einde van een verhouding met individualisten als Eduard Douwes Dekker die Indië door en door kenden en ‘dachten en deden niet zozeer vanuit een geijkte wereldbeschouwing, maar vanuit een eigen gevoel, dat als het ware geconditioneerd was door eigen ervaring en medeleven’.

‘Multatuli is vieux jeuen in ­zich-respecterend gezelschap moet men zijn naam niet noemen’

Cees Fasseur sprak in zijn op de honderdste sterfdag van Multatuli gehouden oratie als hoogleraar geschiedenis van Zuidoost-Azië over de allesbepalende invloed van Douwes Dekker op ‘Indischambtenaren in opleiding’ die wilden besturen als Max Havelaar. Maar wat was zijn invloed op de planters? Mijn grootvader verklaarde: ‘Multatuli is vieux jeu en in zich-respecterend gezelschap moet men zijn naam niet noemen. Zijn Havelaar deed “een rilling gaan door het land”; in zijn andere werken heeft hij getracht een “rilling te doen gaan” door de gemoederen om ze wakker te schudden uit sleur en onoprechtheid.’

Een kleine eeuw later citeerde ik deze woorden in een lezing voor het Multatuli Genootschap, een bedaagd gezelschap van een paar honderd vrijdenkers met onder zijn leden de crème de la crème van de Nederlandse letteren zoals W.F. Hermans, Karel van het Reve, Hugo Brandt Corstius, Geert van Oorschot. Allemaal overleden, zoals ook bijna alle naoorlogse voorzitters: Garmt Stuiveling, Jaap Oversteegen, Hans van den Bergh en Cees Fasseur. Alleen Winnie Sorgdrager, die de afgelopen negen jaar de scepter zwaaide, is er nog. Deze lente droeg zij het stokje aan mij over, hoewel ik niet eens lid was van het Multatuli Genootschap en me nooit had gerealiseerd dat je dat zomaar kunt worden.

Een blik op de weinig omvangrijke ledenlijst leerde me dat dit voor meer mensen geldt. Op mijn oproep aan schrijvers, historici, columnisten en andere potentiële ‘multatulianen’ om zich aan te sluiten, kwamen tientallen positieve antwoorden. Als ze eerder hadden geweten dat er geen ‘ballotage’ is en dat de contributie niet meer bedraagt dan dertig euro (waarmee onder meer het uit de Amsterdamse subsidie gegooide museum in Multatuli’s geboortehuis in stand wordt gehouden), ja, dan hadden ze zich natuurlijk al veel eerder gemeld. De hoofdredacteur van een maandblad die zich opgaf, schreef me: ‘Lang dacht ik dat het Multatuli Genootschap zo chic was dat dit voor een minvermogende als ik ver buiten bereik was en volgens geruchten zelfs de steun had van het Koninklijk Huis.’

Ter geruststelling van alle republikeinen: de enige connectie met het koningshuis is dat Multatuli zijn Max Havelaar opdroeg aan Koning Willem III, ‘Keizer van ’t prachtig rijk van Insulinde’ waar ‘Uw meer dan dertig miljoenen onderdanen worden mishandeld en uitgezogen in Uwen naam’.

Elsbeth Etty schrijft vanaf nu om de week een column, in afwisseling met Niña Weijers