De overdaad moet getemd

Umberto Eco, De betovering van lijsten. € 35,00

De oudste lijsten die ik me uit mijn kindertijd herinner zijn het boodschappenlijstje en het verlanglijstje, beide nadrukkelijk in de verkleinvorm. Vooral het verlanglijstje was voor mij, de wat prozaïsche naam ten spijt, verbonden met een type verwachtingen dat het best poëtisch genoemd kan worden. Dat lijstje met zijn opsomming van verlangde, maar normaal gesproken volkomen onbereikbare voorwerpen, had een magisch potentieel dat bressen kon slaan in al het voor de hand liggende. Het was, denk ik, de eerste schriftelijke manifestatie van het verlangen naar iets ongekends, een vroege voorvorm van mijn latere liefde voor literatuur en kunst. Des te teleurstellender was het dat het zelfs niet in een bijzin genoemd wordt in het indrukwekkende, eerder caleidoscopische dan encyclopedische overzicht van alle denkbare lijsten dat Umberto Eco recentelijk presenteerde in De betovering van lijsten.
Zowel het boodschappen- als het verlanglijstje zou, als Eco wat meer als filosoof en wat minder als geleerde was opgetreden, een plaats hebben moeten krijgen in hoofdstuk 7 van zijn boek, ‘De ene lijst is de andere niet’. Daarin maakt hij 'een belangrijk onderscheid’ tussen de doelmatige en de poëtische lijst, maar al gauw blijkt dat deze ordeningspoging tot aanvechtbare resultaten leidt. Eco zou allebei mijn lijstjes tot de doelmatige hebben gerekend - met soortgenoten als de gastenlijst voor een feest, de catalogus van een bibliotheek, een lijst met bezienswaardigheden in een toeristengids - aangezien ze de drie daarvoor noodzakelijke kenmerken zouden bezitten: ze zijn louter referentieel, eindig en niet veranderbaar. Eco noemt een lijst alleen poëtisch als hij is opgesteld met 'poëtische intenties (…) ongeacht de gebruikte kunstvorm’. Ik hoef hopelijk niet uit te leggen dat dat niet alleen een grove miskenning is van het poëtische gehalte van zijn gastenlijst, zijn catalogus en zijn toeristengids, maar ook van mijn boodschappen- en verlanglijstje.
De betovering van lijsten is een gelegenheidswerk. Museum het Louvre vroeg de geleerde auteur van onder meer De naam van de roos, De slinger van Foucault en Het eiland van de vorige dag of hij ervoor voelde in de maand november van 2009 een reeks conferenties, tentoonstellingen, lezingen, concerten, projecties 'en dergelijke’ te organiseren. Naar eigen zeggen heeft hij daar 'geen moment’ over hoeven na te denken. Ook wist hij meteen wat het thema van die manifestatie moest zijn: de opsomming of de lijst.
Dat hoeft niet te verbazen. Ik denk dat elke ouder wordende denker, schrijver, kunstenaar zich bij het opmaken van de rekening wel eens afvraagt of wat hij gemaakt heeft enigszins lijkt op wat hij ooit, in zijn hemelbestormende beginjaren, op zijn wensenlijstje had staan. Menigeen zal ook wel eens een opsomming hebben gemaakt van wat hij nog zou willen doen, mocht hij daarvoor de benodigde tijd en energie vinden. H.C. ten Berge laat Edgar Moortgat, 'publicist zonder pretenties (…) en uit de nood geboren pornograaf’, in de roman Het geheim van een opgewekt humeur (1986) de projecten inventariseren waar hij nu eindelijk eens werk van moet gaan maken. George Steiner publiceerde in 2008 My Unwritten Books, zeven stuks nu gecomprimeerd tot zeven hoofdstukken; één daarvan, The Tongues of Eros, een soort seksuele autobiografie, overtreft alles aan gênante opschepperij wat de geleerde ooit het licht heeft doen zien, op zich al een niet geringe prestatie.
Eco (*1932) kan er ook wat van, al weet hij zijn imponerende belezenheid meestal te sublimeren in het gulle gebaar van de lijst. Of hij ooit letterlijk zo'n lijst à la Moortgat of Steiner heeft gemaakt weet ik niet. Hij schermt niet expliciet met thema’s of titels, maar het staat wel vast dat een man met zijn duizelingwekkende eruditie met tientallen mogelijke boeken in zijn hoofd rondloopt. Van die overdaad, en vooral van de lust die te tonen, getuigt heel zijn werk. Hij wijst er in alle bescheidenheid zelf op: zijn romans staan vol met lijsten. Zij vormen the stuff that dreams are made of. Die voorliefde is tijdens zijn studietijd ontstaan, toen hij zich zowel in middeleeuwse teksten verdiepte als in Joyce (waarvan het nooit in het Nederlands vertaalde Opera aperta, 1962, Het open kunstwerk, de sporen draagt).
Maar de oudste lijsten, die de opmaat vormen van dit boek, trof Eco aan bij Homerus: een catalogus van schepen (Ilias, boek 2) en de beschrijving van het beroemde schild van Achilles (Ilias, boek 18). Interessant is dat Eco meteen een categoriaal verschil signaleert tussen beide opsommingen - de overdaad aan overdadige opsommingen moet academisch getemd om er niet helemaal door overspoeld te worden. Het schild van Achilles is in zijn beslotenheid volmaakt harmonieus en de opsomming van de erop afgebeelde taferelen (het werk van 'de sterkarmige kunstenaar’ Hephaistos) eindig. De opsomming van schepen daarentegen lijkt onbegonnen werk. Homerus wil de lezer de omvang van de Griekse vloot daarom laten voelen. Daartoe neemt hij eerst zijn toevlucht tot een paar uitgebreide, maar uiteindelijk toch onbevredigende vergelijkingen (hem door de literatuurwetenschap in dank afgenomen als 'Homerische vergelijking’), waarna hij alsnog een uitputtende opsomming geeft van maar liefst 350 regels.
Jammer vind ik het dat Eco na het inleidende deel van hoofdstuk 1, 'Het schild en de vorm’, niet uitgebreid citeert uit het betreffende boek in de Ilias, want dan had hij aan de hand van het schild van Achilles, het oermodel van de gesloten opsomming, kunnen laten zien dat die uit een doordachte schakeling van ook onderling afgeronde scènes bestaat: al die scènes hebben, impliciet of expliciet, een cirkelvormige structuur. Daarbij is de rand van het schild niet het resultaat van een arbitraire beslissing van de mythische wapensmid, het is niet minder dan de rand van de wereld, 'de machtige stroom van Okeanos’. Iets meer toelichting en interpretatie zou hier en elders welkom zijn geweest.
Hoewel ik wel vaker het gevoel heb dat Eco’s liefde voor de indeling die voor de opsomming sec overtreft, is De betovering van lijsten een vermakelijk boek, niet in de laatste plaats omdat het de lezer aan het werk zet. Boeiend is het bijvoorbeeld om de vaak originele afbeeldingen te bekijken in relatie tot de inleidende tekst van Eco, respectievelijk de lijsten die hij als voorbeelden citeert. Dan valt op dat de auteur nogal eens heeft moeten wringen om de boel passend te maken. Een prachtig schilderij van Tintoretto bijvoorbeeld figureert als voorbeeld van 'de topos van het onuitsprekelijke’, ofschoon het in zijn concentrische compositie eerder gelijkenis vertoont met de volmaakte en dus wel degelijk uit te spreken vorm - Homerus bewijst het - van het schild van Achilles.
Elders moet een gedicht van Wislawa Szymborska, Verjaardag, als illustratie dienen van de 'chaotische opsomming’, meer in het bijzonder van 'de vrolijke chaos waarin wij leven’. Mogelijk geldt dat voor de beroemde Chinese encyclopedie van Borges, die zijn roem mede dankt aan Foucault (de filosoof, niet die van de slinger), maar in elk geval niet voor het gedicht van Szymborska, dat moeilijk anders dan als klacht over een teveel kan worden gelezen: 'Wat moet een levend persoon met die rijkdom beginnen?/ Ik woon hier maar even, niet langer dan één ogenblik:/ er is geen tijd om alles wat is van de leegte te scheiden,/ alleen wat ik zie is al te veel voor mijn zinnen.’ Gelukkig zijn er daarnaast talloze gevallen van treffende correspondentie tussen woord en beeld, ik ga niet proberen ze te ordenen.
De betovering van lijsten is een vervolg op twee eerdere boeken van Eco: De geschiedenis van de schoonheid en De geschiedenis van de lelijkheid. Het hoofdstuk waarin de auteur naar die eerdere projecten verwijst, hoofdstuk 13: 'Definities op grond van eigenschappen en wezensdefinities’, behoort tot de vermakelijkste van het boek. Daarin maakt hij ruim plaats voor de zogenaamde laudatio puellae, de lofzang op de mooie vrouw, en zijn tegenpool, de vituperatio puellae, de beschrijving van de lelijke vrouw. Van de eerste is het Hooglied het onovertroffen voorbeeld (geflankeerd door een schitterend schilderij van Ghirlandaio), van de tweede Marots Loflied op de lelijke tiet (geflankeerd door een stel heksen van Goya). Ter geruststelling: ook de lelijke man komt aan zijn trekken, hoewel die het moet stellen zonder Latijns etiket: in Rostands Cyrano de Bergerac gaat de gelijknamige held van het verhaal stevig te keer tegen zijn eigen neus: 'Meneer, had ik zo'n neus, het amputeermes was echt mijn eerste keus!’

UMBERTO ECO
DE BETOVERING VAN LIJSTEN
Bert Bakker, 407 blz., € 35,-