Het sprookje van de revolverende fondsen

De overheid als durfkapitalist

Het is de nieuwste trend in overheidsfinanciën: revolverend financieren. Geen stroperige subsidietrajecten, maar de overheid die als blitse durfinvesteerder economie en innovatie aanjaagt met belastinggeld. Van democratische controle is daarbij geen sprake.

Medium opening belastinggeld

‘Iedereen die nog wat tegoed had van Marlies Dekkers is zijn geld kwijt. Ik ook.’ Vincent van Zon is nog steeds woedend over het flitsfaillissement in 2013. De Rotterdamse ondernemer werd als aandeelhouder van het lingeriebedrijf buitenspel gezet bij de overname door investeringsfonds Karmijn Kapitaal. Via een rechtszaak probeert hij nu zijn schade vergoed te krijgen.

De lingeriefirma dreigde in de zomer van 2013 te bezwijken onder een torenhoge bankschuld. In het geheim maakte oprichtster Marlies Dekkers afspraken met de nieuwe investeerders van Karmijn, een private-equityfonds dat gerund wordt door drie vrouwen. Ze lieten het bedrijf failliet gaan en maakten dezelfde dag een doorstart. Dekkers kreeg zelf een kwart van de aandelen, de rest ging naar Karmijn. Van Zon en andere aandeelhouders zijn hun geld kwijt. Net als alle leveranciers die nog geld tegoed hadden. Een deel van het personeel verloor zijn baan.

Flitsfaillissementen zijn legaal maar omstreden, omdat het een wel erg makkelijke manier is om personeel en schuldeisers te lozen.

Het flitsfaillissement van Marlies Dekkers werd mede mogelijk gemaakt met belastinggeld. Karmijn Kapitaal haalde een derde van zijn investeringsbudget op bij de overheid. Het Europees Investerings Fonds (eif) zegde negen miljoen euro toe in 2012. In 2015 kwam daar nog twintig miljoen bij. Het ministerie van Economische Zaken investeerde mee via het in 2012 opgerichte Dutch Venture Initiative. dvi is een fonds gevuld met publiek geld – deels van EZ, deels van eif – dat via andere fondsen mkb-bedrijven ondersteunt. Uit die pot kreeg Karmijn vijf miljoen.

Die stevige kapitaalinjectie dankt Karmijn aan de positionering als ‘sociaal-maatschappelijke investeerder’. Het fonds investeert in bedrijven waar minstens dertig procent vrouwen in bestuursfuncties zit. Opvallend genoeg verving Karmijn direct na het flitsfaillissement Marlies Dekkers door een mannelijke directeur. Dekkers mocht aanblijven als creatief directeur, maar bemoeit zich niet meer met de dagelijkse leiding.

Het investeringsvehikel van de overheid, het Dutch Venture Initiative, is een opmerkelijke constructie. Het ministerie van Economische Zaken richtte dvi samen met het eif op onder Luxemburgs recht. De Europese Rekenkamer schreef in juli 2016 in een rapport dat ‘bij deze structuren fiscale rulings een gangbare praktijk zijn’. De Rekenkamer waarschuwt voor reputatieschade: een met Europees geld opgetuigd fonds dat belastingafspraken maakt, dat is een praktijk waar de Europese Commissie juist fel op tegen is. Uit de jaarstukken van dvi blijkt dat de vennootschap met een investeringsportefeuille van 39 miljoen euro in 2016 precies 783 euro aan belasting betaalde. Wel werd 24.000 euro uitgegeven aan belastingadvies.

De overname van Marlies Dekkers roept een hoop vragen op. Is het een overheidstaak om in een lingeriemerk te investeren? Moet publiek geld wel gebruikt worden voor omstreden flitsfaillissementen? Is het niet gek dat een investeringsvehikel van de overheid in Luxemburg zit om maar zo min mogelijk belasting te betalen?

De firma Marlies Dekkers is een van de tienduizenden bedrijven waarvan de belastingbetaler mede-aandeelhouder is. De overheid investeerde bijvoorbeeld ook in online wenskaartenfirma Greetz en de Duitse webshop voor gereedschap Contorion (Alles für den Profi). En leende geld uit aan bussenbedrijf vdl, kokendwaterfirma Quooker en Eendenslachterij vse in Harderwijk.

Het is een stille revolutie in de publieke financiën: minder geld naar subsidie en reguliere overheidsuitgaven als zorg en onderwijs, meer geld in aparte potten om gerichte investeringen mee te doen. Revolverende fondsen worden ze genoemd, naar het Engelse revolving funds. Deze ‘ronddraaiende fondsen’ zijn er voor allerlei doelen. Een groot deel van deze potten is bedoeld voor start-ups die een innovatief idee op de markt willen brengen en mkb-bedrijven die willen groeien.

Het idee achter de revolverende fondsen is simpel: de overheid geeft haar geld niet eenmalig uit via subsidies, maar verstrekt leningen of koopt er een aandeel mee in een bedrijf. Als het goed gaat, komt de inleg plus rente weer terug. Met de opbrengst kan een nieuwe ronde investeringen worden gedaan. Zo krijg je een financieel perpetuum mobile, de kip met de gouden eieren.

Revolverende fondsen zijn niet nieuw. De Duitse Kreditanstalt für Wiederafbau (KfW) bijvoorbeeld bankiert al sinds 1948 met publiek geld. En ook Nederland had tot 1999 zo’n Nationale Investeringsbank. Wel nieuw is de enorme toename van verschillende fondsen en de versnippering van potjes op allerlei overheidsniveaus. De Europese Investeringsbank doet grote projecten, innovatieve Nederlandse bedrijven kunnen terecht bij het ministerie van Economische Zaken. Voor het regionale mkb zijn er provinciale fondsen. Er zijn zelfs gemeenten met eigen mkb-fondsen.

De besteding van die publieke euro’s onttrekt zich grotendeels aan democratische besluitvorming. Wie geld krijgt en wie niet wordt bepaald door fondsmanagers en investeringscommissies met experts uit de financiële sector.

Trendsetter in de revolverende-fondsenhype is de Europese Commissie. In Brussel kwamen rond de crisis twee ontwikkelingen samen. Enerzijds groeide de kritiek op EU-subsidies: Brussel als grote geldverkwister, financier van Spaanse spookvliegvelden en wegen van niets naar nergens in afgelegen Oost-Europese deelrepublieken. Een hopeloos imago in tijden van bezuinigingen en euroscepsis.

Anderzijds zette de crisis de kapitaalmarkt op slot. Banken durfden geen geld meer uit te lenen, investeerders namen geen risico’s meer. Brussel sprong in het gat en wierp zich op als stoere durfinvesteerder die via revolverende fondsen de economie weer aan de praat zou krijgen. Leningen in plaats van subsidies, om maatschappelijke doelen te verwezenlijken zonder geld te verkwisten.

In Nederland werd tijdens de crisis sterk bezuinigd op de culturele sector, duurzaamheidsinitiatieven en ontwikkelingswerk. Revolverende fondsen vormen een doekje voor het bloeden. Zo beheert accountantskantoor PwC tegenwoordig voor het ministerie van Buitenlandse Zaken een deel van de zevenhonderd miljoen grote pot van waaruit het hulp-en-handelbeleid gefinancierd wordt. Kunstenaars kunnen aankloppen bij Cultuur+Ondernemen voor een lening.

Cijfers over het aantal fondsen en hun omvang worden niet bijgehouden. Onze inventarisatie leert dat alleen al voor de Nederlandse markt ruim twintig miljard euro is ondergebracht in zeker 150 verschillende fondsen. En het gaat hard: alleen al in het afgelopen jaar werden 23 nieuwe fondsen opgetuigd. Vorige maand nog maakte minister Kamp van Economische Zaken bekend onder de noemer InvestNL 2,5 miljard beschikbaar te stellen voor mkb-financieringen. In december besloot de EU tot verdubbeling van het zogeheten ‘Junckerplan’, een fonds van tientallen miljarden waarmee de EU de economie wil aanzwengelen.

Is het niet gek dat een investeringsvehikel van de overheid in Luxemburg zit om maar zo min mogelijk belasting te betalen?

Het idee van een pot geld die nooit op raakt, verkoopt uitstekend bij ministers, gedeputeerden en wethouders. Maar is het concept zo mooi als het klinkt? Uit verschillende hoeken klinkt scherpe kritiek. Zo is nauwelijks te achterhalen of dit belastinggeld wel zinnig is besteed, waarschuwt de Landelijke Rekenkamer. Juristen zien huiverend toe hoe de rechtsbescherming die wél geldt bij het toekennen van subsidies in één klap overboord gegooid wordt door publieke geldstromen via private bv’s te laten lopen. Economen wijzen erop dat de overheid te veel geld in start-ups steekt, met als resultaat dat kansloze initiatieven in leven worden gehouden en nieuwe bubbels worden opgeblazen.

Investico onderzocht waarvoor revolverende fondsen gebruikt worden, en zag hoe publiek geld het grootbedrijf spekt, en prijzen van bijvoorbeeld medicijnen opdrijft. Vele honderden miljoenen gaan op aan beheerskosten, zoals de salarissen van dure fondsmanagers en financieel specialisten.

In het glazen kantoor van de Brabantse Ontwikkelingsmaatschappij (bom) ploppen in 2015 de kurken uit de champagneflessen. De Brits-Zweedse medicijnengigant Astra Zeneca heeft voor miljarden Acerta Pharma opgekocht, en de bom had aandelen. De provinciale fondsbeheerder investeerde in het bedrijf toen het als start-up begon aan de ontwikkeling van een medicijn tegen leukemie. De overname levert tientallen miljoenen op, voor de bom hét bewijs dat revolverend financieren werkt. Met investeren in innovaties loop je risico, tal van start-ups gaan failliet. Maar als het dan een keer lukt, maakt dat ene succes al die financiële narigheid goed.

Maar wat is de maatschappelijke meerwaarde van deze kaskraker? Wat heeft de burger eraan dat de bom miljoenen verdient aan de verkoop van Acerta Pharma? Niet veel, vreest Hans van der Linden, een huisarts die al jaren strijdt tegen de ongebreidelde monopoliepositie van de farmaceutische industrie. ‘In deze miljardenbusiness draait alles om de patenten. Heb je als fabrikant eenmaal het eigendomsrecht van een medicijn te pakken, dan kun je vragen wat je wilt.’ Dat zal Astra Zeneca ook doen met de patenten op het nieuwe leukemiemedicijn van Acerta, met torenhoge medicijnprijzen tot gevolg.

De prijs van medicijnen staat niet meer in verhouding tot het onderzoek en de ontwikkeling ervan, zei minister Schippers (Volksgezondheid) oktober vorig jaar, tijdens het World Cancer Congress in Parijs. ‘Het systeem is stuk’, schreef ze in vaktijdschrift The Lancet. En zolang we niet serieus overwegen de internationale patentwetgeving aan te passen, ‘kunnen bedrijven vragen wat zij willen’.

Daar wringt het revolverend financieren. De maatschappij, artsen en het ministerie van Volksgezondheid roepen om goedkopere geneesmiddelen en willen dat het patentrecht op de schop gaat. De Brabantse bom – met het ministerie van Economische Zaken als aandeelhouder – gaat echter voor het hoogste rendement, juist met dank aan dat patentrecht. Want met het patent kan Astra Zeneca de miljoenen die het bedrijf aan de bom betaalde weer terugverdienen. De patiënt betaalt er uiteindelijk voor.

Waarom verkocht de bom haar aandelen aan de hoogste bieder? Dat is geheim, laat de bom weten. Zijn er afspraken gemaakt over de medicijnprijs, of over andere maatschappelijke baten zoals werkgelegenheid? ‘Strikt geheim’. Er komen nieuwe banen, maar waarschijnlijk niet in Nederland. Was het medicijn er gekomen zonder het publieke geld van de bom? Waarschijnlijk wel. De bom strijkt ongeveer een procent van het verkoopbedrag op, het bedrijf werd dus voor 99 procent door andere partijen gefinancierd.

Aan de rand van Apeldoorn, naast het kantoor van de bekende verzekeraar uit die stad, zetelt PPM Oost, de regionale ontwikkelingsmaatschappij die driehonderd miljoen aan publiek geld investeert in de Gelderse en Overijsselse economie. Directeur Marius Prins kijkt uit op een braakliggend terrein waarop de regen gestaag neerdaalt. ‘Ik kijk nooit naar buiten als ik aan het werk ben.’ Liever kijkt Prins naar de wand waar een grote foto hangt, een bewerking waarop drie bestropdaste trapeze-artiesten een menselijke brug vormen, hoog boven New York. ‘De foto vind ik symbolisch, omdat wij als PPM Oost proberen bruggen te bouwen tussen investeringen met publiek geld en private investeerders.’

Prins praat met passie over zijn werk. Neem die keer dat hij kennismaakte met de mensen van het Wageningse foodtechbedrijf Solynta. ‘“Wij gaan het wereldvoedselprobleem oplossen”, zeiden ze tegen me! Kijk, zo’n kennismaking vergeet je niet meer.’ Solynta ontwikkelt een methode om nieuwe aardappelrassen te creëren, niet met pootaardappelen maar via zaden, wat grote voordelen biedt.

De wereldvoedselproblematiek oplossen, is dat niet wat al te ambitieus? En waarom stapt er geen private investeerder in dit avontuur? ‘Daarvoor duurt de ontwikkeling van deze innovatie te lang’, zegt Prins. ‘Private investeerders willen snelle winsten. Maar ik weet zeker dat het goed komt, en ik hoop dat ze snel worden overgenomen door een van de grote zaadveredelaars. Misschien wordt dat wel onze Acerta Pharma.’ Niet dat ze erin geïnvesteerd hebben voor het geld, haast hij zich erbij te zeggen. ‘Wij geven geld omdat die ondernemer heeft gezegd: ik zie een maatschappelijk issue.’

Prins zit als fondsbeheerder van publiek geld in een voortdurende spagaat. De overheid is er voor maatschappelijke problemen die het bedrijfsleven laat liggen. Maar revolverende fondsen moeten ook financieel rendement halen. Dus worden maatschappelijke initiatieven door PPM Oost ‘langs de ondernemerslat’ gelegd’.

Dat is ook de opdracht van de provincie. ‘Alleen strikt financieel-economische argumenten mogen een rol spelen’, schreef Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland als reactie op een onlangs verschenen Rekenkamer-rapport. Kortom: als jij niet kunt bewijzen dat je ideeën rendabel te maken zijn, ga je maar weer naar huis. Het gevolg is dat de revolverende fondsen van de overheid al snel investeren in bedrijven waar private beleggers ook in geïnteresseerd zijn.

Waarom steekt de provincie niet gewoon subsidie in de ontwikkeling van risicovolle, innovatieve ondernemingen zoals aardappelzaadbedrijf Solynta? Dan weet je wat het kost en hoeft er geen ingewikkelde fondsstructuur te worden opgetuigd. Directeur Prins van PPM Oost aarzelt even, loopt dan naar de boekenplank achter zijn bureau en pakt een exemplaar van De ondernemende staat van Mariana Mazzucato. De Italiaans-Amerikaanse econome maakte naam met haar theorie dat grote innovaties niet te danken zijn aan bedrijven, maar aan de overheid. Neem de iPhone: internet, touchscreens, gps – het zou er allemaal niet zijn geweest zonder grote investeringen van de overheid in defensietechnologie. Het is niet terecht dat Apple miljardenwinsten maakt met zijn producten en de Amerikaanse belastingbetaler daar niets van terugziet, stelt Mazzucato. Vandaar Prins’ greep in de boekenkast. ‘Het is goed dat de overheid investeert. En als het goed gaat, willen we ook meedelen.’

Mariana Mazzucato moet om de redenering van Prins lachen. ‘Overheden hebben de neiging selectief te shoppen in mijn ideeën’, zegt ze voorafgaand aan een lezing in Maastricht. ‘Ze richten zich bij revolverende fondsen te veel op het stimuleren van durfkapitaal.’ Maar dat is niet wat Mazzucato met haar onderzoek aantoont. Innovatie aanjagen doet een overheid volgens de econome door grote projecten aan te gaan waar individuele bedrijven niet aan beginnen. Het gaat om het uitzetten van grote missies: een man naar de maan, of een duurzame economie. Steek daar veel geld in, bijvoorbeeld via investeringen in publieke onderzoekscentra of aanbestedingen waarbij je bedrijven uitdaagt met innovatieve oplossingen te komen. Als dat producten oplevert die bedrijven commercieel succes brengen, zorg er dan voor dat de samenleving wat van haar geïnvesteerde geld terugziet.

Bij veel revolverende fondsen wordt die logica omgedraaid. Geen grote missies, maar een hele trits zelfstandig opererende fondsen die per bedrijf een investeringsbeslissing nemen. En dan maar hopen dat er innovaties uit rollen die wat opleveren.

Met een jaloerse blik keek de Papendrechtse wethouder Korteland naar de provincie Brabant, waar het ene na het andere fonds werd opgetuigd om de economie te stimuleren. Korteland wilde ook een fonds, met name voor innovatie in de maritieme sector. ‘Het miljoen van Korteland’, ging het in de raad heten. ‘Ik denk dat we het wel negen keer terugverdienen, in geld of in werkgelegenheid’, zei hij.

‘“Wij gaan het wereldvoedselprobleem oplossen”, zeiden ze tegen me! Kijk, zo’n kennis­making vergeet je niet meer’

‘Tja, dat is wat je krijgt’, schampert hoogleraar economie Maarten Allers. ‘Omdat het zo goed klinkt ga je er al snel veel aan uitgeven. Je kunt tegen de gemeenteraad zeggen: het geld komt terug. Dus die gaan snel akkoord met een extra potje voor nog maar wat meer innovatie of werkgelegenheid.’

Het gevolg: een grote versnippering van geld over fondsen bij allerlei verschillende overheidslagen. ‘Maar het is een illusie dat je de economie kunt stimuleren op regionaal niveau, laat staan gemeentelijk niveau’, zegt Allers. ‘Waar het op neerkomt: lokaal wat baantjes in stand houden die weer verdwijnen zodra het geld op is, en die ten koste gaan van werkgelegenheid ergens anders. Uiteindelijk lekt het geld weg.’

Daar kwam ook de regio Drechtsteden achter. In de Zwijndrechtse gemeenteraad ontstond heibel toen bleek dat het ‘miljoen van Korteland’ waarschijnlijk bij Rotterdamse bedrijven terechtkwam, die er misschien wel Poolse arbeidskrachten mee inhuurden. Dat was niet de bedoeling! Het negenvoudig terugverdienen, zoals de wethouder beloofde, viel ook tegen. GroenLinks ontdekte dat het niet bij een eenmalig miljoen blijft. Jaarlijks moet er een ton bijgestort worden. ‘Dat is een verrassing.’

Dat het geld in een revolverend fonds altijd weer terugkomt, is een mythe. Uit ons onderzoek blijkt dat het moeilijk is om de publieke fondsen daadwerkelijk revolverend te krijgen. Zo daalde de waarde van het Topfonds van PPM Oost tussen 2013 en 2015 met 22 miljoen. Van de 132 bedrijven waarin PPM Oost tot 2011 in investeerde doen momenteel 46 bedrijven het goed. Meer dan de helft ging failliet, heeft een zwaar negatief eigen vermogen of draait verlies, blijkt uit een analyse van gegevens uit de Kamer van Koophandel. Bij de Brabantse bom zijn de cijfers vergelijkbaar. Het bedrijf investeerde tussen 1998 en 2014 in 102 bedrijven: een negende van de ondernemingen is verkocht met winst, twee negende met verlies, een derde is failliet en een derde is nog in portefeuille. En van de tachtig miljoen die de bom tot 2015 investeerde, is volgens de jaarcijfers nog maar de helft over.

Het verbaast Peter Roosenboom niet. Volgens de hoogleraar ondernemersfinanciering ligt het voor de hand dat publieke fondsen het gemiddeld slechter doen dan hun private broeders: ‘Ze zijn niet alleen gericht op het behalen van rendement maar streven ook niet-financiële doelen na.’ Daarnaast is de druk om rendement te behalen minder groot. ‘Private partijen investeren met eigen geld, met geld dat ze ophalen bij pensioenbeheerders, vermogende mensen, institutionele beleggers. Als die beleggers het rendement onvoldoende vinden, dan stoppen ze nooit meer iets in jouw fonds. Reputatie is voor private investeringsfondsen heel belangrijk. Bij publieke fondsen is die prikkel minder sterk.’

Goede fondsbeheerders zijn schaars en de besten verdienen goud geld in de commerciële private equity. Dat marktmechanisme maakt publieke fondsen duur. Zo kost het Innovatiefonds van de BOM in de 25 jaar dat het loopt, opgeteld 50 miljoen. Bij het dggf, het fonds dat ontwikkelingswerk revolverend moet maken en waarvan adviesgigant PwC mede-fondsbeheerder is, ging de afgelopen jaren elf procent van het geïnvesteerde kapitaal op aan fondskosten.

Medium groene medicijnen

‘De banken krijgen het geld echt door de strot geduwd’, zegt econoom Maarten Allers van de Rijksuniversiteit Groningen. ‘De ecb pompt geld in de markt, de rentes zijn laag. Dus hoe zou er dan een gebrek aan geld kunnen zijn?’ Toch is dat het belangrijkste argument om revolverende fondsen op te richten. Banken en investeerders durven niet, dus doen wij het als overheid. In 2014 was 48 procent van het kapitaal in venture-capitalfondsen (die specifiek investeren in risicovolle start-ups) belastinggeld, blijkt uit cijfers van brancheorganisatie nvp. In 2015 waren de publiek gefinancierde rom’s betrokken bij liefst 58 procent van het aantal investeringen in start-ups. Op Europees niveau groeien de potten navenant. Voor de investeringsperiode 2007-2013 zat er zestien miljard euro in revolverende fondsen. Voor de periode 2014-2020 is dat bedrag gegroeid naar liefst 61,3 miljard.

November 2016 houdt de nvp in De Hermitage een seminar. Directeur Tjarda Molenaar laat een plaatje zien met alle fases van de financiering van een onderneming. Van start-up op de zolderkamer tot beursgenoteerd bedrijf. Verspreid over die financieringsketen zitten witte vlekken, fases waarin bedrijven moeilijk aan geld kunnen komen. ‘Afgelopen jaren heeft de Nederlandse overheid veel gedaan om de financieringsketen te versterken. Maar wij denken dat er nog een gat is aan het eind van de veecee’s (venture-capitalfondsen – red.).’

De volgende spreker is Pieter Waesdorp, topambtenaar van het ministerie van Economische Zaken. Hij kondigt prompt een nieuwe pot aan van tweehonderd miljoen, om de witte vlek die de nvp ziet mee op te vullen. Applaus uit de zaal.

Later die middag, in een paneldiscussie, komt het gesprek op de rol van de overheid. Een woordvoerder van stichting StartupDelta, die zich inzet voor startende ondernemingen: ‘Volgens mij is kapitaal niet het grootste probleem. Kapitaal is er, het is een global commodity. En als er een aantrekkelijke opportunity is, dan komt dat kapitaal wel naar Eindhoven of Amsterdam.’

‘Maar waarom staat Pieter hier dan?’ vraagt de moderator, wijzend op de EZ-ambtenaar.

‘Ja, euh, dat moet je niet aan mij vragen’, antwoordt de jongen van StartupDelta. ‘Kapitaal moet er zijn. Maar op dit moment is een van de grootste problemen: personeel. Goede techneuten en goede ondernemers.’

Zo neemt de overheid die mee-investeert in fondsen een flink deel van het risico weg voor de andere private investeerders. Dat is ongezond, zegt De Boeck, die zelf niet met overheidsfondsen werkt: ‘Als je te veel geld in de markt pompt, houd je de brokkenpiloten in stand. Er is al zoveel kapitaal op zoek naar goede investeringen. Dus voor goede ideeën is altijd wel een investeerder te vinden.’

Econoom Maarten Allers schetst de potentieel desastreuze gevolgen. ‘Zoveel geld in de markt pompen is een antwoord op een situatie van tien jaar geleden, toen het crisis was. Nu is het hoogconjunctuur, en ga je extra geld verbranden. Dan weet je dus dat er luchtbellen worden opgeblazen. Dat geld gaat ergens heen: in vastgoed en aandelen. De Spaanse huizenbubbel kwam ook doordat Spanje zo goedkoop kon lenen. Toen hebben ze een miljoen huizen te veel gebouwd. Hele wijken waar nooit iemand heeft gewoond.’

De Phileas moest een zelfsturende bus worden, die stil en schoon door de binnensteden van de wereld zou gaan rijden. Een prestigieus project dat vanaf de start in 1998 werd overladen met geld uit Den Haag, Brussel, de provincie Brabant, de gemeenten Eindhoven en Veldhoven en het sre (Samenwerkingsverband Regio Eindhoven). Het Helmondse apts, een dochterbedrijf van vdl, mocht de duurzame bus bouwen.

‘Je hebt niks aan miljarden in revolverende fondsen, als er niet genoeg goede ideeën zijn om in te investeren’

Met zoveel steun leek niets onmogelijk. Helaas ging het al mis bij de speciaal aangelegde busbaan naar Eindhoven Airport. Die was zo ontworpen dat mensen met kinderwagens of rollators niet konden uitstappen. Vervolgens werkten de hybride motoren niet, waren de ontwerpers de stopknopjes vergeten, bleek het moeilijk bussen te laten rijden zonder chauffeur en kwam de futuristische bus in Istanbul de heuvel niet op.

apts had zich in de nesten gewerkt. Het bedrijf had over de hele wereld met veel bombarie voor tientallen miljoenen peperdure bussen verkocht die in de verste verte niet voldeden. Afnemers weigerden te betalen en een faillissement leek in aantocht. Reden voor het ministerie van Economische Zaken om er in 2010 vanuit het Innovatiekrediet toch maar weer vijf miljoen euro tegenaan te gooien. Het Innovatiekrediet is een revolverend potje speciaal bedoeld voor het mkb. Terugbetalen hoeft enkel als het project geld oplevert. Om die reden wordt extra streng gekeken naar het commerciële perspectief van het project, meldt het jaarverslag uit 2010.

Maar als het er commercieel allemaal zo veelbelovend uitzag, waarom stopte het familiebedrijf van miljardair Wim van der Leegte er dan zelf niet die laatste vijf miljoen in? En waarom zou een dochterbedrijf van multinational vdl – drie miljard omzet in 2015 – niet aan kapitaal kunnen komen?

Het belastinggeld uit de Innovatiekredietpot keerde het tij niet. In 2014 vroeg vdl het faillissement aan. De multinational kocht uit de boedel voor een tiende van de verkoopprijs de laatste Phileas-bus, nam de vijftien werknemers over en stortte zich in een nieuw, zwaar gesubsidieerd bussenproject. Inmiddels gaat het goed met elektrisch aangedreven bussen. vdl zegt op dat vlak een wereldspeler te willen worden. In Eindhoven kreeg het alvast een flinke opdracht. Het mag veertig e-bussen bouwen voor het traject naar Eindhoven Airport, de route waar voorheen de Phileas-bussen reden.

Het is weer de omgekeerde weg. Als overheid investeer je eindeloos in een project, lukt het eindelijk, dan strijkt het grootbedrijf de winsten op.

Voorjaar 2015 opent in Roermond een nieuw overdekt 3D-attractiepark: Yumble. Bezoekers kunnen er terecht voor een adrenalineshot in ‘The Lift of Horror’, de frustraties van alledag van zich af knallen in schietsimulator ‘The Dome Asteroids’, of tot rust komen bij een digitaal aquarium met geprojecteerde vissen. Het idee is toeristen uit het Duitse achterland te trekken. Die kunnen een bezoekje mooi combineren met het naastgelegen outlet-winkelcentrum.

Maar die bezoekers komen niet. Wie een dagje outletshoppen heeft gepland, gaat niet óók nog de 3D-hal in. De entree van 16,50 euro is veel te duur. Achteraf blijkt dat een onafhankelijk onderzoeksbureau daar al voor had gewaarschuwd. Toch investeerde de Limburgse industriebank Liof twee miljoen euro publiek geld in Yumble.

Vier maanden na de opening gaat Yumble failliet. De pvv in de Limburgse Provinciale Staten is boos. De fractie wil dat het provinciebestuur alles op alles zet om publiek geld dat is verkwist door mismanagement bij het indoorpretpark terug te halen. Het antwoord van Gedeputeerde Staten is kort: ‘Het nemen van investeringsbeslissingen is een eigen autonome verantwoordelijkheid van Liof. De provincie Limburg heeft niet geïnvesteerd in Yumble.’

Met de revolverende fondsen schakelen bestuurders de democratische controle uit. Niet alleen de volksvertegenwoordiging, ook de bestuursrechter – die subsidiebesluiten toetst – heeft het nakijken. Hoogleraar staatsrecht Willemien den Ouden maakt zich daar grote zorgen over: ‘De bestuursrechter is relatief goedkoop, je hoeft geen advocaat mee te nemen. Dat zijn allemaal procedures die zijn ingericht op de gedachte: dit is publiek geld, dat moet transparant, verantwoord en effectief. En als je het er niet mee eens bent, moet je er iets tegen kunnen doen.’

Door geld in aparte bv’s onder te brengen, omzeilt de overheid het bestuursrecht. ‘Dat is wat nu op grote schaal gebeurt’, zegt Den Ouden. ‘De overheid zegt: dit is geen subsidie, dit is iets anders, iets zakelijks. Een lening bijvoorbeeld, of een deelneming. En dan geldt het privaatrecht, zoals dat ook tussen burgers en bedrijven geldt. Als ik aan jou geen lening wil verstrekken omdat ik jouw bril lelijk vind, dan mag dat. De overheid mag dat in principe niet. Tenzij ze geld in aparte fondsen onderbrengt.’

Het gevolg is dat er een juridisch vacuüm ontstaat, waarschuwt Den Ouden. Met een voorbeeld laat ze zien wat de gevolgen zijn – en dat het niet altijd om heel grote financiële belangen hoeft te gaan. ‘Het bestuur van een Amsterdamse deelgemeente had – heel hip – besloten om subsidies voor vrijwilligerswerk voortaan door bewoners zelf te laten verdelen. Iemand die altijd subsidie kreeg voor fietslessen aan Marokkaanse vrouwen deed een aanvraag, maar de wijkbewoners vonden het te duur en gaven maar de helft. De fietsleraar stapte naar de bestuursrechter, maar die zei: het is niet de overheid die hier bepaalt wie geld krijgt, dat zijn de wijkbewoners. En dus is het bestuursrecht niet van toepassing.’ Voor revolverende fondsen geldt hetzelfde. Fondsmanagers bepalen wie geld krijgt en wie niet. Belanghebbenden die het met die besluiten niet eens zijn, hebben in de rechtszaal geen poot meer om op te staan.

Het is krom dat een bedrijf als Apple miljarden verdient met producten die grotendeels met belastinggeld zijn ontwikkeld. Terecht stelt econome Mariana Mazzucato dat de overheid moet nadenken over hoe ze financieel kan meeprofiteren van zulke commerciële successen. Maar de oplossing om dan maar zelf als durfkapitalist te gaan optreden – want dat is waar de werkwijze van veel revolverende fondsen op neerkomt – is te simpel.

En er kleven grote risico’s aan: democratische en juridische controlemechanismen worden buitenspel gezet, wat willekeur en oneigenlijk gebruik van publiek geld in de hand werkt. Te veel geld in de markt pompen kan leiden tot financiële bubbels. Er is een permanente spanning tussen maatschappelijke doelstellingen van de overheid en de wens een financieel rendement te halen.

Aan welke maatschappelijke projecten de overheid geld uitgeeft, wordt bepaald door vorstelijk betaalde fondsmanagers die de initiatieven ‘langs de ondernemerslat’ leggen. Is er geen gerede kans dat plannen geld opleveren, dan gaan ze niet door. Het betekent de doodsteek voor publieke voorzieningen waarvan de economische meerwaarde niet direct is aan te tonen: cultuur, onderwijs, fundamenteel onderzoek.

Als het aantal nieuwe fondsen blijft doorgroeien als nu dreigt de financialisering van de democratie. Het is maar de vraag of dat ook leidt tot de zo vurig gewenste nieuwe innovaties en economische groei. ‘Je hebt niks aan miljarden in revolverende fondsen, als er niet genoeg goede ideeën zijn om in te investeren’, zegt hoogleraar finance Peter Roosenboom. ‘Een overheid moet zich eerst en vooral op die ideeën focussen. Door te investeren in onderwijs, ontwikkeling en fundamenteel onderzoek. Daar ontstaan de ideeën die daarna commercieel gebruikt kunnen worden.’


*Met medewerking van Mark Coelen.

Dit onderzoek is mede mogelijk gemaakt door Fonds 1877*