De overige 99 procent

Op 2 augustus 1914 schrijft Kafka in zijn dagboek: ‘Duitsland heeft Rusland de oorlog verklaard. – ’s Middags naar het zwembad.’

Medium orwell

Het geeft de keuze weer die elke dagboekschrijver moet maken: noteer ik mijn persoonlijke problemen, of wat er in de wereld gebeurt? Is dat onderscheid strikt te maken? En gaat het om een bewuste keuze? George Orwell (1903-1950) beantwoordde die vragen bewonderenswaardig methodisch. In de dagboeken die hij tussen 1931 en 1949 bijhield, ging hij strikt thematisch te werk, als een geconcentreerde observator. De selectie die nu in de reeks Privé-domein verschijnt, is dan ook samengesteld uit verschillende soorten dagboeken. Verslagen van de politieke ontwikkelingen voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog worden afgewisseld met ‘huishouddagboeken’ over tuinieren en met studies over het leven van armoedzaaiers.

Eind 1931 publiceert Orwell – dan nog onder zijn echte naam Eric Blair – het korte artikel Hop-picking. ‘Een hopplukker’, zo is zijn besluit, ‘is overduidelijk slechter af dan een sandwichman.’ Tot dat inzicht is hij gekomen door in augustus van hetzelfde jaar hopplukker te worden in Kent, en door een dagboek bij te houden. Hij ondervindt aan den lijve de moeilijke levensomstandigheden, hoewel hij zijn ouders om geld kan vragen als de nood hoog wordt. Die luxe ontberen zijn collega’s – zigeuners, landarbeiders en zwervers. Orwell, kind van wat hij omschreef als ‘lower-upper-middle class’, valt uit de toon, wat hem niet eens kwalijk wordt genomen. ‘Nadat ik een paar dagen met deze mensen had opgetrokken’, schrijft hij, ‘werd het me te vervelend om mijn cockney-accent te gebruiken, en ze merkten dat ik “anders” praatte. Zoals gewoonlijk zorgde dit ervoor dat ze nog vriendelijker werden, want deze mensen lijken te denken dat het extra beroerd is om “af te zakken in de wereld”.’

Het is een van de weinige opmerkingen die over zijn eigen situatie gaan: hij beschrijft vooral de anderen, zoals de ‘sombere schooier’ George, met als levensmotto: ‘Voor mensen als wij heeft het geen zin om mooie ideeën te hebben.’ ‘Ik ken die opvattingen goed’, schrijft Orwell, ‘want ik heb ze vaak gehoord van de bordenwassers in Parijs.’ In 1929 had hij ginds tien weken lang onderzoeksjournalistiek verricht – een ervaring die hij beschreef in Down and Out in Paris and London, zijn debuut in boekvorm uit 1933.

Uit alles wat hij in deze jaren noteert, blijkt zijn onvoorwaardelijk sociaal engagement. De dagboeken tonen Orwell als een schrijver die ervan overtuigd is dat iedereen gevormd wordt door maatschappelijke en politieke omstandigheden. Een mens wordt bepaald door de arbeid die hij verricht, of waartoe hij door de samenleving wordt verplicht. In 1936 reist Orwell naar Noord-Engeland. Zijn precieze beschrijvingen van de activiteiten van mijnwerkers (en de gevolgen ervan) zijn indrukwekkend: ‘Ik was verbaasd over de hoeveelheid vuil en hoe moeilijk het was om het af te wassen.’ Hij beseft dat hij thuis in een warm bad kan weken, terwijl er niet eens badhuizen voor mijnwerkers bestaan.

Nu en dan breekt de schaamte door, maar zoals steeds leidt die bij hem allesbehalve tot een persoonlijke crisis. Veeleer wordt alles in een politiek kader geplaatst, en stelt hij zich de vraag wat er gedaan kan worden om de toestand te verbeteren. Orwell betreurt het dat er zo weinig krachtdadig wordt overlegd op een bijeenkomst van werkloze arbeiders: ‘Ik denk dat het publiek een aardige doorsnede vormde van het meer revolutionaire element in Wigan. Als dat zo is, moge God ons bijstaan! Er is geen oproerigheid meer in Engeland.’ De grootste publieke deining veroorzaakt een lezing van de Britse fascist Oswald Mosley, die tot ontzetting van Orwell succesvol steun zoekt bij de arbeiders: ‘Het viel me op hoe gemakkelijk het is een weinig ontwikkeld publiek in de luren te leggen wanneer je van tevoren een reeks antwoorden hebt voorbereid om lastige vragen te ontwijken.’ Bovendien wordt elke kritische stem in het publiek, hoe zeldzaam ook, met efficiënt geweld het zwijgen opgelegd.

‘De hele tijd heb je het gevoel dat je tegen een onwrikbare muur van stommiteit staat te trappen’

Eind jaren dertig wil Orwell meer doen dan registreren, en hij gaat vechten in de Spaanse Burgeroorlog. Hij leert er de dictatoriale aard van het stalinisme kennen, maar dagboeken uit deze periode, als ze al bestaan, zijn niet beschikbaar. Zijn roman Nineteen Eighty-Four is niet uit de lucht komen vallen: in een staatsarchief in Moskou liggen naar verluidt nog steeds notitieschriftjes van Orwell achter slot en grendel. Het is opvallend hoe hij zich, vrijwel meteen na zijn periode als soldaat, aan de maatschappelijke en politieke deining onttrekt; het leidt tot een ‘Marokkaans dagboek’ en een ‘huisdagboek’. De schrijver zaait tuinbonen, noteert kalm dat geit Muriel een liter melk heeft gegeven, en dat zijn hond Marx bang is voor een slang. Of de poedel naar Groucho of Karl is genoemd, is nog steeds voer voor discussie onder orwellianen. In elk geval is het onmogelijk om bij deze bladzijden niet aan de dierenhuishouding in Animal Farm uit 1945 te denken. De ideologische lading van die roman is terug te vinden in het ‘dagboek van de gebeurtenissen die uitmonden in de oorlog’, dat Orwell midden 1939 aanvat, en in de twee oorlogsdagboeken, geschreven tussen 1940 en 1942.

Wat leert een mens uit de oorlog? De observaties van Orwell zijn bijna overwegend ‘mediaal’: hij is voortdurend gefrustreerd over de onbetrouwbare informatie die tot het Verenigd Koninkrijk doordringt, en over de vaak zinloze propaganda die de binnenlandse pers op de bevolking afvuurt – een praktijk waartoe hij als medewerker van de bbc tegen beter weten in bijdraagt. Hij wil opnieuw soldaat worden, maar zijn slechter wordende gezondheid laat dat niet toe.

Toch wordt zijn somberte nooit existentieel, literair of psychologisch, wat in een schrijversdagboek uitzonderlijk mag heten. Als hij in de put zit, dan is dat enkel zo omdat te weinig mensen beseffen dat Hitler niet ‘de vriend van de armen’ is, maar ‘de leider van een tegenaanval van de kapitalistische klasse’. Ook over de Britten windt hij zich op, en over hun apathie tegenover het wereldconflict: ‘De hele tijd heb je het gevoel dat je tegen een onwrikbare muur van stommiteit staat te trappen. Elk Europees land in onze geografische situatie zou al lang om vrede hebben geschreeuwd.’ De armen worden bedrogen en snappen niets van de goede bedoelingen van Churchill; de rijken beklagen zich over oorlogsbesparingen, zoals een lady uit Oxford die in een lezersbrief jammert dat zoveel mensen hun kokkin hebben moeten laten gaan. De reactie van Orwell: ‘Blijkbaar leren deze mensen nooit dat de overige 99% van de bevolking bestaat.’ En toch schrijft ook hij, in een jaar zonder royalty’s waarin hij desondanks veel geld moet afstaan aan de overheid: ‘Niemand is vaderlandslievend waar het belastingen betreft.’

Na 1942 werkt hij aan de romans die hem wereldberoemd zullen maken. In 1946 verblijft hij op het kleine Britse eiland Jura. Het leidt tot een ‘Juradagboek’ en tot nieuwe huishouddagboeken, vol mooie beschrijvingen van fauna en flora. Vanaf 1948 wordt hij volledig in beslag genomen door voortwoekerende tuberculose. Hoewel pas 45 jaar oud, maakt hij een lijstje van pijnlijke ‘dingen die in je jeugd niet als onderdeel van de middelbare leeftijd te voorzien zijn’. Zijn notities, voornamelijk over het leven in een sanatorium, worden steeds zeldzamer. Op 8 juni 1949 wordt Nineteen Eighty-Four gepubliceerd; Orwell overlijdt op 21 januari 1950. Deze dagboeken tonen dat zijn veel te korte leven het minste van zijn zorgen is geweest. In een tijd waarin het bestaan van een samenleving steeds meer wordt ontkend, is lectuur ervan een confronterende ervaring.


Medium bkorwell

George Orwell: Dagboeken 1931-1949. De Arbeiderspers, 304 blz., € 35,-


Beeld: Engeland, Walberswick-strand, 1934. ‘De schrijver zaait tuinbonen en noteert dat zijn hond bang is voor een slang’ (ANP).