Amsterdam-Noord verhipt in hoog tempo

De oversteek van de nieuwe Noorderlingen

Jarenlang werd Amsterdam-Noord gezien als een verloren stuk land aan de overkant van het water. Maar met Eye, de Tolhuistuin en allerhande creatieve initiatieven verandert het snel in een toplocatie. ‘Andere buurten zijn jaloers.’

Het terras van Il Pecorino loopt langzaam vol. Jongens en meisjes van twintig en dertig strijken neer aan de picknicktafels op het Van der Pekplein in Amsterdam-Noord. Hoewel verderop de moderne woontorens van Overhoeks en het iconische spierwitte gebouw van film­instituut Eye te zien zijn, voelt het als een dorpsplein. De zon schijnt, de straat is groen, ruim en rustig, de sfeer gemoedelijk. Eigenaar Mick Sonnenfeld lacht en zwaait naar bekende klanten en voorbijgangers. ‘Ik ken inmiddels ongeveer heel Noord’, zegt hij tevreden.

Na een carrière in de marketing besloot Sonnenfeld vier jaar geleden dat het tijd was voor iets anders. ‘Ik wilde iets met eten gaan doen. Iets wat dicht bij de natuur stond.’ Uiteindelijk kwam hij, aangespoord door woningbouw­corporatie Ymere, in de Van der Pekbuurt terecht, sinds 2007 een echte Vogelaarwijk. En vanaf het centrum van de stad, aan de andere kant van het IJ, de eerste buurt die je tegenkomt. ‘Ymere doet er alles aan om de Van der Pekbuurt opnieuw op de kaart te zetten. Ze zien hoeveel potentie het heeft.’

Sonnenfeld, een geboren Amsterdammer met wortels in België en Hongarije en een verleden in Parijs en Antwerpen, noemt zichzelf een nieuwe Noorderling. Hij maakt deel uit van een steeds groter wordende groep jonge gezinnen die sinds een jaar of tien de sprong over het IJ waagt. Hij deed het acht jaar geleden. ‘We woonden op een dubbele bovenwoning vlak bij het Vondelpark, maar met een klein kind en een tweede op komst zagen we het niet zitten om daar te blijven. We wilden een benedenhuis met een tuin.’ In Amsterdam een bijna onbetaalbare wens. ‘Bij ons in de buurt konden we het wel vergeten. Noodgedwongen zijn we gaan kijken in Amstelveen en het Gooi, maar dat sprak ons niet aan. Op een gegeven moment zijn we toch maar in Noord gaan kijken. Ik was daar in mijn leven denk ik twee keer geweest. Voor mijn gevoel hoorde het niet bij Amsterdam.’

Sonnenfeld en zijn vrouw vielen voor een nieuwbouwwoning met tuin, dicht bij de weilanden van Waterland. ‘Ik had nooit gedacht dat ik in Noord zou gaan wonen. Maar ik had ook nooit gedacht dat ik een nieuwbouwhuis zou kopen. En dat is ook gebeurd.’

Het is een trend die steeds duidelijker zichtbaar wordt. Jonge gezinnen vertrekken minder vaak uit de stad, zo werd maar weer eens bevestigd in het artikel Gentrifiers Settling Down? van promovendus Willem Boterman van de Universiteit van Amsterdam. ‘Onderzoeken onder middenklasse-gezinnen in de stad hebben aangetoond dat het stedelijk leven in opkomst is, in reactie op de kansen en moeilijkheden van het moderne gezinsleven.’ In een modern stedelijk leven worden twee banen, meerdere kinderen en een actief sociaal en cultureel leven met elkaar gecombineerd. Dat is alleen mogelijk als huis, werk, school, kinderdagverblijf, vrienden, theaters en musea bij elkaar in de buurt zijn.

Bij gebrek aan betaalbare woningen voor een heel gezin en bij nog groter gebrek aan betaalbare woningen met een tuin wagen steeds meer van deze jonge gezinnen de sprong naar het Noorden, dat een jaar of tien geleden nog gold als dat ‘verloren gebied aan de overkant van het water’, zoals wethouder Maarten van Poelgeest het verwoordt.

Ineens dringt bij jonge hoogopgeleide gezinnen het besef door dat oude buurten als de Bloemenbuurt, Disteldorp en de Van der Pekbuurt eigenlijk vlak bij het centrum van de stad liggen. Een minuut of drie met de pont en dan nog een kort stukje op de fiets. En dat de ruime woningen iets verder weg, maar dicht bij het groen toch wel veel te bieden hebben.

Vanaf het terras van Il Pecorino is de nieuwe overkapping van het Centraal Station goed te zien. Net als de imposante torens van de Posthoornkerk aan de Haarlemmerstraat in het centrum. Ze lijken vlakbij. ‘Ik denk dat de Van der Pekbuurt in de toekomst een verlengstuk is van het centrum. Als je door de problemen heen kijkt, zie je de locatie en de bijzondere jaren-dertigarchitectuur. Met de aanhoudende druk op de woningmarkt kan het niet anders dan dat de buurt heel populair wordt’, zegt Van Poelgeest dan ook.

Wie had dat gedacht toen de Van der Pekbuurt vijf jaar geleden werd bestempeld tot Vogelaarwijk. Op de lijst van veertig meest problematische wijken van het land nam de wijk de twintigste plek in. Ze kampte met hoge werkloosheid, veel criminaliteit en overlast, grote kansarme gezinnen, verloedering van de woningen en weinig optimistische vooruitzichten. En aan die problemen is de afgelopen jaren maar weinig veranderd. De straten zijn wat schoner en een groepje hangjongeren dat veel overlast veroorzaakte is volwassen geworden. Maar dat is het wel. De potentie van de buurt zit dan ook niet direct in het oplossen van de problemen, maar in het vervangen van de bewoners.

‘Over tien jaar woont hier een heel ander publiek’, stelt Sonnenfeld. ‘Kijk maar naar mijn klanten. Allemaal creatieven.’ De jonge vrouwen aan de voorste tafel werken bij Eye, weet hij. Buurtbewoner Chris, die net binnenliep, ‘doet ook iets creatiefs’. En navraag leert dat de vier twintigers aan de tafel achter hem werken bij Boomerang, van de gratis ansichtkaarten in het café. Inderdaad allemaal young urban professionals, yuppen.

Amsterdam-Noord, het grondgebied van Amsterdam ten noorden van het IJ, beslaat bijna een kwart van het totale oppervlak van de gemeente, maar telt niet meer dan 86.000 inwoners, iets meer dan tien procent van de totale populatie van de stad. Het is een combinatie van geannexeerd grondgebied en droogmakerijen in een wirwar van kleine buurten die vaak strikt van elkaar zijn gescheiden. Aangevuld met een flink stuk landelijk gebied met een aantal oude plattelandsdorpen. Ook in het stedelijk gebied van Noord zijn de overblijfselen van een paar plattelandsdorpen terug te vinden.

‘Ik zeg altijd dat Noord bestaat uit de dorpen, de wijken en de dijken’, legt stadsdeel­wethouder Kees Diepeveen van ruimtelijke ontwikkeling uit. ‘De dijken met hun authentieke dijk­huizen zijn de geannexeerde dorpen Buiksloot, Nieuwendam, Schellingwoude en op de grens van stad en land Durgerdam. De wijken zijn de hoogbouwbuurten aan de noordelijke rand van het stadsdeel, die werden gebouwd in de jaren zestig en zeventig, het tijdperk van weder­opbouw en woningnood. Molenwijk, Nieuwendam-Noord en Banne Buiksloot. De dorpen zijn de tuindorpen Nieuwendam, Oostzaan, Van der Pekbuurt, Vogelbuurt, Bloemenbuurt en Floradorp.’ Buurten die in de jaren twintig en dertig werden gebouwd om de groeiende arbeiders­populatie in de stad te huisvesten en ruim opgezette buurten met frisse nieuwe woningen, bijna allemaal met een eigen tuin.

‘In de dorpen wonen de oude Noorderlingen’, zegt Diepeveen. ‘Een echte arbeidersbevolking. In de wijken wonen percentueel heel veel allochtonen en op de dijken woont de middenklasse. Van arts, politicus en kunstenaar tot ambtenaar, verpleegster en onderwijzer.’ En dan zijn er natuurlijk de industriegebieden, tientallen jaren de levensader van Noord. Shell, Fokker, Stork, Kromhout, de Amsterdamse Droogdok Maatschappij (adm) en de Nederlandse Dok en Scheepsbouw Maatschappij (ndsm) en vele andere bedrijven vestigden zich in de loop van de twintigste eeuw aan de noordoever van het IJ, het bloeigebied van de Amsterdamse haven.

‘In de stad was geen plek voor industrie op die schaal’, vertelt Rob van Engelsdorp Gastelaars, emeritus hoogleraar stadsgeografie. ‘Maar aan de overkant van het IJ wel. Dat heette toen helemaal geen Noord, dat was gewoon de overkant van het water. Het was de periferie. Net als Rotterdam-Zuid en Londen ten zuiden van de Theems.’

De industrie leverde veel werkgelegenheid op en trok arbeiders uit Amsterdam en de rest van Noord-Holland, maar ook vanuit Friesland en Groningen naar Noord. Later kwamen daar ook nog de gastarbeiders bij. De allereerste gast­arbeiders in Nederland, een groep Turken, kwam er in barakken terecht. Hoewel de populatie gemiddeld laag was opgeleid en de arbeiderslonen niet overhielden, ging het prima met het land aan de overkant van het water. Tot het begin van de jaren tachtig, het eind van het industriële tijdperk. Gastelaars: ‘De Amsterdamse industrie stortte in. Noord raakte in korte tijd alle fabrieken en werven kwijt en mensen raakten massaal werkloos.’ Van de ruim twaalfduizend banen in de industriële sector in 1974 waren er in 2009 minder dan drieduizend over. ‘Je vindt daar nu veel boze, teleurgestelde mensen, pvv-stemmers’, zegt Gastelaars. ‘Ze zijn laagopgeleid, zijn op hun vijftigste hun baan kwijtgeraakt en ook voor hun kinderen zijn de perspectieven niet best. Om hen heen wonen migranten­gezinnen, die net zo arm zijn als zij, maar die volgens hen in de watten worden gelegd door de overheid.’ Kortom: ‘In Noord wonen de Amsterdammers die de boot gemist hebben.’

Uit cijfers van Dienst Onderzoek en Statistiek van de gemeente Amsterdam blijkt dat van de ruim 86.000 inwoners meer dan 32.000 behoren tot de categorie niet-westerse allochtonen. Van de beroepsbevolking heeft 66 procent werk of is op zoek naar een baan, de rest zit om verschillende redenen thuis. Twintig procent van de gezinnen leeft van een minimuminkomen. Van de totale bevolking van Noord is 58 procent laagopgeleid, slechts twaalf procent heeft hbo of universiteit achter de rug. Een op de vijf middelbare scholieren gaat vroegtijdig van school.

De Van der Pekbuurt voldoet al tientallen jaren precies aan de omschrijving van Gastelaars. Het gros van de bevolking leeft van een uitkering, het opleidingsniveau is bijzonder laag en de voorliefde voor de pvv is groot. Twee woonblokken zijn door woningbouwcorporatie Ymere in 2010 dichtgetimmerd, in afwachting van sloop of renovatie. Een aantal andere blokken wordt tijdelijk bewoond. In de rest van de woningen worden vaak huren betaald van minder dan tweehonderd euro. Het was dan ook opmerkelijk dat eerder dit jaar kort na elkaar Il Pecorino en Café Modern openden, beide aan het Van der Pekplein. Il Pecorino is een trendy Italiaans delicatessencafé, Café Modern een restaurant van de eigenaren van de Goudfazant, al jaren een hotspot voor hippe Amsterdammers, op het voormalige fabrieksterrein van Stork. Ook zijn verderop in de straat sinds kort een kinderboekwinkel, een curiosahandel, een uitzendbureau en een skateshop te vinden. De boetiek voor Marokkaanse bruids- en avondmode is vervangen door een vintagewinkel en de avondwinkel van een gevluchte Iraakse natuur­kundige onderging recent een grondige renovatie.

‘Café Modern zit al vanaf de eerste dag vol’, zegt Sonnenfeld. ‘Met nieuwe Noorderlingen en mensen uit de stad. Net als de Goudfazant. De eigenaren wonen zelf ook niet in Noord, maar zien deze plek als een mooie ruige rafelrand.’ Zelf werkt hij anders. ‘Zij veranderen deze buurt van buitenaf, ik doe het van binnenuit. Ik probeer juist ook laagdrempelig te zijn voor de oude bewoners. Daar heb ik met mijn prijzen rekening mee gehouden. Ik vind ook dat ik verplicht ben dat te doen.’ Bovendien werkt hij zo veel mogelijk met personeel uit Noord. Naciye en Antoinette, de twee dames die vandaag de bediening verzorgen, zijn allebei Van der Pekkers en zaten in de bijstand voordat ze bij Il Pecorino aan de slag konden.

Op een paar honderd meter ten noorden van Il Pecorino zit Elly Nederveld onder een parasol in de voortuin van een piepklein huisje aan het Jac. P. Thijsseplein. Aan haar voeten ligt hond Kootje, op een tafeltje staat een glas limonade en aan haar rechterzijde, aan de andere kant van een klein groen hekje, zit buurvrouw Els. Els heeft een stenen ezeltje aan haar voeten, haar hondje ligt een meter verderop. Voor het huisje van Nederveld staat een rode Canta, het vervoermiddel voor de mindervaliden. Ze kan hem vanuit haar stoel bijna aanraken en dat is maar goed ook. ‘Je wilt niet weten hoe snel spullen hier kunnen verdwijnen. Mijn buurman Theo was eens een uurtje weg en toen hij terugkwam was zijn volledige tuinmeubilair weg.’ Ze voegt er lachend aan toe: ‘Op klaarlichte dag!’ Nederveld kan zich er niet echt druk om maken. ‘Ik heb ijzeren rolgordijnen voor mijn raam en haal mijn tuinstoel altijd naar binnen. Er wordt af en toe wel eens een elektrisch lampje van mijn tafel gestolen, maar daar kan ik wel mee leven.’

Nederveld betrok negen jaar geleden noodgedwongen de oude bejaardenwoning, toen zij en haar man voor de derde keer uit hun huis dreigden te worden gezet. ‘Hij was de liefde van mijn leven, maar bleek een financiële kamikazepiloot.’ Vanuit een luxe eengezinswoning en de ‘koude kak’ in Diemen-Zuid kwam ze tussen de oude Noorderlingen terecht ‘in een woning met de afmetingen van een postzegel’. Van aanpassingsproblemen had ze geen last. Als dochter van een weg- en waterbouwkundig ingenieur bij Shell reisde ze als kind zijn werk achterna. Van Zuid-Afrika naar Qatar. ‘Ik ben een kameleon geworden en praat net zo makkelijk met een aardappel in mijn keel als Afrikaans. Plat Amsterdams gaat me ook prima af.’

Dat laat ze tijdens het gesprek goed merken. Met veel plezier imiteert ze het gedrag en taalgebruik van haar buurtgenoten. Zoals de oude vrouw met een rollator die haar welkom heette in de Van der Pekbuurt. ‘“Kom jij hier wonen?” vroeg ze. Ja, zei ik. “Dan ben ik zo terug.” Het zal wel, dacht ik. Komt ze even later terug met een thermoskan warme chocolademelk en zegt: “Zo’n aangekloven palinggraat als jij moeten we hier niet hebben. Als het waait val je om.”’

Ze oogt gelukkig in haar minuscule voortuintje, van niet meer dan vier vierkante meter. ‘Het is hier zo lekker dorps. Je kent elkaar, mensen zeggen elkaar gedag. Voordat ik hierheen verhuisde, kwam ik nooit in Noord. Dat was een aso-dorp. Er woonde alleen maar schorem en asocialen. Maar Noord kruipt in je bloed. Zelfs met de ME krijg je me mijn huis niet uit’, zegt ze met gevoel voor theater.

De opmerking is een reactie op de ontwikkelingen die zich in de Van der Pekbuurt langzaam hebben ingezet. Als het aan gemeente, stadsdeel en woningbouwcorporatie Ymere ligt, wordt een deel van de woningvoorraad de komende jaren omgezet van sociale huur naar koop en vrije-sectorhuur. Dat zal ten koste gaan van de huidige bewoners en daar zijn de Van der Pekkers zich terdege van bewust. Stadsdeelwethouder Diepeveen legt uit: ‘Het is voor iedereen beter als de wijk een meer gemengde bevolking krijgt.’ Bovendien, benadrukt wethouder Van Poelgeest, wordt niemand gedwongen de buurt te verlaten. Oude bewoners krijgen de eerste optie op de vernieuwde woning. Maar eenmaal omgezet in koop- of vrije-sectorhuurwoning is dat met een uitkering niet meer te betalen.

Het is het vraagstuk dat onvermijdelijk terugkomt bij een buurt die een proces van gentrification doormaakt. Een proces dat in de rest van de stad al in volle gang is of zelfs al bijna is volbracht. ‘One by one, many of the working class quarters of London have been invaded by the middle classes – upper and lower… Once this process of gentrification starts in a district it goes on rapidly until all or most of the original working class occupiers are displaced and the whole social character of the district is changed’, schreef de Engelse sociologe Ruth Glass in 1964. Ze was de eerste die de trend beschreef en gaf het de naam gentrification, verwijzend naar de gentry, de welgestelden. Het was een nieuwe trend die in steden in de hele westerse wereld ongeveer gelijktijdig zichtbaar werd.

In de jaren zestig en zeventig trokken steeds meer gezinnen uit de verouderde steden weg om zich te nestelen in de nieuwe, ruime woningen in de suburbs of, in het Nederlandse geval, de groeikernen. In de stad leidde dit tot toenemende leegstand, verdere verpaupering en daling van de huur- en koopprijzen. Volgens de verwachtingen zouden in de stad enkel kans­lozen achterblijven, die geen mogelijkheid zagen een woning buiten de stad te verkrijgen. Maar in de praktijk bleek er met de opkomst van de dienstenindustrie een nieuw soort stedeling te ontstaan met een onverwachte levenstijl. Afgestudeerden die tegen de oude wetten in niet direct trouwden en een gezin stichtten, maar als alleenstaande of onwettig samenwonende in de stad bleven hangen. Zij maakten hun keuzes op basis van lifestyle en careerism in plaats van het meer gangbare familism, zo vatte hoogleraar stadsgeografie Michiel Wagenaar het in 2003 samen in zijn artikel Bourgeois-bohème.

In combinatie met de vrouwenemancipatie resulteerde dit in het dinky-_gezin: _double income, no kids yet en een stadscultuur die steeds meer gedomineerd werd door yuppies. Hij citeert de vooraanstaande Amerikaanse stadsgeograaf Paul L. Knox, die uitlegt dat deze nieuwe petit bourgeoisie bestaat uit ‘people directly involved in cultural production – authors, editors, radio and TV producers and presenters, magazine journalists’. De groep manifesteerde zich in verwaarloosde delen van het stadslandschap van New York, waar niet alleen (goedkope) woonruimte te vinden was, maar ook verlaten bedrijfsgebouwen zoals kleine fabrieken en pakhuizen, die na verbouwing tot lofts al snel de toon zetten in woonbladen en lifestyle-tijdschriften. Later voegden ook jonge ict-specialisten zich bij het gezelschap.

De onderzoeksgroep waar Rob van Engelsdorp Gastelaars toe behoorde, was de eerste die in Nederland onderzoek deed naar het fenomeen. Hij vertelt: ‘Halverwege de jaren zeventig probeerden we financiering te krijgen voor een onderzoek naar gentrification, maar we werden voor gek verklaard. Ze geloofden niet dat er mensen waren met een gemiddeld inkomen die er bewust voor kozen in de stad te blijven. Ik heb ze uitgelegd dat we in een nieuwe tijd waren beland, waarin de bevolkingsgroepen niet meer door afkomst en inkomensgrenzen van elkaar gescheiden zijn, maar door levensstijl. De suburbanen en de nieuwe stedelingen zijn niet door horizontale maar door verticale lijnen van elkaar gescheiden.’

Het onderzoek kwam er toch en leidde in 1981 tot de allereerste Nederlandse publicatie over het onderwerp: Gentrification: Keert de woonelite terug naar de stad? van Cees Cortie en Jacques van der Ven. Zij beschrijven het proces van gentrification aan de hand van drie fases. De eerste fase waarin ‘enkele risicoveronachtzamende huishoudens (…) oude huizen kopen in een verwaarloosde buurt, waar de prijzen laag zijn geworden’. De kunstenaars, studenten en muzikanten, de bohémiens. In de tweede fase breidt deze groep zich uit naar academisch geschoolden die hebben begrepen dat de buurt in opkomst is, een vervallen huis kopen en dit opknappen, in de wetenschap dat ze het met winst kunnen doorverkopen. Als de buurt al flink is opgeknapt, de straten er mooi bij liggen en het succes algemeen bekend is, volgt de laatste fase. De risicolozen die op zoek zijn naar een mooie woning in een leuke buurt en bereid zijn daar flink voor te betalen.

In Londen was de nieuwe trend als eerste zichtbaar in voormalige arbeidersbuurten als Islington en Notting Hill, in New York gebeurde het al vroeg in Greenwich Village. Niet veel later was ook de Amsterdamse Jordaan aan de beurt. Destijds een van de armste buurten van de stad. In 1971 had tachtig procent van de woningen een jaarlijkse huurwaarde van minder dan 1200 gulden, omgerekend 544 euro. De leegstand, de prijzen en de ligging in het hart van de stad maakten de buurt ideaal voor bohémiens, studenten en starters op zoek naar een betaalbare woning en een levendig bestaan. Anno 2012 ligt de gemiddelde vierkante-meterprijs van een koopwoning rond de vijfduizend euro, een van de hoogste gemiddeldes van het land.

‘Met mijn studenten liep ik de laatste tijd vaak een wandeling van de Elandsgracht in de Jordaan in een rechte lijn naar de rand van de stad. Over de Kinkerstraat en de Postjesweg naar Slotervaart’, vertelt Gastelaars. ‘Veertig jaar geleden begon je dan in de armste wijk van de stad en werd het naar buiten toe steeds iets beter, met Slotervaart als hoogtepunt. Nu is dat precies andersom. De elite woont in de Jordaan en in Slotervaart vind je bijna alleen maar de armste groepen van de stad.’

De verandering van Noord wordt versneld door de komst van de Noord/Zuidlijn en door de bouw van nieuwe bouwprojecten als Elzen­hagen, de Bongerd, het nieuwe centrumgebied bij het eindpunt van de Noord/Zuidlijn, en vooral Overhoeks, een prestigieuze nieuwe wijk waar appartementen zijn te vinden die bij de duurste van de stad horen. Ze bieden uitzicht op het IJ en de binnenstad. Eye ontpopte zich binnen een paar maanden tot een ware publiekstrekker voor bezoekers uit binnen- en buitenland. ‘De komst van Eye heeft voor Noord een enorme symboolwaarde’, stelt wethouder Diepeveen. ‘Voorheen kreeg Noord alleen de voorzieningen waar elders in de stad geen plek voor was. Industrie, een galgenveld, onaangepasten. Op het Eye zijn andere buurten jaloers. Het geeft aan dat de stad wil investeren in Noord.’

Direct achter Overhoeks, op steenworp afstand van de Van der Pekbuurt, ligt het oude industrieterrein Buiksloterham, waar in de loop der jaren al veel creatieve bedrijven zijn neergestreken en dat geleidelijk aan transformeert tot modern stedelijk gebied. Om het oorspronkelijke ruige karakter te behouden, mogen oude bedrijven blijven en om te zorgen dat het levendig wordt, moeten woningen en bedrijven zo veel mogelijk worden gemengd. Een flink aanbod aan zelfbouwkavels en een bestemmingsplan dat niet uitgaat van een eindpunt, maar van een startpunt, maken het experimentele karakter compleet. Geen glimmende maquette die laat zien wat de toekomst brengt, enkel een basispakket aan infrastructuur en voorwaarden. Aan de markt, de bewoners en de bedrijven de taak om het gebied in te vullen.

‘Heel spannend’, vindt verantwoordelijk stedenbouwkundige Pieter Klomp. ‘Door de crisis gaat het langzamer dan verwacht, maar het heeft veel charme. Wie zijn wij om te bedenken hoe de stad eruit moet zien? We zijn geïnspireerd geraakt door de creatieve bedrijfjes die zich al in dit gebied hadden gevestigd. In dit gebied is veel ruimte voor eigen initiatieven.’ Zoals overal waar de stad het aanbiedt, vliegen de zelfbouwkavels als warme broodjes over de toonbank.

Vijftig jaar geleden waren de Van der Pekbuurt en de Florabuurt arbeidersbuurten en woonden in de flatwijken aan de rand van het stadsdeel middenklassegezinnen. Tegenwoordig behoren de flats tot de minst populaire woningen in de stad en veranderen de tuindorpen langzaam maar zeker in gewilde middenklassebuurten. Cijfers van Dienst Onderzoek en Statistiek van de gemeente Amsterdam tonen aan dat de buurten een bovengemiddelde stijging van het aantal ‘nieuwe stedelingen’ laten zien. In de Vogelbuurt steeg het percentage tussen 2007 en 2012 van 13,1 naar 18,7 en in de Bloemenbuurt van 10,9 naar 14,8. Significante veranderingen, mogelijk gemaakt door het omzetten van sociale huurwoningen in koopwoningen. Een proces dat in de Van der Pekbuurt door de slechte staat van de woningen nog op zich laat wachten.

Het pionierswerk van de eerste fase van gentrification werd in Noord verricht door de kunstenaars en cultureel ondernemers die zich in de eerste jaren van het millennium vestigden in de leegstaande gebouwen van dendsm-werf, later in de vervallen panden van het oude industrieterrein Buiksloterham en op het oude fabrieksterrein van Stork en door de Tolhuistuin, een nieuw cultureel centrum aan de oever van het IJ, recht tegenover het Centraal Station. Zij trokken steeds meer publiek naar de andere kant van het water ‘en veranderden zo de mental map van Noord in mensen hun hoofd’, aldus Jan Nijman, directeur van het Centre for Urban Studies aan de UvA.

Driehonderd meter ten zuiden van het terras van Il Pecorino zit Chris Keulemans op een bankje aan het IJ. Aan de terrastafels achter hem zitten hippe stedelingen. Aan de overkant van het water ziet hij de oude stad liggen en links in zijn blikveld meert iedere paar minuten een overvolle pont af. Iedere lading is een mix van oude Noorderlingen en jong stedelijk volk, te voet en te fiets. Een deel rijdt rechtdoor, richting de Van der Pekbuurt en de rest van Noord, een ander deel slaat direct rechtsaf, richting de woontorens van Overhoeks, Eye of het terras van de Tolhuistuin, van artistiek directeur Keulemans. ‘Ik wil dat ons publiek een afspiegeling wordt van de mensen op de pont’, zegt hij. ‘Nu komen er bijna alleen mensen van de andere kant van het water en nieuwe Noorderlingen. Maar ik wil juist dat de Tolhuistuin er ook voor de oude Noorderling is. Ze wonen in kleine huizen, in kleine buurten en hebben een kleine belevingswereld. Ik wil hun wereld vergroten.’

Zes jaar geleden streek hij voor het eerst neer aan de noordelijke IJ-oever. Na tien jaar bij De Balie, waarvan de laatste jaren als directeur, en een paar jaar reizen en schrijven, was hij toe aan een nieuwe standplaats. ‘Ik was bezig met projecten in Beiroet en Sarajevo, toen ik werd gebeld door bewonersvereniging Amsterdam-Noord Groene Stad aan het Water. Shell zou weggaan en een deel van de grond overdragen aan de gemeente. In de oude kantine van Shell wilden ze een cultureel centrum openen. Of ik daar een plan voor wilde maken.’

Ook Keulemans was niet bijzonder bekend met Noord en ging op expeditie. ‘Ik kwam aan met de pont en stond op een industrieterrein vol met de gebouwen en loodsen van Shell. Het was nog totaal ontoegankelijk voor publiek. Heel bizar. Maar ik was op slag verliefd.’ Op de locatie, het uitzicht op de stad en vooral de mogelijkheden. Keulemans kreeg als opdracht mee om in het nieuwe centrum de verschillende bevolkingsgroepen samen te brengen. Een missie naar zijn hart. Als zoon van een ontwikkelingswerker groeide hij op in onder meer Burkina Faso, Tunis en Jakarta, tussen de vreemdelingen. ‘Ik houd er niet van om me te veel tussen mensen te begeven die op mij lijken. Hoe diverser, hoe beter.’

Om zijn missie kracht bij te zetten, betrok hij een woning in de Van der Pekbuurt. Vijf kamers of zestig vierkante meter. Inmiddels is hij verknocht geraakt aan zijn buurt en zijn buurt­genoten. Geheel tegen zijn reizigersgevoel in durft hij zelfs te zeggen: ‘Ik zie mezelf wel oud worden in deze buurt. Het liefst in dit huis.’

Trots laat hij het complex van zijn Tolhuistuin zien, vandaag de dag een begrip in hip en cultureel Amsterdam. In het oude Poortgebouw heeft hij creatieve zelfstandigen verenigd en de portierswoningen verhuurt hij aan onafhankelijke muzieklabels. In de tuin is ruimte voor kleinschalige muziekvoorstellingen en allerhande ongedwongen gezelligheid. Het epicentrum van de Tolhuistuin is het paviljoen, waar vroeger onder andere de kantine en de aerobicsruimte van Shell waren te vinden. Als het volgend jaar wordt geopend, herbergt het een café-restaurant met uitzicht op het IJ, een nieuwe zaal die onder meer door Paradiso gebruikt zal worden, expositieruimtes en een hiphopschool. De voorkant aan de oever van het IJ en de achterkant worden met elkaar verbonden door een lange gang die voor iedereen toegankelijk is. Een symbolische verbinding tussen de stedelingen in de stad en op Overhoeks aan de ene kant en de Noorderlingen aan de andere kant.

De integratie van zijn kant verloopt soepel. Keulemans doet zijn boodschappen op de markt op de betonnen vlakte die Mosveld heet en waar al jaren wordt gewacht op een nieuw winkelcentrum, dat aan moet sluiten bij de ambities met de buurt. Maar voor hem hoeft het niet. ‘Ik houd juist van het afgeragde, van de shabby sfeer.’ Zijn kranten en sigaretten koopt hij bij de Turkse jongens van de sigarenboer en koffie, een borrel, uitsmijters of een steak bestelt hij bij de veelal oud-Amsterdamse plaatselijke horeca. Aan de gevels hangen bordjes met teksten als ‘broodje tartaar, broodje bal’, ‘Hier mag wel gerookt worden’ en ‘Lekker bakkie koffie met appeltaart’. Keulemans kent iedereen bij naam.

Maar de oude Noorderling weet zijn Tolhuistuin nog maar moeilijk te vinden. Zijn verhalenavonden van en voor oude Noorderlingen en dansavonden ten spijt. ‘Het gaat langzamer dan ik had gedacht. De segregatie zit echt heel diep. Noorderlingen hebben hun blik van het water afgekeerd omdat ze er niets te zoeken hadden. Overal aan het IJ lagen afgesloten industrieterreinen, bewoners mochten er niet komen.’ Daarom vindt hij het zo belangrijk dat zijn tuin en gebouwen, vroeger van Shell, nu openbaar zijn. Eerder die week rondden de vrijwilligers van zijn N-Team de nieuwe schommeltuin af: een klein, open speelperkje in een van de laatste afgesloten stukjes gras. ‘We hebben net de hekken weggehaald. Ik hoop dat ouders en kinderen uit Overhoeks en de Van der Pekbuurt hier samen komen spelen en picknicken.’

Elly Nederveld draagt Keulemans een warm hart toe. Ze leerde hem kennen toen ze hem interviewde voor een buurtmagazine en bezoekt wel af en toe een salsa- of West-Afrikaanse trommelavond. ‘Misschien doet hij iets te veel zijn best. Er wordt van veel kanten zo veel druk op de Van der Pekkers uitgeoefend om te integreren dat het misschien wel tegenwerkt.’ Als voorbeeld noemt ze de Kijkruimte, een buurt/kunstproject dat in 2010 mede door de Tolhuistuin werd opgericht en sinds dit jaar zelfstandig opereert. ‘Dat is bedoeld voor buurtbewoners, maar daar hangen zulke vreemde kunstwerken. Noorderlingen willen gewoon koetjes en kalfjes zien.’ Hetzelfde gevoel heeft ze bij de Noorderparkkamer, de culturele ontmoetingsplek die vijf jaar geleden in het nabijgelegen Noorderpark (voorheen Florapark) werd opgericht. Een openluchttheater, speeltuin, bar en creatieve vrijplaats voor alle Noorderlingen, nieuw en oud. ‘Dan komen ze weer langs omdat ze een verhalenavond of poëziemiddag organiseren. Mijn culturele ontwikkeling is echt op orde, maar andermans zielenroerselen interesseren me niet.’ En dat geldt ook voor haar buren. ‘In Noord stikt het van de jeu de boules-verenigingen. Balletje gooien, drankje drinken, stukje vlees erbij, beetje babbelen, dat is waar de Noorderling van houdt.’

Sonnenfeld heeft ook gemerkt dat zijn pogingen om de oude bewoners over de drempel van Il Pecorino te trekken niet werken. ‘Een enkele keer komt er wel één, maar dan is er altijd wel iets niet goed. Er zit geen kannetje melk bij de koffie, die ook nog te duur is. Of ze willen cola, terwijl ik tien smaken San Pellegrino heb. Laatst vond iemand de pizza te dun en te weinig belegd. Bij de Turkse pizzeria kreeg hij een betere, voor minder geld. Dan kan ik wel uitleggen dat dit is hoe pizza’s in Italië worden gebakken, maar dat maakt hem niets uit.’ Nederveld heeft van het geval gehoord. ‘O ja! Hij zei dat hij voor tien euro een kartonnen frisbee had gekregen.’

Terwijl Sonnenfeld serveerster Naciye docerend toespreekt over het opnemen van een bestelling komen er twee studentes aangefietst. Ze stoppen bij een houten stellage die Sonnenfeld als vuilnis op de stoep heeft gezet. Of ze die mee mogen nemen. ‘Ja hoor, ik heb er binnen nog een staan. Wil je die ook hebben?’ ‘Ja, graag. We zijn van de Noorderpark­kamer en willen een biechthuisje maken’, zeggen ze. Sonnenfeld belooft het hout straks met zijn bus even langs te brengen. ‘Ik heb geholpen met het opzetten van de bar, dus ken het goed.’

Zoals hij zoveel initiatieven in Noord goed kent. Hij levert de koffie waar het maar nodig is, helpt met de kerstmarkt en is actief in de ondernemersvereniging. Een houding die deels uit nood geboren werd. ‘Je voelt altijd een gemis van de dingen die er niet zijn, van het leven aan de andere kant van het IJ. Daarom doe je extra hard je best om het hier leuk te maken.’ Maar het levert hem veel meer op dan het hem kost. ‘In de stad voelde ik me anoniem, hier kan ik echt een rol van betekenis spelen. Meehelpen aan de ontwikkeling van de buurt. Het geeft een invulling aan mijn leven die ik aan de andere kant van het water miste.’


Dit artikel kwam mede tot stand met ­subsidie van het Fonds Bijzondere Journalistieke ­Projecten