Robert Anker, Hajar en Daan

De p-kwestie

Robert Anker

Hajar en Daan

Querido, 288 blz., € 17,50

Nadat we vorige week naar aanleiding van de openingszin van de nieuwe roman van Robert Anker de veranderingen in het gebruik van het n-woord hebben behandeld, zijn we nu aanbeland bij de p-kwestie. Alvorens hierop nader in te gaan, is het misschien verstandig stil te staan bij de vraag hoe het komt dat Hajar en Daan überhaupt tot dit soort bespiegelingen aanzet. Dat kan ik nu ook doen, want ik heb inmiddels de hele roman gelezen, maar een eenvoudige kwestie is het niet. Als het moeilijk wordt, pak ik soms The Art of Fiction erbij van David Lodge. Dit is een bundeling van stukken die Lodge (literatuurwetenschapper en schrijver van erg vermakelijke «academic novels») oorspronkelijk schreef voor een Engelse krant, waarin hij telkens met behulp van een fragment uit de klassieke en moderne literatuur de werking uitlegt van een literair procédé. Dat kan een truc zijn, of een stijlmiddel, of een vertelperspectief et cetera.

Nu viel mijn oog op het chapiter Fancy Prose en ik dacht, het hippe neuken van vorige week in gedachten: ff kijke. Aan de hand van de openingsparagraaf van Lolita laat Lodge zien hoe Nabokov snel en speels verschillende registers bespeelt; van een lyrische uitbarsting gaat hij via een tedere bespiegeling naar een denkbeeldig vraag-antwoordspel, om te eindigen bij een zogenaamde verklaring ten overstaan van een jury: «Dames en heren van de jury, bewijsstuk nummer één is…» Met een beetje lenigheid zou je kunnen zeggen dat Anker op nabokoviaanse wijze op de eerste pagina’s de verschillende registers introduceert waartussen de hele roman door gevarieerd zal gaan worden, tot en met het zogenaamde pleidooi: «Zo is het gegaan, geachte leden van de jury.»

Er is echter een belangrijk verschil. Lolita — even het geheugen opfrissen — heeft de vorm van een nagelaten manuscript dat met enige bezorgdheid wordt ingeleid door een dokter, en in alles de maniakaliteit van een bekentenis aangaande een even obsessieve als verboden liefde ademt. Hajar en Daan is ook de geschiedenis van een even obsessieve als verboden liefde, maar Anker vertelt deze níet vanuit een ik-perspectief. De suggestie is dat de geschiedenis vanuit Daan wordt verteld («Toen Daan Hollander, leraar geschiedenis aan het DataCare College in Amsterdam, Hajar Nait Sibaha, uit vijf vwo, voor de eerste keer» et cetera), maar in feite is er een alwetende schrijver aan het woord die Daan zijn kunstje laat doen. Anker spéélt ook met dat gegeven. «Daar is Daan», schrijft hij. Of: «en hij schiet weg in de flashback die nu volgt». Er is dus een afstand tussen de verteller en het personage van waaruit wordt verteld. Aan de wijze waarop Anker zijn personage in de eerste zin met naam en toenaam introduceert, lees je die afstand al af: hier wordt een mens type opgevoerd, het heet Daan Hollander, het is leraar en het neukt een Marokkaanse leerlinge.

Het beoogde effect van zo’n perspectief is over het algemeen ironie. Echter, de gedetailleerde en actuele toonzetting van de rest van de roman in aanmerking genomen, is Anker uit op realisme. Álles komen we te weten van Daan, van zijn merk sokken tot aan de kleur van zijn dekbedovertrek tot aan het tv-programma waar zijn vader naar zat te kijken toen zijn moeder van hem beviel, tot aan de gesprekken die hij voert in de lerarenkamer. En we komen te weten hoe hij naar zijn leerlingen kijkt: of ze «neu kable» zijn of niet, hoe hun buik licht bolt en dan schuin wegloopt in de heupbroek, hoe al die fijne handjes nog onwetend zijn van de erecties die ze gaan omvatten, en die vragende mondjes idem dito.

Waarom blijft mijn blik haken aan die passages, net zoals ik bleef hangen aan die eerste zin? «Dit is een generatie van verbluffende pijpsters», constateert de 62-jarige David Kepesh in The Dying Animal van Philip Roth verheugd, de vaardigheden van zijn veertig jaar jongere studentes aan den lijve ondervindend. Ik geloof hem graag en zonder problemen. Omdat Roth me laat afdalen in de geest van Kepesh zonder enige distantie? Slik ik alles zolang het maar authentiek lijkt te zijn? De consequentie van Ankers vertelperspectief, gekoppeld aan het feit dat Hajar en Daan in zijn bijna documentaire realisme óók het ka rakter heeft van een moderne zedenschets (met een inkijkje in de hippe kunstenaars-scene die feest op Ibiza én een blik achter de schermen van een grootsteedse zwarte middelbare school) is dat Daan een held is in wiens maniakale en obsessieve liefde het moeilijk meegaan is. Ei genlijk blijft hij, dames en heren van de jury, excusez le mot, een beetje een lul. Tegen de tijd dat de schrijver hem eindelijk een hitsige bimbo van het lijf doet houden, in elkaar laat slaan, zijn fancy huis doet verkopen en naar Marokko laat reizen vragen wij ons af of Hajar niet beter af is met een échte geitenneuker.