De p van paars is de p van prefab

Eind jaren zeventig, op weg voor een fietsvakantie door Frankrijk, doorkruiste ik eens Vlaanderen. Aangekomen te Londerzeel voelde ik een grote dorst. Ik kocht een pak melk en genoot. Net toen ik na een paar stevige teugen het karton op een vensterbank van een plaatselijke woonfolly wilde zetten, kwam er een bewoonster naar buiten die me in klinkend Vlaams te verstaan gaf geen vetvlekken op haar huis te maken. Het leed was echter al geschied. Een druppel van het kostelijke vocht had zich van het pak naar het witte stucwerk verplaatst. De vrouw beende foeterend richting keuken. Net toen ik weer op de pedalen ging staan, kwam ze terug met een emmer vol Spic & Span en begon aan een grondige gevelreiniging.

Dit soort frustraties behoort weldra tot het verleden want tegenwoordig gaat dat schoonhouden heel gemakkelijk. Vlaanderen zelf heeft het moeilijk maar het beeld van Vlaanderen glimt als nooit tevoren. Stijn Streuvels is dood, leve de Stijn Streuvels-route. Heel het land lijkt in de greep van het sprookje van het droomhuis, nu door prefab en plastics ook bereikbaar voor Sjef Modaal. Van Oude Kwaremont tot Berendries, langs de eindeloze lintbebouwing, lijken alleen de gazons nog echt. Hoewel, die zijn zonder uitzondering zo perfect geschoren dat ze van kunstgras kunnen zijn.
Niet alleen in Vlaanderen, ook in Nederland is een grote voorkeur voor voorgekookte dromen ontstaan. Wie luistert naar de plannen voor een miljoen nieuwe woningen voor 2015, hoort een niet aflatende stroom van ‘technologische innovaties’. Nog even en je bouwt helemaal geen huis meer, maar je schroeft hoogstens nog wat scharniertjes vast. Nog even en niemand begrijpt meer wat de diepere betekenis was van metaforen als 'de fundamenten van de samenleving’, 'dat staat als een huis’ of 'uit je dak gaan’. Het huis wordt een geplastificeerde hoes die in contour, ontsluiting en oppervlak nog wel een tijdje zal herinneren aan de gebouwen waar we nu in wonen, maar die in feite amorf is. Zo'n 'optimumwoning’ is het gemiddelde van flexibiliteit + veiligheid + zuinigheid + milieu + onderhoudsvriendelijkheid, gedeeld door vijf. Schoonheid, rijkdom aan detail, ze tellen niet mee. Kozijnen, ramen, deuren, betonelementen, dakplaten, binnenspouwbladen, balkons, keukenblokken, complete dakbedekkingen, de toeleveringsindustrie heeft het voor het zeggen. Ontwerpen wordt een kwestie van je catalogi kennen.
Het is alsof de bouwbranche het beleid van een paars kabinet al voorvoelde, alle architectuurbeleid ten spijt. Bijvoorbeeld: bij de plannen voor de privatisering van de WAO, waarin per sector de ziekte- en arbeidsongeschiktheidrisico’s zullen worden berekend, met navenante premies, zal de bouw zwaar boeten. Immers, daar is een ziekteverzuim van tien procent heel normaal, terwijl bovendien op 200 duizend actieve bouwvakkers er 80 duizend afgekeurd thuis zitten. De werkgevers zien de bui al hangen en kijken reikhalzend uit naar elk technisch snufje en managementstruukje dat arbeidskosten bespaart.
De tijd is voorbij dat aannemers modernisering achterwege lieten vanwege het hun wel goed uitkomende principe van de solidariteitsheffing. De vrij traditionele organisatie van de bouw betekende in de praktijk een voordeel voor de bouwkunst. Nu echter stellen ze alles in het werk om de all round vakman van de bouwplaats te verjagen. Hoe minder een bouwvakker daar nog rondloopt, hoe beter. Dus worden er van allerlei gespecialiseerde bedrijfjes al even gespecialiseerde ploegjes ingehuurd die met hun snoerloze accu-apparatuur even snel de prefab-onderdelen vastzetten. Heb je eenmaal snel een casco klaar, dan is het verder een agendakwestie wanneer de installateur of de glazenier langskomt.
Bouwen is het opdelen in klussen geworden, in plaats van het verenigen van vaardigheden.
De grote vraag bij al deze efficiency-maatregelen is natuurlijk wie zich nog verantwoordelijk voelt voor een voltooid gebouw. Wie zomaar ergens in het proces binnenkomt en er dan ergens ook weer uitgaat, zal het worst wezen of er vakwerk wordt geleverd. Dan is voldoende altijd goed genoeg.
Het primaat van de markt in de bouw brengt ironisch genoeg een ambtenarenmentaliteit met zich mee. Het nieuwe overheidsbeleid schept wellicht banen, maar vraag niet welke.