De pacificator

Vilan van de Loo schreef met Uit naam van de majesteit een biografie van Jo van Heutsz, de generaal die de guerrilla in Atjeh bestreed. Nette conventies golden daar niet.

Hannké, Gouverneur-generaal Joannes Benedictus van Heutsz, Batavia, 1909. Olieverf op doek, 141,5 x 101,08 cm © Rijksmuseum Amsterdam

Dit is de biografie van een militair, en die worden bij ons niet vaak geschreven. Britten lusten er pap van, Nederlanders betreden het terrein aarzelend, generaals komen hier niet vaak aan het woord. Er zijn biografieën van Winkelman en Spoor, dat is het wel. De manier van denken in militaire kringen is daardoor misschien te weinig bekend bij een breder publiek, en dat gebrek aan aandacht en inzicht wreekt zich soms, denk ik, in de beoordeling van meer recent militair optreden, zoals het Srebrenica-debacle.

Dat maakt deze biografie dus op voorhand interessant. Van Heutsz, daar zit kluif aan: een pure beroepsmilitair, de ‘pacificator van Atjeh’, die zich opwerkte tot gouverneur-generaal van Indië en in 1924 een staatsbegrafenis kreeg, maar wiens naam inmiddels gelijk staat aan de wreedste campagne in onze koloniale geschiedenis. Vilan van de Loo diepte interessante bronnen op uit het familiearchief, en ze spitte ijverig door Delpher, het online krantenarchief, wat haar buitengewoon veel details opleverde, kleurrijke, informatieve, maar ook erg veel overbodige, waardoor haar vlotte trant op den duur vertraagt.

Van Heutsz senior was ook militair, maar hij dronk, en mislukte. Zoon Jo moest lang tegen de schim van zijn gedeclasseerde vader opboksen. Hij bezocht een tweederangs militaire school in Kampen en zijn gang door de rangen verliep daarna stroef. Tot tweemaal toe werd hij gepasseerd voor de Hogere Krijgsschool in Den Haag (mijn overgrootvader was hem te slim af); tegen zijn veertigste was hij nog gewoon kapitein, gelegerd in Batavia met een vrouw en vijf kinderen, een matig salaris en weinig vooruitzichten.

In februari 1890 raakte Van Heutsz bij een campagne op Sumatra ernstig gewond. De kranten meldden zijn overlijden al, maar de kapitein herstelde en kreeg daarmee opeens een publiek profiel. De Java-bode: ‘Van Heutsz staat bekend niet alleen als een beleidvol, maar ook als een zeer dapper officier, die met ijzeren volharding en groote onverschrokkenheid zijn plannen weet door te zetten.’ Ook in Nederland werd hij gewaardeerd: het Algemeen Dagblad wist dat Van Heutsz in Atjeh ‘door goede en met beleid uitgevoerde verkenningen (…) reeds vooraf meester van het succes’ was geweest. Hij zou zich ook ‘bij iedereen’ bemind hebben gemaakt.

Misschien ontglipt het de lezer dat het hier om oorlogsmisdadigers gaat

Dat laatste was sterk overdreven. Van Heutsz was een geharde soldaat, van nature korzelig en vol ongeduld, en dus iemand die zich (zoals alle militairen) opwond over onbetrouwbare politici, over het uitblijven van bevorderingen, over wie er lintjes kreeg en wie niet, en vooral: over het rampzalig verloop van de oorlog in Atjeh. De discussie daarover werd niet alleen in de wandelgangen van de regeringen in Den Haag en Batavia gevoerd, maar ook – openlijk – in de Indische pers, iets wat Van de Loo met smaak opdiept.

Van Heutsz, hersteld van zijn wond, publiceerde in 1893 de uitvoerige brochure De onderwerping van Atjeh. Hij pleitte voor een nieuwe, agressieve strategie, met ‘chirurgisch’ militair ingrijpen door ‘mobiele colonnes’ die vertrouwd waren met het terrein. De verovering van Atjeh was een urgente zaak, meende Van Heutsz, omdat de eer van Nederland op het spel stond. Zonder militaire inspanning zou het koloniaal bezit weleens verloren kunnen gaan, en het land zou daardoor ‘afdalen tot het meest onbeduidende standpunt – zoo niet erger – onder de staten van Europa’. Voor de publieke opinie werd de oplossing duidelijk: Nederland had als kolonisator de morele plicht de oorlog in Atjeh te beëindigen, en Van Heutsz was de aangewezen man. In 1894 werd hij naar Sumatra overgeplaatst; in 1896 werd hij gouverneur van Atjeh en daarmee verantwoordelijk voor de oorlogsvoering.

Die oorlog zat al twintig jaar vast. Omdat de Nederlandse militairen slecht waren uitgerust en numeriek in de minderheid, en omdat de guerrilla’s zich in het beboste binnenland vrijwel onzichtbaar konden maken, liepen de campagnes uit op wreedheden. Dorpen werden verbrand, vrouwen en kinderen terloops doodgeschoten, informanten gemarteld, gevangenen afgemaakt, duizenden veroordeeld tot onmogelijke boetes of tot jaren van dwangarbeid. Het lukte Van Heutsz niettemin met zijn ‘chirurgische’ ingrepen winst te boeken; acht jaar na zijn benoeming meende hij dat Atjeh voldoende was gepacificeerd. Hij reisde naar Nederland en werd als een held ontvangen. Op elk station waar zijn trein stopte stond de lokale harmonie én het college van B en W klaar om de pacificator te huldigen. De triomftocht werd bekroond met diners bij de koningin – die zeer op hem gesteld was – en met zijn benoeming tot gouverneur-generaal; de oorlogsvoering kwam vervolgens in handen van zijn naaste paladijn, Frits van Daalen, die zo mogelijk nog harder tegen de vijand en de bevolking optrad.

Van de Loo blijft bij dat alles dicht op de huid van Van Heutsz. Ze geeft waardevol en origineel inzicht in zijn manier van denken, zijn eergevoel, zijn militaire logica, zijn omgang met de publieke opinie en zijn manier van omgaan met kritiek. Ze noemt de scherpe reacties in de Tweede Kamer van leden als Marchant en Van Kol (hoewel niet die van Thomson en De Stuers); ze noemt natuurlijk de publicaties van de Indische officier Van Oorschot, die onder het pseudoniem ‘Wekker’ in 1907 uitvoerig verslag deed van de weerzinwekkende praktijken in Atjeh, tot de dumdumkogels aan toe. Het is zeker informatief om dan over Van Heutsz’ schouder te kijken en zijn respons te lezen, maar daarna ontbreekt toch echt een inventarisatie van wat er wáár was van die kritiek.

In het soepele verhaal ontglipt het de lezer misschien nét dat het hier toch echt gaat om oorlogsmisdadigers, en dat is geen laf achteraf gepraat: Van Heutsz en Van Daalen beseften dat hun bloedige praktijk volkomen tegen het geldend oorlogsrecht inging. Nette conventies golden niet in Atjeh, zeiden ze, het was guerrilla, je kon geen onderscheid zien tussen burgers en rebellen et cetera. Het is opvallend dat de belangrijkste critici, ‘Wekker’ en Thomson, beiden oud-militair, de excessen zagen als het gevolg van onvoldoende inzet door de regering. Dat is een oude klacht, een rode draad in de Nederlandse militaire geschiedenis van De Ruyter tot Karremans: er zijn te weinig troepen, ze zijn slecht bewapend, ze worden door de overheid met onvoldoende middelen en onduidelijk mandaat de jungle ingestuurd, en de wreedheden zijn daar het ongelukkige gevolg van.

Van de Loo dicht Van Heutsz ook vooruitstrevende ideeën toe. Hij schafte de ‘hormat’ af, het verplichte eerbewijs van de Indonesiër aan de Hollander, hij werkte niet mee aan christelijke bekeringscampagnes, hij gaf een vrouw toegang tot het ambtenaarexamen en stelde een volbloed Javaan aan als controleur. Dat kan wijzen op een progressieve inslag, al komt er vooral de neutrale, pragmatische militair in naar voren, denk ik, maar het verraadt ook een visie over hoe een kolonie in de twintigste eeuw zou kunnen voortbestaan. Ik vermoed dat Van Heutsz voorzag dat Nederlands-Indië als kolonie ‘onder Wilhelmina’ alleen toekomst had als de eigen bevolking daar geleidelijk deel van zou uitmaken en dus ook in het leger en het bestuur een rol zou kunnen gaan spelen. Zo ver is het niet gekomen.