Repressie onder Fatah

De Palestijnse Stasi

Sinds Hamas in 2007 in Gaza de macht greep heeft het zich schuldig gemaakt aan verregaande schending van mensenrechten. Minder bekend is dat ook de Fatah-regering op de Westoever de democratische principes ondermijnt.

Medium palestijnse stasi

EVEN TWIJFELT ZE of ik haar naam mag publiceren. ‘Als ze erachter komen word ik misschien ook opgepakt.’ Dan gaat ze resoluut rechtop zitten. ‘Ach, ik ben niet bang’, zegt Laila Sabri. Maar terwijl we op de binnenplaats van haar huis in de Palestijnse stad Kalkilia op de Westelijke Jordaanoever zitten, gaan haar zwarte ogen onrustig van mij naar de tuinpoort. Plotseling verschijnt een man van middelbare leeftijd. Hij zegt dat hij Laila’s zwager en Hamas-lid is en begint mij met doodse blik en op staccatotoon te verhoren. Dan maakt hij een foto van me en verdwijnt pas als hij ervan overtuigd is dat ik niet verbonden ben aan een overheidsinstantie.
Kalkilia lijkt voor de buitenstaander een stil en vredig provinciestadje met kleurige betonnen huizen, brede asfaltwegen en een nieuwe, uit zandsteen opgetrokken moskee. Maar volgens de Palestijnen leven de bewoners hier op een tijdbom die elk moment kan ontploffen. Onlangs was de stad het strijdtoneel van bloedige gevechten tussen Hamas-aanhangers en de Fatah-veiligheidstroepen van Abu Mazen. Zes Palestijnen werden gedood, velen gearresteerd.
Laila’s man Moestafa Sabri, journalist en gemeenteraadslid voor Hamas, werd een maand eerder, terwijl hij ’s middags een wandeling met zijn acht kinderen maakte, door gewapende veiligheidsbeambten overvallen en meegenomen naar het hoofdkwartier in Kalkilia, Khellat Nofal. Laila herinnert zich: ‘Het ging allemaal razendsnel. Moestafa had zelfs geen tijd om kleren te pakken. ’s Avonds werd er op de deur gebonsd. Vier beambten kwamen terug. Ze doorzochten het huis en confisqueerden vervolgens de computers en zijn archieven.’
Twee weken lang hoorde Laila niets meer van haar man – op het bureau wilden ze haar geen informatie geven – totdat Moestafa ineens belde dat hij naar het Unwra-ziekenhuis was overgebracht. Laila bezocht hem. ‘Hij zag er vreselijk uit. Hij zat onder de blauwe plekken en hij vertelde dat zijn bloeddruk en het suikergehalte in zijn bloed hoog waren. Ik vroeg hem of ze hem hadden geslagen, maar er was een politieman in de kamer en Moestafa zweeg.’
Sindsdien heeft Laila haar man niet meer gezien of gesproken. Moestafa is inmiddels overgebracht naar het huis van bewaring in Betunia. Op grond van het beroep van zijn advocaat is hij door het gerechtshof van Ramallah vrijgesproken en is zijn vrijlating gelast op 10 juli. Maar vijf dagen later zit hij nog steeds vast. ‘De veiligheidsdienst lapt de uitspraak van justitie aan zijn laars’, zegt Laila. ‘We staan machteloos. Zelfs de minister van Justitie, Ali Khashan, zegt dat hij niets kan doen.’
Moestafa werd volgens Laila gearresteerd omdat hij kritische stukken over het bewind van Abu Mazen schreef, maar hij wordt nog steeds gevangen gehouden omdat hij Hamas-lid is. ‘Mijn man is geen terrorist. Hij doet zijn werk als journalist’, zucht Laila.
De situatie van Sabri is volgens Bassem Eid, directeur van de Palestinian Human Rights Monitoring Group (PHRMG) – een onafhankelijke organisatie die schending van mensenrechten van Palestijnen bestrijdt – niet uniek. Een verregaande censuur van de pers en intimidatie en arrestatie van de lokale journalisten op de Westoever en in de Gazastrook zijn de laatste maanden schering en inslag. ‘Palestijnse journalisten die zich kritisch over de autoriteiten uitlieten, zijn gearresteerd en gemarteld. De veiligheidsofficieren belemmerden journalisten en de massamedia om bepaalde gebeurtenissen uit te zenden, ze namen computers in beslag en weigerden om de uitzendvergunningen van sommige media te verlengen. Ze deden huiszoekingen bij de lokale omroepen, zoals het Al Huriyyeh-radiostation in Hebron en Watan, het lokale tv-station in Ramallah. Op de Westoever zijn al acht journalisten en redacteuren opgepakt die in verschillende detentiecentra gevangen worden gehouden.’
Hamas greep in 2007 de macht in Gaza en versloeg de Fatah-veiligheidstroepen van Abu Mazen. Hij reageerde met de ontbinding van de door Hamas geleide coalitie. Hamas en Fatah leven sindsdien op permanente voet van oorlog. Onlangs leidde dat tot een escalatie van politieke arrestaties en illegale detenties zowel in Gaza als op de Westoever. Iedereen die kritisch en recalcitrant is of niet bereid tot medewerking of betaling wordt verdacht. Bassem Eid: ‘In Gaza zijn alle burgers die verdacht worden van affiniteit met de Fatah-beweging een primair doelwit. Hamas heeft zich schuldig gemaakt aan vergaande schending van mensenrechten, moorden, buitengerechtelijke executies door leden van de Hamas-troepen, verdwijningen van burgers, beperking van de vrijheid van meningsuiting en van het recht tot vergadering en het recht op eerlijke procesvoering. Ten minste 32 Palestijnen zijn gedood, ten minste 49 mensen zijn door gemaskerde mannen in de benen geschoten en achttien zijn geëxecuteerd. Minder bekend is dat ook de Fatah-regering op de Westoever de democratische principes die het tegenover de buitenwereld probeert hoog te houden ondermijnt om de macht over de Palestijnse gebieden te behouden. Honderden Palestijnen – vooral in Nablus, Hebron en Kalkilia – werden illegaal gedetineerd en gemarteld op grond van betrekkingen met Hamas. Dit jaar zijn er al acht doden gevallen. Leiders van humanitaire organisaties die relaties met Hamas hadden, onderwijzers, directeuren van scholen, imams van moskeeën, professoren van universiteiten en studenten zijn gearresteerd.’
Sinds begin 2008 hebben de Palestijnse veiligheidstroepen in coördinatie met het Israëlische leger grotendeels het toezicht over de steden op de Westoever – zoals Jenin, Nablus, Bethlehem, Kalkilia en Hebron – overgenomen. Zestienhonderd manschappen hebben bovendien nog een speciale door de Verenigde Staten gefinancierde militaire training ondergaan met als doel de law and order op de Westelijke Jordaanoever te handhaven. Volgens generaal Adnan Damiri, woordvoerder van de veiligheidstroepen, is die ondersteuning hard nodig. ‘De situatie op de Westoever is precair en ordehandhaving is uiterst moeilijk maar noodzakelijk’, zegt hij. ‘Neem de stad Kalkilia. We hebben net bij huiszoekingen twee ton explosieven, illegale wapens en kogels onder een huizenblok aangetroffen. Dat is levensgevaarlijk voor de bevolking. Stel je voor dat de zaak ontploft. Tijdens een actie werden vier soldaten gedood. We arresteren niet blindelings mensen op grond van hun functie of politieke kleur, maar gaan gericht te werk. Criminelen bevinden zich zowel onder Hamas- als Fatah-gelederen. Er zijn op de Westoever zeshonderd journalisten, die vrij rapporteren. Ik durf zelfs te stellen dat de persvrijheid hier veel groter is dan in alle Arabische landen van het Midden-Oosten. Maar de acht Palestijnen die we hebben opgepakt zijn geen journalisten. Zij werden gedetineerd op grond van illegale praktijken tegen de staat of de burgers en omdat iemand een klacht had ingediend.’ Die illegale praktijken bestaan volgens Damiri uit illegaal wapenbezit, illegaal geld, het verstoren van de rust, het gebruik van geweld tegen medeburgers en moord.
Maar Eid komt op grond van de klachten van burgers over schendingen van mensenrechten tot andere conclusies: ‘De Palestijnse autoriteiten hebben een goed geolied systeem ontwikkeld van afluisterpraktijken, geheime agenten in alle lagen van de bevolking, arrestaties op grond van zogenaamde collaboratie, martelingen, chantage, favorisme en corruptie dat veel weg heeft van de Oost-Duitse Stasi en dat in feite wordt gesteund door de westerse wereld.’
Die praktijken komen niet uit de hemel vallen. Sinds de oprichting in 1994 heeft de Palestijnse Autoriteit een traditie van arrestaties en corruptie – methoden die bij verzetgroeperingen onder bezetting vaker worden gebruikt. Yasser Arafats veiligheidsstructuur was rommelig. Hij slaagde er niet in om de corrupte PLO-aanhangers uit zijn kabinet te verwijderen en beslissingen van de Legislative Council (het Palestijnse parlement) te implementeren. De veiligheid en sociale voorzieningen van het Palestijnse volk lieten te wensen over. Bovendien zette Israël hem in het kader van het vredesproces onder druk om Palestijnen die de vrede ondermijnden te arresteren. Volgens het onderzoek van de PHRMG van mei 2008 werden in die eerste jaren onder zijn leiding meer dan twaalfhonderd leden van de oppositie – dit waren partijen of individuen die tegen Arafat of Fatah waren, dus Hamas en splinterpartijen – gearresteerd en zonder enige vorm van proces zelfs zes maanden of langer gedetineerd. Zeventig procent van deze groep rapporteerde martelingen en zeven gedetineerden overleefden die niet. De Palestijnse Autoriteit heeft deze martelmethoden de afgelopen jaren consequent gebruikt.
Nadat Arafat in 2004 was overleden werd het voor president Mahmoud Abbas steeds moeilijker om aan Israëls verzoek tot handhaving van een wapenbestand in de Palestijnse gebieden te voldoen. Abbas miste het leiderschap van Arafat en zelfs de militante vleugel van zijn eigen Fatahpartij – de Al Aksa Brigade – dreigde met terroristische acties. Hij kwam tot een deal met deze organisatie, maar slechts in ruil voor amnestie van hun gevangenen en benoeming van hun leden in overheidsposities. Met de politieke en financiële steun van Israël, de VS en de Europese Unie, die eveneens de invloed van Hamas – een partij die de ideologie van geweld ademt en door veel westerse landen als een terroristische organisatie wordt gezien – in de Palestijnse politiek wilden reduceren of elimineren, nam hij maatregelen om Hamas-leden en organisaties op te rollen. Maar geleidelijk werden de doelwitten van Abu Mazen en Fatah ruimer dan de directe Hamas-leden. Iedereen van wie de veiligheidsbeambten meenden dat hij een wapen bezat of een gewapende groepering steunde kon worden opgepakt. Dit geweldsmisbruik tegen burgers binnen de Palestijnse Autoriteit leidde onder meer tot toenemende steun voor Hamas, dat de reputatie heeft minder corrupt en sociaal bewogener te zijn.
De gevangenen komen terecht in speciale buitengerechtelijke detentiecentra. Volgens de Palestinian Independent Commission for Citizens Rights – een door Arafat geïnstalleerde commissie die over burgerrechten rapporteert – zijn er op de Westoever zo’n dertig centra. De geheime dienst, de militaire inlichtingendienst en de preventive security forces – het instituut van de veiligheidsbeambten – hebben elk de leiding over tien centra. Zij rapporteren direct aan het ministerie van Binnenlandse Zaken. In de centra worden zowel volwassenen als kinderen gevangen gehouden. De rechtvaardiging van de overheid is dat de gevangenen het vredesproces of de veiligheid in gevaar brengen.
De 35-jarige Azzam Al Fahal verkoopt falafelbroodjes in Ramallah en studeert aan de open universiteit Al Quds. Op 14 februari vorig jaar werd hij samen met de imam Majed Al-Barghuti door de militaire inlichtingendienst gearresteerd en overgebracht naar zo’n detentiecentrum, waar hij dertien dagen vast zat. In een interview met de Palestijnse journalist Naela Khalil beschrijft hij die tijd: ‘De eerste nacht sliep ik in mijn cel op een stuk karton. Het was een koude winternacht, maar ik mocht alleen mijn onderbroek aanhouden. De volgende dag werd ik door de beambten geslagen en ze wilden dat ik danste. Ik werd voortdurend met een rubberslang op mijn hoofd geslagen totdat ik flauwviel. Toen ik wakker werd dwongen ze me om een formulier te tekenen. Later begreep ik dat het mijn bekentenis was.’
Al-Fahal werd op 27 februari vrijgelaten. Al-Bharghuti was drie dagen eerder in de gevangenis overleden. De doodsoorzaak was volgens de autoriteiten een hartaanval.
Het probleem is volgens Eid dat het kankergezwel in de Palestijnse samenleving zelf zit en moeilijk is aan te pakken. ‘Het gaat niet alleen om excessen zoals doodslag en martelingen’, zegt hij. ‘Je vindt de politieke en mentale corruptie in elk segment van onze samenleving. Iedereen werkt er in feite aan mee. Er bestaat een netwerk van Palestijnse informanten die hun eigen mensen in de gaten houden. In mijn woonplaats Jericho bijvoorbeeld werken taxichauffeurs regelmatig zonder vergunning. De laatste tijd worden ze in de tang genomen door veiligheidsagenten die hen dwingen om informatie te verschaffen, anders kunnen ze hun taxi vaarwel zeggen. Die chauffeur hoeft alleen maar te rapporteren wie hij op bepaalde “besmette” adressen aflevert. Zo eenvoudig is het. Hetzelfde geldt voor marktkoopmannen en succesvolle zakenmensen. Die laatste groep wordt soms verzocht om een bijdrage te leveren aan bepaalde gunsten van veiligheidsofficieren. Als je weigert kun je alles verliezen. Dus als je een vergunning of toestemming van de overheid nodig hebt, vraag je je niet af wat de procedure is, maar wie je in de organisatie kent die jou zo’n vergunning kan verschaffen en wat de prijs is die je moet betalen. Er zijn zelfs tarieven voor smeergeld. Vandaag is X de collaborateur die macht uitoefent om geld of gunsten van mensen af te dwingen. Morgen zijn de kinderen van die slachtoffers aan de macht en die zullen X arresteren, martelen of doden om hun familie te wreken. Zo ontstaat een systeem waaraan iedereen deelneemt en waarover iedereen zwijgt. Wij Palestijnen hangen de vuile was niet buiten.’

M. – ZIJN NAAM wil hij niet noemen – is een man van middelbare leeftijd uit Bethlehem die zijn schaapjes op het droge had. Zijn aannemersbedrijf in betonnen bouwonderdelen, gevestigd op zeven doenam (zevenduizend vierkante meter) op een toplocatie in het centrum van de stad die hij twintig jaar geleden van de Israëlische Civiele Administratie had geleast, floreerde en met het groeiende aantal bouwprojecten in de omgeving had hij genoeg opdrachten om de winter door te komen. Maar twee maanden geleden kreeg hij onverwacht bezoek van twee veiligheidsofficieren. Ze wilden zijn contract zien en vertelden dat er een probleempje in de lease zat. M. had maar recht op de helft van de grond. M. protesteerde, want zijn perceel stond duidelijk beschreven in het leasecontract, dat nota bene tot 2013 loopt. De officieren raadden M. aan om zijn bedrijf te verplaatsen, want er zou een muur worden gebouwd in het midden van het terrein, en ze vertrokken. M. is pragmatisch en besloot dat het geen zin had om het besluit aan te vechten. Hij ontruimde de helft van het terrein. Enige tijd later – M. was het hele incident al bijna vergeten – stonden de officieren weer op de stoep. De lease was afgelopen, zeiden ze. Misschien, als M. meewerkte en een financiële vergoeding zou geven, konden ze nog een verlenging geven. M. weigerde. ‘Ik ben bereid om voor mijn rechten te vechten. Ik heb een contract tot 2013. Ik ben niet bereid om voor mijn rechten te betalen’, antwoordde hij.
De volgende dag werd zijn bedrijf gesloten. M. en de zeventig Palestijnse families die in het bedrijf werkten, staan op straat. En andere aannemers zijn gedupeerd, omdat M. zijn vele lopende opdrachten niet meer kan nakomen.