1768 – 2010

DE PAPIEREN ENCYCLOPAEDIA BRITANNICA

De deftigste encyclopedie ter wereld, welriekend, met gouden letters geïllustreerd, heeft de strijd tegen digitale informatie verloren.

De computers zijn allemaal bezet, de ­leestafel ligt vol uiteengevallen kranten en in de peuter­hoek lezen moeders hun kinderen voor uit Thomas de Tankmachine. Naast een kopieermachine, waar een oudere dame met alpinopet haar paspoort kopieert, staan ze, de 32 delen van de Encyclopaedia Britannica. Vijftiende en laatste editie. Schijnbaar onaangeroerd. De bibliothecaresse zegt dat er zelden iemand in kijkt. Ik pak enkele delen op en begin, de dag nadat bekend is geworden dat er geen nieuwe papieren editie meer komt, aan een lijkschouwing.

Ik had dat ook thuis kunnen doen als ik eind 1993 was gevallen voor een anderhalf uur durend pleidooi van de encyclopedieverkoper die in mijn studentenflat in Utrecht was langsgekomen. Een plaatselijke journalist en schrijver, die les gaf aan de School voor Journalistiek, had mijn naam doorgegeven aan de verkoper. Misschien was het zijn manier van zeggen dat deze student een omgevallen boekenkast was.

In de tussenliggende jaren heb ik de Britannica zo nu en dan gebruikt, al was het maar om te genieten van de mild-ironische, onderkoelde schrijfstijl. Neem deze zin over de begrafenis van Arthur Conan Doyle, waar ‘(…) his family and members of the spiritualist community celebrated rather than mourned the occasion of his passing beyond the veil’. Of de opmerking dat Thomas Hardy’s kijk op vrouwen meer Frans dan Engels is: ‘subtle, a little cruel, not as tolerant as it seems, thoroughly a man’s point of view’. Over de jonge Winston Churchill: ‘In his veins ran the blood of both of the English-speaking peoples whose unity, in peace and war, it was to be a constant purpose of his to promote.’

Het bloed van beide volken stroomt ook door de Encyclopaedia Britannica zelf. Op het hoogte­punt van de Schotse Verlichting was het idee ontstaan voor een alomvattende encyclopedie, in navolging van het gelijksoortige project in Frankrijk van Denis Diderot en zijn encyclopedisten. Met twee bevriende drukkers nam de 28 jaar oude geleerde William Smellie, huizend in een Edinburghs steegje, de taak op zich.

Tussen 1768 en 1771 verschenen de eerste delen van de Encyclopaedia Britannica, a Dictionary of Arts and Sciences. Ze raakten meteen uitverkocht. Direct begonnen ze met een tweede editie, waarbij ze hulp kregen van James Tytler. Deze door schulden geteisterde excentriekeling was een scheikundige, chirurg, drukker, dichter, politiek activist en broodschrijver. Ook de tweede serie, waarin ‘Woman’ werd omschreven als ‘the female of man’, was een succes.

De Encyclopaedia groeide gestaag tijdens het Victoriaanse tijdperk. Eind negentiende eeuw verscheen de zogeheten Geleerden-editie, waarin onder meer de evolutieleer van Charles Darwin op een kraakheldere wijze uiteen werd gezet. Door de tijd zouden steeds meer beroemdheden bijdragen leveren, onder wie Walter Scott, T.H. Huxley, Thomas Malthus, Albert Einstein, Sigmund Freud, Henry Ford (over massaproductie), Bertrand Russell en Marie Curie. Laatstgenoemde koesterde blijkbaar geen gevoelens van wrok nadat de encyclopedisten haar geen eigen lemma hadden gegeven nadat ze de Nobelprijs had gewonnen, maar de scheikundige in plaats daarvan hadden ondergebracht bij haar minder bekende man Pierre. De Britannica is altijd wat aan de behoudende kant geweest, dit tot ongenoegen van een linkse criticus als Willam Huntington Wright, die het naslagwerk afdeed als provinciaalse en patriottistische propaganda voor de bourgeoisie.

In de twintigste eeuw werd de Britannica een Amerikaans product, hetgeen gepaard ging met de nieuwste verkooptechnieken. Sindsdien zou de merkwaardige situatie zich voordoen dat ’s werelds deftigste encyclopedie aan de man werd gebracht door deurverkopers die altijd hetzelfde argument zouden gebruiken: ‘U heeft toch alles over voor het onderwijzen van uw kinderen?’ Het werkte. De welriekende, in leer gebonden en met gouden letters geïllustreerde naslagwerken gingen, net als de stationwagen in de garage, behoren tot het huishouden van de ambitieuze, zichzelf verheffende middenklasse.

Dat bleef tot diep in de vorige eeuw het geval. Drie jaar voordat de boekenverkoper bij mij aan de deur kwam meldde de uitgever een recordverkoop van 120.000 exemplaren. De Britannica werd regelmatig genoemd door de gasten van het radioprogramma Desert Island Discs als antwoord op de vraag welk boek ze zouden meenemen naar een onbewoond eiland. Maar zo gestaag als de oplage gedurende 222 jaar was gegroeid, zo snel nam hij in de twee daaropvolgende decennia af. Wat de meteorieteninslag (waarschijnlijk) was voor de dinosaurussen, dat was het internet voor de brontosaurus van de boekdrukkunst, van het papieren tijdperk. Van de laatste editie, die van 2010, werden slechts 8500 exemplaren verkocht.

Op het internet bleek Wikipedia de grote vijand te zijn. De Engelse versie van dit wonderbaarlijke fenomeen telt 3,9 miljoen lemma’s, tegenover 120.000 van de laatste Britannica. Wikipedia is bovendien gratis, actueel en tamelijk betrouwbaar. Het grote verschil in literaire kwaliteit van de beschrijvingen is deze dagen van ondergeschikt belang. Daarachter schuilt een fundamenteel verschil dat veel zegt over de functionalistische tijd waarin we leven: Wikipedia is democratisch, de Britannica elitair. De uitgever hoopt dat britannica.com nog wel bestaansrecht heeft.

Maar het snel en doelgericht zoeken via het computerscherm mist de charme, de nostalgie die de tocht naar de bibliotheek, het bladeren in de leren boeken, het flirten met de studerende dame aan de andere tafel, het toevallig stuiten op Jellinek terwijl je iets over Lord Jellicoe wilt weten, het gerommel met muntjes bij de kopieermachine en het voldaan naar huis fietsen met zich meebrengt. Ik hoop dat de bieb deze reliek uit meer gemoedelijke tijden nog heeft staan tegen de tijd dat mijn zoontje aan de Britannica toe is. In de woorden van Freddie Mercury: ‘So stick around cos we might miss you/ When we grow tired of all this visual.’