De papieren Renaissance

De uitvinding van de boekdrukkunst heeft werken opgeleverd die de wereld veranderden. God werd vaster in het zadel gehesen, maar door anderen juist onttroond.

Eric Nelson, The Hebrew Republic. Jewish Sources and the Transformation of the European Political Thought. € 29,50

Andrew Pettegree, The Book of the Renaissance. € 31,85

Op 6 april 1490 overleed Matthias I, koning van Hongarije en Bohemen en hertog van Oostenrijk. Naast uitgestrekte territoria liet hij ook de grootste bibliotheek ten noorden van de Alpen na. In de laatste vijftien jaar van zijn bewind had de Hongaarse vorst in Florence ruim tweeduizend boeken laten kopiëren, illustreren en inbinden. Onder die manuscripten bevonden zich alle belangrijke werken uit de klassieke oudheid die toen bekend waren, plus de voornaamste christelijke teksten en vele kronieken. Opmerkelijk was dat op het moment dat Matthias stierf de boekdrukkunst inmiddels meer dan veertig jaar oud was en in steeds meer Europese steden drukkers de ene editie na de andere uitbrachten.
Om deze reden is koning Matthias vaak weggezet als conservatieve sufferd, die de tekenen des tijds niet had begrepen en halsstarrig vasthield aan een ten ondergang gedoemd medium, zoals de zeloten van de digitale revolutie tegenwoordig vol minachting neerkijken op lieden die blijven geloven in papieren boeken en gedrukte kranten. Soms wordt er, door de meer belezen digitale evangelieverkondigers, verwezen naar Johannes Trithemius (1462-1516), een benedictijner abt die in 1492 het traktaat De laude scriptorum publiceerde, waarin hij het opnam voor het op perkament gekopieerde manuscript. Dat was veel duurzamer dan het op papier gedrukte boek, dat bovendien wemelde van de fouten doordat de eenvoudige ambachtslieden die dat op de markt gooiden de toewijding en kennis misten die kenmerkend was voor de geestelijken die jaar in, jaar uit teksten kopieerden.
De boodschap van de digitale revolutionairen is duidelijk: slechts dwazen en bekrompen oudjes verzetten zich tegen de zegeningen van de nieuwe technologie. Evenals Trithemius lijken zij echter nogal goedgelovig en kortzichtig, omdat zij veronderstellen dat de revoluties die zich op het terrein van het geschreven woord voltrekken altijd snel en eenduidig zijn. Diezelfde Trithemius liet zijn lofzang op de kopiisten, evenals een flink aantal andere werken, publiceren door een van de meest innovatieve drukkers van zijn tijd, terwijl in datzelfde decennium de productie van manuscripten in de Lage Landen haar hoogtepunt bereikte. In zijn fraaie overzichtswerk The Book in the Renaissance laat Andrew Pettegree, die eerder uitstekende boeken over de Reformatie schreef, zien dat de uitvinding van de boekdrukkunst inderdaad een revolutie teweegbracht, maar dat dit tevens een ingewikkeld proces was dat gepaard ging met vele tegenslagen en uitdagingen.
Met het ontwikkelen van een drukpers waarop losse letters konden worden gebruikt had Johannes Gutenberg weliswaar een technologische prestatie van formaat geleverd, maar zoals zo veel uitvinders kwam hij er achter dat dit nog geen garantie was voor zakelijk succes. Gutenberg was wel de eerste maar zeker niet de laatste drukker die failliet ging omdat ‘de markt’ nog niet was ingesteld op het nieuwe product. Van een vraageconomie, waarin opdrachtgevers kopiisten zochten om een van tevoren bepaald werk over te schrijven, moest worden overgestapt op een aanbodeconomie, waarin drukkers met vele honderden exemplaren van één en hetzelfde boek kwamen. Nadat de technische problemen waren opgelost, was het vooral de distributie die zich moest ontwikkelen. Behalve dat ze gebruik maakten van de bestaande commerciële infrastructuur - vanuit de traditionele jaarmarkten ontwikkelden zich gespecialiseerde boekenbeurzen, zoals die in Frankfurt - neigden steeds meer drukkers ertoe hun bedrijf te vestigen in belangrijke handelscentra. Rond 1530 was tweederde van de Europese boekproductie afkomstig uit twaalf steden. Negen daarvan bevonden zich in Italië en Duitsland en waren al sinds jaar en dag belangrijke centra van de boekhandel, maar de nieuwkomers waren Londen, Antwerpen en Wittenberg.
Het laatste stadje vormde de uitzondering op de regel dat het ging om belangrijke commerciële centra, maar Wittenberg was natuurlijk het bastion van de door Luther in gang gezette Reformatie. Er is al vaak geschreven dat zonder de uitvinding van de boekdrukkunst de Reformatie nooit succesvol zou zijn geweest. Reeds eeuwen daarvoor waren er pogingen geweest de katholieke kerk te hervormen, maar dat waren allemaal bewegingen geweest die beperkt bleven en dikwijls vooral een regionale betekenis hadden. De communicatierevolutie die werd veroorzaakt door de uitvinding van Gutenberg leidde ertoe dat de ketterse gedachten zich razendsnel konden verspreiden. Pettegree laat echter zien dat omgekeerd de Reformatie ook een enorme stimulans voor de productie van gedrukte boeken en pamfletten betekende. Er ontstond een enorme vraag naar, vooral naar in de diverse volkstalen vertaalde bijbelse en andere religieuze teksten. Hierdoor kon zelfs het suffe Wittenberg uitgroeien tot een belangrijke boekenstad.
Was de Reformatie ondenkbaar zonder gedrukte teksten, ook de bloei van het renaissancistische humanisme had veel te danken aan de komst van de drukpers. Hoewel reeds begonnen in de veertiende eeuw, kreeg deze herwaardering van het klassieke erfgoed pas vleugels toen de herontdekte teksten en de commentaren hierop in korte tijd massaal konden worden verspreid. Veel historici die zich met de geschiedenis van het boek hebben beziggehouden, hebben het voorgesteld alsof de uitvinding van de drukpers een van de belangrijkste oorzaken van het proces van modernisering is geweest. Na de obscurantistische Middeleeuwen bracht het licht van de Oudheid nu de dageraad van de Moderniteit voort. Pettegree laat zien dat de werkelijkheid wat ingewikkelder in elkaar zit, en dat het overgrote deel van het drukwerk weinig van doen had met het verheven en geleerde humanisme van mensen als Erasmus. Pettegree besteedt daarom ook veel aandacht aan allerlei efemeer drukwerk, zoals plakkaten, schoolboeken, commerciële teksten, almanakken en nieuwstijdingen. Omdat er van dit gebruiksdrukwerk meestal slechts één of enkele exemplaren bewaard zijn gebleven, is onderzoek hiernaar veel moeilijker dan naar de kostbare boeken die nog te vinden zijn in talrijke grote bibliotheken. Ironisch genoeg is dit onderzoek pas mogelijk geworden na de internetrevolutie, nu historici de catalogi van talloze kleinere bibliotheken kunnen raadplegen.
Het onderzoek naar de effecten van de drukwerkrevolutie op het gedrag van gewone mensen mag dan nog in de kinderschoenen staan, ook op het gebied van de traditionele ideeëngeschiedenis - de studie naar de invloed die boeken hebben uitgeoefend op het denken en handelen van mensen - valt er nog veel werk te verzetten. Net zoals het verhaal van de komst van het gedrukte woord niet zo eenduidig is als vaak werd voorgesteld, valt er op het dominante beeld van de ontwikkeling van de westerse samenleving het een en ander af te dingen.
Zo wordt vaak voorgesteld alsof het ontstaan van het moderne politieke denken het resultaat is van een proces van secularisering. Tot ergens in de zeventiende eeuw zou politieke filosofie een vorm van toegepaste theologie zijn geweest. Om de vraag te beantwoorden hoe de samenleving geordend diende te zijn, moest men zich afvragen hoe God wilde dat zij eruitzag. Pas toen de autoriteit van God ter discussie werd gesteld, ontstond een moderne opvatting van politiek, waarin individuele rechten en vrijheden, een republikeinse staatsvorm, rechtvaardigheid en tolerantie centraal stonden. In De doodgeboren God (Atlas 2009) noemt Mark Lilla dit 'de grote scheiding’ tussen geloof en politiek, die werd voltrokken door denkers als Hobbes, Locke en Hume, terwijl Jonathan Israel de werkelijke Verlichting laat beginnen met Spinoza’s fundamentele bijbelkritiek. De onttroning van God zou zo hebben geresulteerd in de moderniteit. Het is een verhaal waarbij door bijvoorbeeld Charles Taylor wel kanttekeningen zijn geplaatst - zo ziet hij secularisering vooral als gevolg van modernisering - maar dat in brede kring aanvaard is en in het huidige debat over de islam een niet te onderschatten rol speelt.
Maar als dit verhaal klopt, zo vroeg de jonge Amerikaanse historicus Eric Nelson zich af, hoe is het dan mogelijk dat Renaissance-denkers als Petrarca, Machiavelli en Thomas More in hun politieke geschriften zelden of nooit de bijbel citeerden, terwijl je in zeventiende- en achttiende-eeuwse boeken over politieke filosofie werkelijk struikelt over de bijbelcitaten? De verklaring die hij hiervoor geeft, is dat het verhaal van die 'grote scheiding’ niet klopt. Tijdens de late Middeleeuwen en de Renaissance werd het denken over politiek en maatschappij sterk beïnvloed door auteurs uit de klassieke Oudheid. Vanaf de zestiende eeuw ontstond er, mede door de revolutie van het gedrukte boek, grote belangstelling voor het joodse denken, zoals dat verwoord was in de hebreeuwse bijbel en de vele rabbijnse commentaren hierop.
Vooral de Reformatie stimuleerde deze trend sterk, omdat velen dachten dat er in die joodse geschriften een antwoord gevonden zou kunnen worden op de vraag hoe God wilde dat de wereld werd geordend. De hebreeuwse bijbel werd immers gezien als een soort constitutie voor het volk Israël, dat door God uitverkoren was. Volgens Nelson zijn enkele opvattingen die wij tegenwoordig typisch modern noemen - het idee dat een republiek beter is dan een monarchie, de opvatting dat de overheid het recht heeft welvaart opnieuw te verdelen, en religieuze tolerantie - duidelijk te herleiden tot het bestuderen van de joodse geschriften. Het zijn dus, onder meer, boeken die de wereld hebben veranderd, maar in dit geval zijn het andere boeken dan waar meestal naar wordt verwezen.
Wat hedendaagse ideeënhistorici als Israel en Lilla nogal eens vergeten, is hoe belangrijk en diepgaand het religieuze denken was vóórdat de secularisering echt doorzette. Vooral de godsdienstoorlogen van de zestiende en zeventiende eeuw maakten religie ook voor tal van gewone mensen tot een, soms letterlijk, brandende kwestie. Wat zij overigens ook vaak over het hoofd zien, is dat die immense cultuuromslag niet alleen het werk was van de zogenoemde 'grote denkers’. In The Book that Changed Europe vragen drie historici aandacht voor twee minder bekende Fransen, die tussen 1723 en 1737 zeven foliodelen publiceerden die zelden worden genoemd als inhoudelijk baanbrekende boeken. Toch stellen Hunt, Jacob en Mijnhardt dat de door Jean Frederic Bernard geschreven en door Bernard Picart geïllustreerde Cérémonies et coutumes religieuses de tous les peuples du monde het westerse denken over religie fundamenteel veranderd heeft.
Bernard was als kind met zijn ouders naar de Nederlanden gevlucht toen Lodewijk XIV in 1685 het Edict van Nantes herriep en protestanten weer actief begon te vervolgen. Picart, een zeer succesvol graficus, bekeerde zich pas later tot het protestantisme en arriveerde in 1710 in de Republiek. Hun omvangrijke en systematische beschrijving van alle bekende godsdiensten en de daarbij behorende gebruiken was niet alleen een groot commercieel succes, maar brak ook met het vooringenomen kijken naar andere religies en vormde een pleidooi voor tolerantie. Gebruikmakend van de meest recente informatie, uit een enorme reeks bronnen, lieten Bernard en Picart zien dat overal ter wereld mensen behoefte hebben aan religie en dat ze daar een specifieke vorm aan geven die past bij hun situatie. Ook beschreven zij hoe elke godsdienst begint te ontaarden zodra er een gesloten kaste van priesters ontstaat, die bijna onvermijdelijk corrupt is en geneigd is de betreffende godsdienst te bevriezen in een reeks onwankelbare dogma’s en elke vorm van 'ketterij’ gaat verbieden. Door alle religies zo objectief mogelijk weer te geven - al hadden deze protestantse vluchtelingen overduidelijk moeite met het katholicisme - maakten Bernard en Picart duidelijk dat er niet één ware, onveranderlijke godsdienst was. Religie was mensenwerk, voortkomend uit een diepe menselijke behoefte, en als zodanig feilbaar.
Hunt, Jacob en Mijnhardt vergelijken hun onderzoek met enkele recente studies naar het ontstaan van de wetenschappelijke revolutie, waaruit blijkt dat deze niet louter het product was van de geniale invallen van enkele grote geesten, maar minstens evenzeer voortkwam uit de activiteiten van talloze zeevaarders, handelaren, artsen, apothekers, ambachtslieden, uitvinders en verzamelaars. Ook de uitgever Bernard en de graveur Picart behoorden tot dit leger van relatief 'gewone’ mensen, die tezamen een enorm netwerk vormden waarin ideeën niet alleen werden doorgegeven, maar ook daadwerkelijk ontstonden. Hoewel de 'grote denkers’ altijd dienen te worden bestudeerd, is het goed dat de context waarbinnen zij opereerden nu grondig in kaart wordt gebracht.

ERIC NELSON
THE HEBREW REPUBLIC: JEWISH SOURCES AND THE TRANSFORMATION OF THE EUROPEAN POLITICAL THOUGHT
Harvard University Press, 229 blz., € 27,80

LYNN HUNT, MARGARET C. JACOB & WIJNAND MIJNHARDT
THE BOOK THAT CHANGED EUROPE: PICART & BERNARD’S
RELIGIOUS CEREMONIES OF THE WORLD
Harvard University
Press, 383 blz., € 34,75

ANDREW PETTEGREE
THE BOOK OF THE RENAISSANCE
Yale University Press, 421 blz., € 33,35